In Daar gaan we weer (white male privilege) wil acteurscollectief Wunderbaum naar eigen zeggen ‘de links-liberale hoogopgeleide witte mens portretteren als een te observeren object in een zoo-humain’. Die ‘zoo-humain’ is in zekere zin letterlijk te nemen: we zitten op vier tribunes rondom een speelvloer die veel wegheeft van een circuspiste, waarop drie acteurs ronddarren in wisselende configuraties van twee tegen één.

Die acteurs bevinden zich op de redactie van de Nederlandse versie van een hip Amerikaans cultuurtijdschrift dat in een shitstorm is terecht gekomen vanwege een onbedoeld racistische coverafbeelding. Nu moet de tekst geschreven worden voor de persconferentie van morgenochtend. Dat levert een twee uur lange, bijna ononderbroken woordenwisseling op waarin alles wat er over vooroordelen en gevoeligheden kan worden gezegd, inclusief al die vooroordelen en gevoeligheden zelf, in hoog tempo de revue passeert. En waar blijkt dat na al het redeneren, argumenteren, verwijten en proberen te kalmeren, mensen uiteindelijk maar dieren zijn.

Annelies Verbeke verwerkte in deze nieuwe theatertekst de antwoorden die de acteurs gaven op een lijst lastige vragen over afkomst en discriminatie en de ervaringen van een werkbezoek in Trumpheartland, North-Carolina. Daar spraken auteur en acteurs met mensen uit allerlei geledingen van de samenleving over achterstelling en racisme en gaven ze theaterworkshops voor een etnisch diverse groep van drama-studenten. De voorstelling is ingegeven door het idee dat ook witte mensen – in het bijzonder geprivilegieerde hoogopgeleide cultuurmensen als de makers zelf – over heersende machtsverhoudingen moeten spreken, omdat dit onderwerp ook hen aangaat zoals het nu eenmaal iedereen aangaat.

De drie personages vertegenwoordigen drie op zichzelf al stereotype soorten uit de links-liberale biotoop: de politiek-correcte vrouw met een Malinese vriend die niemand wil kwetsen (en dat natuurlijk op des te pijnlijker wijze toch doet); de succesvolle selfmade-vrouw die zich heeft opgewerkt uit een verpauperde volksbuurt en nu wil genieten van haar verworvenheden (en dus vindt dat zíj in elk geval niet verantwoordelijk kan zijn voor de achtergestelde positie van anderen); de witte heteroseksuele man die zich in het nauw gedreven voelt omdat zijn soort verantwoordelijk wordt gehouden voor alle vormen van achterstelling en discriminatie in de wereld (en hij heeft het met zijn vechtscheiding toch zeker ook niet gemakkelijk?). Alle drie proberen ze niet in hokjes te denken, maar kunnen ze het niet laten, omdat ze zelf net zo goed vastzitten in het hokje waarin ze door zichzelf, door hun achtergrond of door ‘de maatschappij’ zijn ingedeeld. En nu moeten ze met zijn drieën een inclusieve tekst produceren.

Het stuk is bij vlagen even hilarisch als pijnlijk, maar begint op den duur te vermoeien. Het twee uur durende verbale gebeuk is niet alleen uitputtend voor de stemmen van de acteurs, maar ook voor het publiek. Misschien had niet elk mogelijk vooroordeel en verwijt in de tekst gepropt te hoeven worden. De weinige rustpunten in het stuk zijn hoognodig, maar voelen na zoveel verdovende eenvormigheid onwennig aan. Anderzijds kondigt dat beukende – het verlies van beschaving dat daarin zit – de ontluistering aan van het dier mens aan het einde van het stuk. Geruststelling volgt er daarna niet. Wat overblijft is een hoopje goede bedoelingen in duigen. Zelfs het geloof daarin bleek een vorm van superioriteitsdenken te zijn.

Foto: Fred Debrock


Luister hier naar de podcastrecensie van deze voorstelling, die Luc de Groen samen met Anne van de Wetering maakte voor De Theaterpodcast.