Cindy Godefroi en Jozefien Mombaerts leverden de afgelopen twee weken hun eerste gezamenlijke programma af als artistiek leiders van Theater aan Zee. De zesentwintigste editie van het festival werd zeker begin augustus nogal geplaagd door fikse buien, wat de vele bezoekers echter nauwelijks leek te deren. De foto’s van in regenpak gehulde toeschouwers op volle tribunes gingen rond op sociale media, terwijl bezoekers per mail tips ontvingen om niet van de paraplu gebruik te maken, omdat dat immers het zicht van medetoeschouwers belet. Een boel voorstellingen zijn ook binnen, op locatie of in reguliere zalen.

Maar op Café Koer, de centrale bargelegenheid van het festival in het Leopoldpark in het Vlaamse Oostende, waar ook de maaltijden voor de honderden vrijwilligers tweemaal per dag worden uitgeserveerd, was het aanzienlijk rustiger. Mombaerts: ‘Het festival krijgt belachelijk weinig subsidie, dus ook die omzet is wezenlijk.’

Acteur, regisseur en dramaturg Jozefien Mombaerts was vanaf 2020 verantwoordelijk voor de programmering van Jong Werk op TAZ, toen zij in 2022 plots interim artistiek leider werd, ter vervanging van Luc Muylaert. Cindy Godefroi kent het festival vanaf het prille begin. ‘Ik was er als bezoeker, als programmeur, als lid van de jury Jong Werk, als lid van de raad van advies én de raad van bestuur, dus ik ken het festival van binnenuit.’ Samen deden de vrouwen in de nazomer van 2022 een succesvolle gooi naar een gezamenlijk artistiek leiderschap.

Hoe is het om met z’n tweeën artistiek leider te zijn van het grootste theaterfestival van Vlaanderen, zeshonderd voorstellingen in twee weken – die je niet allemaal zelf programmeert, neem ik aan?
C: Maar toch de meeste wel!
J: Ik denk dat ik twee voorstellingen niet op voorhand heb gezien. Net als Cindy.
C: En je merkt dat je daardoor makkelijk en bevlogen over de voorstellingen kunt praten, dat je niethardop zit voor te lezen uit de catalogus.
J: Ik heb er natuurlijke meerdere niet gezien die Cindy heeft geprogrammeerd. Met de enige voorstelling die ik blind programmeerde ben ik heel blij, maar die staat in een verkeerde context. Als ik die voorstelling van tevoren had gezien, had ik die in de juiste context kunnen plaatsen.

Godefroi en Mombaerts kennen elkaar echt goed vanaf het moment dat Mombaerts haar voorstelling Pleidooi voor zelfmoord ging maken in 2020 bij de Kopergietery in Gent. Godefroi, die programmeur was bij dit Gentse creatiehuis voor jong publiek, vond het eigenlijk geen goed plan en ging met Mombaerts in gesprek, veranderde van inzicht door de gesprekken en werd zelfs de dramaturg van de voorstelling, die gaat over mensen die leven met de wens een einde aan hun leven te maken. Godefroi: ‘Gewoon door dingen in mijn privéleven dacht ik: dat gaat, dat kan zo verschrikkelijk worden. Ik wilde van haar horen hoe zij het precies zag. Jozefien was daardoor geraakt: waarom is Cindy zo naar mij toegekomen, met de bedenking “it better be good!?” Daarna hebben wij ons uren teruggetrokken in het salonneke van de Kopergietery en dat was zeer openhartig. Ik weet nog dat ik begon te huilen, dat we heel veel hebben gedeeld. En toen zijn wij vertrokken. Mochten wij dat moment niet gehad hebben, dan zou zo’n duo-leiderschap misschien veel spannender zijn geweest. Maar wij wisten al dat wij kritisch naar elkaar durven kijken. We durven heel eerlijk te zijn, we mogen elkaar heel graag. We vertrouwen elkaar. Dat zijn heel essentiële dingen om zoiets aan te gaan.’

Jullie hebben niet per se dezelfde opvattingen?
J: We zijn sowieso meerstemmig. We hebben verschillende expertises, hebben een andere weg afgelegd in de sector, en we zijn van een andere generatie. Maatschappelijke discussies bespreken wij liever met z’n tweeën dan alleen. En er is dat basisvertrouwen: als ik val, vangt ze mij, en omgekeerd. Zonder dat het een soort blinde liefde is, wat je in een vriendschap zou kunnen hebben.

Als artistiek leiders van zo’n groot festival hebben jullie een bijzondere positie en tegelijkertijd kijkt iedereen met je mee. Jullie hebben samen een parcours geformuleerd voor de toekomst van TAZ. Zijn er zaken waarvan jullie dachten: dit is onze kans?
C: We hebben nooit gedacht: tabula rasa, nu gaan wij eens alleen maar doen wat wij willen. We kijken met ontzettend veel liefde naar dit festival. Die hele geschiedenis willen we echt koesteren. Maar het is wel heel fijn om te kijken wat er nog meer kan. Daarin zijn we wel ambitieus. Zouden we op een dag ook kunnen produceren? Hoe zouden we internationaal kunnen kijken? TAZ heeft een potentieel op heel veel domeinen: de stad, de zee, de diversiteit aan podiumkunsten en publiek. Dat is een rijkdom waarvan wij wel denken dat je die internationaal zou moeten verbinden.
J: Het voelt soms alsof we in ons voorstel naar het festival als naar een potentieel lief kijken: je ziet iemand heel graag – haha, je deelt die – maar direct projecteer je daar heel veel potentiële dingen op. Maar het dna zagen we wel meteen.

Wat is het dna?
J: Vierhonderdvijftig vrijwillige medewerkers, die een soort familie vormen, wat waanzin is, dat het festival op die manier gedragen wordt. Het publiek, dat de voorstellingen totaal zijn uitverkocht met mensen die door het jaar heen niet naar het theater gaan, die niet per se cultuurliefhebbend zijn, misschien nooit een boek lezen, of whatever. Die zitten hier allemaal samen met een heel erg intellectualistisch publiek, met heel veel jonge makers, dus verschillende generaties, die zowel qua publiek als op het niveau van artiesten samenkomen, dat is waanzin.

Er zijn niet veel andere festivals die dat hebben?
C: Dat je met zoveel verschillende soorten voorstellingen bijna altijd een volle zaal hebt, is niet zo evident.
J: Al het Jong Werk is gewoon zeven keer uitverkocht. Daar doe je die mensen en die stukken zoveel goed mee.
C: Terwijl het niet per se toegankelijk is, zit daar toch ongelooflijk veel publiek. Nu ook, het regent pijpenstelen en zij zitten daar met hun regencapeje. Ze komen gewoon.
J: Als ik door het jaar Jong Werk prospecteer, zit ik eigenlijk de helft van de tijd in bijna lege zalen. Die jonge makers hebben gewoon te weinig publiek. Hen die kans geven is super belangrijk, maar het geeft ook zoveel hoop in een pessimistisch cultuurveld, waarin iedereen denkt: kunnen we de mensen wel bereiken, is het niet elitair? Nee, het is niet elitair en ja, we kunnen de mensen bereiken.

Komt dat door het aanbod in België en al die geweldige Culturele Centra (CC) die voor Nederlandse doen heel eigenwijs kunnen programmeren?
J: Pas op, die CC’s zijn meer en meer leeg. Ze worden gedwongen om heel commercieel te worden, met zaalverhuur en …

…je eigen broek ophouden, in Nederland is die fase al voltooid.
J: Moeten wij dat dan hier ook gaan doen? Nee, wij mogen naast een paar grote namen experimenteren.

In feite heeft TAZ samen met het Oostends publiek een hele ontwikkeling doorgemaakt al die jaren. Naast de oudere koppels zie ik ook heel veel jong publiek.
C: We hebben hele, hele trouwe bezoekers, zeker de Oostendenaars. Maar ook mensen van ver daarbuiten en de vele professionals die komen.
J: Het groeit elk jaar, de ticketverkoop is nog nooit zo goed geweest als dit jaar.

Maar kunnen jullie wel uitbreiden?
C: WonderWaai is een uitbreiding. Vroeger was er een groot familieaanbod. Dat heeft een aantal jaren stilgelegen, terwijl je merkt dat er publiek voor is. We moeten dat gewoon bereiken. Het zou heel gek zijn als we al die families zouden overslaan. WonderWaai is gratis en zo ook een ingang om het festival laagdrempelig en diverser te maken, met een kwalitatief hoogstaand aanbod.
J: We zouden misschien wel groter kunnen worden, nog veel meer programmeren, maar dat is een beetje een zoektocht. We zijn heel erg afhankelijk van kaartverkoop, want we hebben maar heel weinig overheidssubsidie: 298.000 euro om zo’n festival mee te doen. Dat is niks.

Je bent cafébaas, je moet altijd zorgen dat je bier verkoopt.
J: Ja, het moet draaien. Dat is afhankelijk van het weer natuurlijk ook, maar de ticketinkomsten moeten bijna evenredig zijn aan de kosten van de voorstelling. Dus het is een heel moeilijke oefening. Dit was ons eerste jaar, we konden niet meteen een hele financieringsvisie uitbouwen, maar daar zit op de lange termijn nog veel in. Hoe gaan we het zodanig duurzaam maken dat je niet je mensen op het spel zet. We hebben een fantastisch menselijk kapitaal, maar we vragen er ook heel veel van. Cindy en ik willen inzetten op een soort zorgzaamheid, ook naar de mensen die dit festival op hun schouders dragen.

Kees Lesuis van Oerol legde mij ooit uit hoe het festival na groei-avonturen in Berlijn en New York besloot om niet in kwantiteit maar kwaliteit te investeren.
C: Ik denk echt dat TAZ niet moet groeien, maar dat er vanuit de diepte nog van alles mogelijk is. Dat het sociale weefsel van de stad nog meer voelbaar kan worden in het festival, dat we het meerstemmige en de meertaligheid nog meer in het festival krijgen. Daar hebben we nu al heel erg op ingezet, met de buurtwerking sinds oktober vorig jaar. Maar dat wordt niet meteen zichtbaar, dat heeft tijd nodig om te groeien.
J: We zijn in Quartier d’O onze wijkwerking gestart. Ieder festival doen we een wijkfeest, met en door buurtbewoners, elk jaar een nieuwe wijk. Op die manier proberen we als een carrousel die wijkwerking op te bouwen, organisaties te leren kennen en ons één jaar lang te verdiepen in een wijk, met verschillende partners zoals De Grote Post en klein Verhaal.

Jullie hebben het festival een thema meegegeven: Raak me, bemin en betoog. Heeft het thema dan ook een dubbele betekenis, van artistiek en maatschappelijk geraakt te worden?
J: We gaan mensen nooit dwingen tot bepaalde waarden, of louter voorstellingen selecteren die binnen een thema passen. Het thema bepaalt eerder de context van het festival, het geeft aan waar wij op inzetten, dat we niet alleen een artistiek, maar ook een sociaal verhaal hebben. Het zorgt ervoor dat je naar bepaalde voorstellingen lijntjes kunt trekken, maar naar andere ook niet. Binnen onze beperkte middelen kiezen we bijvoorbeeld ook voor een publiekswerker in plaats van een pr-medewerker. Het gaat erom dat het publiek dat hier rondloopt ergens dat thema meekrijgt, ook al zien ze maar één of twee voorstellingen.
C: Het thema is voor ons interessant om te gaan prospecteren. Niet alles moet afgewogen worden aan het thema, maar het zorgt ervoor dat wij het ergens over kunnen hebben. We zijn nu al aan het brainstormen voor volgend jaar, wat we zouden kunnen vertellen. Hét thema hebben we nog niet, maar het zal met generaties te maken hebben, het intergenerationele.
J: Voor dit jaar zaten we aanvankelijk in liefde en verzet. Dat wordt dan uiteindelijk ‘Raak me, bemin en betoog.’
C: Het gaat ook over wat we met ons lichaam doen en met onze huid. We hebben ons onder andere laten inspireren door Ieder een lichaam van Olivia Laing. Het boek gaat over hoe ons lichaam implodeert, niet meer kan, wegens te veel, wegens te weinig, het zijn de stakingen van deze tijd. Het is terecht dat er daarom zo ontzettend veel aandacht is voor het lichaam, maar met Laing zien wij ook dat er uit die implosie een vorm van verweer kan groeien, een verzet kan ontstaan.
J: Zolang het niet fysiek wordt, is het niet zichtbaar. Je ziet het met alle burnouts. Uiteindelijk is het toch het lijf dat de grens aangeeft, ook al gaat het om psychologische struggles.

Foto: Leen Belpaem