Nineties Productions voert het idee van de subjectiviteit van de waarheid zo ver door dat er geen enkele inhoud over blijft.

Het begrip ‘post-truth’ werd voor het eerst gebruikt in 1992. De term werd, nota bene door een toneelschrijver, bedacht als kritiek op de bijna militante goedgelovigheid van het Amerikaanse publiek inzake onder andere de Watergate- en Iran-Contra affaire en de rechtvaardiging van de eerste Golfoorlog. Nog altijd wordt het begrip uitsluitend negatief gebruikt, om politieke praktijken te duiden die eerder vanuit (het bespelen van) onderbuikgevoelens vertrekken dan vanuit een oprechte interpretatie van feiten.

Ik was dan ook erg geïntrigeerd door de titel van de nieuwe productie van Nineties Productions, Touki Delphine en muzikanten van de Amerikaanse indie-rockband Edward Sharpe And The Magnetic Zeros: Billy The Kid: A Post-Truth Concert In Court. Zouden de gezelschappen de term ironisch hebben geclaimd? En wat heeft het te maken met de beroemde outlaw die in de nadagen van het wilde westen werd doodgeschoten?

Helaas formuleert Billy The Kid nergens een overtuigend antwoord op deze vragen. De voorstelling bestaat uit een aaneenschakeling van songs, sketches en monologen waarin steeds ofwel een perspectief op de desperado wordt geformuleerd (door voormalige bendeleden, vijanden en geliefden, maar ook door een tumbleweed met de persoonlijkheid van Bob Dylan en door de kogel waarmee The Kid om het leven werd gebracht), ofwel commentaar wordt geleverd op de subjectiviteit van de waarheid.

De eclectische aanpak zorgt voor een gevarieerd en sterk uitgevoerd concert met uiteenlopende muziekstijlen, maar de individuele elementen zijn inhoudelijk oppervlakkig en onderlinge verbintenis ontbreekt. Iedere interessante subtext wordt bovendien doodgeslagen door hem letterlijk te benoemen: in de monologen van muzikant Mitchell Yoshida wordt het thema van de voorstelling eindeloos onderstreept. The Kid zelf komt er nogal bekaaid vanaf: zijn verhaal staat zo zeer ten dienste van het idee dat de waarheid onkenbaar is dat hij bijna per definitie nooit een mens van vlees en bloed wordt.

En dat is misschien wel de grootste zwakte van de voorstelling: de makers presenteren post-truth als voldongen feit, als een gegeven dat ze ontslaat van de verantwoordelijkheid om kritisch te kijken naar de verschillende waarheden die aan het woord worden gelaten. Ze komen inhoudelijk niet verder dan de constatering dat de waarheid afhankelijk is van het gehanteerde perspectief – een reeds breed gedeeld inzicht dat tot en met het toegift telkens wordt herhaald, zonder dat het verder wordt uitgediept of geproblematiseerd.

Zo wordt ‘post-truth’ natuurlijk een self-fulfilling prophecy, en komen de makers met hun postmodernistische relativering gevaarlijk dicht bij de minachting voor ‘feiten’ van Trump en andere moderne demagogen.

Dat het ook anders had gekund, blijkt uit de slotmonoloog van Yoshida. Hierin herhaalt hij enkele vragen die de makers zich tijdens het creatieproces hebben gesteld, zoals: waar eindigt culturele uitwisseling en begint culturele toe-eigening? En hoeveel waarheid kan een mythe eigenlijk verdragen? Prikkelende gedachtes, die in Billy The Kid veel meer ruimte hadden verdiend.