Mijn moeder dementeert en dat is een aangrijpend proces. Dingen die voorheen verband hielden, bij elkaar hoorden, vallen uit elkaar, verdwijnen, worden poreus. Nieuwe verbindingen ontstaan. Identiteiten lopen door elkaar, tijden versmelten, bewustzijn raakt weg, verandert. Het werd treffend verwoord in een toneeltekst van Joop Admiraal (1982, DNTB #155), die ik een paar weken geleden bijna letterlijk citeerde toen ik tegen mijn moeder zei: ‘Nee, maar jíj bent mijn moeder’. Het roze oerwoud waar ze graag naar toe wil, het eindeloos vastzitten in een stilstaande trein die maar niet aankomt, het gevoel dat er iets dreigt maar niet te weten wat. ‘Wat een toestand!’, zegt mijn moeder meestal als ik haar aan de telefoon krijg. ‘Wat een toestand!’

Midden in deze toestand mocht ik spreken op de Nederlandse Dansdagen, tijdens een panel over dansarchieven en geschiedschrijving, zorgvuldig gecureerd door Fransien van der Putt. Aanleiding voor de bijeenkomst was de uitgave van twee boekjes in de nog kleine maar fijne serie De Nieuwe Dansbibliotheek, die sinds 2020 onder de vlag van De Nieuwe Toneelbibliotheek opereert, en waarin oude en nieuwe bronnen rondom de dans in Nederland een plek vinden. Op uitnodiging van Theaterkrant deel ik hier graag de tekst die ik op deze gelegenheid uitsprak, alsmede een aantal gedachtes die de volgende ochtend in een Maastrichtse hotelkamer op mij afkwamen.

Wat kan dit boekje doen?
In 1984 schreef gelauwerd regisseur Moniek Merkx (bekend van haar werk bij onder andere theatergroep Max. en Maas) haar afstudeerscriptie, getiteld Moderne dans in ontwikkeling. In deze scriptie gaf zij een beschrijving van de opleiding Moderne Dans van de Theaterschool Amsterdam tegen de achtergrond van historische en internationale dansontwikkelingen. De school was zo blij met haar grondige pionierswerk, dat men de scriptie meteen als boekje publiceerde.

Vandaag beleven we de heruitgave van deze scriptie, als boekje nummer vier in de Nieuwe Dansbibliotheek. Het boekje is prachtig vormgegeven door Connie Nijman en verzorgd en ingeleid door Fransien van der Putt, compleet met een recent interview met Merkx over haar scriptie en een overzichtsartikel van Jeroen Fabius over de ontwikkelingen binnen de School voor Nieuwe Dansontwikkeling (SNDO, de opvolger van de opleiding Moderne Dans) van ná 1984.

Fransien heeft me uitgenodigd om iets zeggen over de waarde van deze heruitgave. Wat is mijn reactie op deze publicatie? Wat kun je met dit boekje, wat kan dit boekje gaan doen? Wat maakt dit boekje zichtbaar, en wat niet? Om te beginnen: ik word er blij van. Vanwege de heruitgave van deze belangrijke historische tekst, die een prachtig inkijkje geeft in de tijd en het denken over dans zoals zich dat in het begin van de jaren tachtig manifesteerde, maar ook om de voorzichtige beweging waar de heruitgave van dit boekje deel van uitmaakt: een groeiende behoefte om zorg te dragen voor onze bronnen.

Want wat dit boekje vooral zichtbaar maakt is hoezeer we boekjes als dit missen. Om een bredere blik te krijgen op ontwikkelingen en geschiedenissen, om studenten makers en publiek te inspireren en voeden. Hoe fundamenteel het vertellen en exploreren van onze geschiedenissen vanuit verschillende perspectieven en vraagstellingen is, en hoezeer de infrastructuur binnen ons huidige bestel ontbreekt om daar op een goede manier zorg voor te dragen. De hoeveelheid theater- en dansmakers op leeftijd die niet weten waar ze met hun archief naartoe moeten is groot. Ik ken er vele.

De scriptie van Moniek Merkx was een uitzonderlijke scriptie. En ook een ambitieuze onderneming. Merkx besloot een veld te gaan beschrijven, de nieuwe of postmoderne dans, dat tot dan toe niet beschreven was. Binnen haar toenmalige opleiding theaterwetenschap was er niemand te vinden die hier iets van af wist, noch was er iets over geschreven. Binnen de opleiding Moderne Dans zelf was ook geen traditie van geschreven reflectie en analyse op het eigen vakgebied.

Hoe herkenbaar voor mij, ook ik studeerde theaterwetenschap in Amsterdam, en ik wilde schrijven en leren over de mime, een gebied van het Nederlands theater dat in 2001, toen ik afstudeerde, binnen de studie zo goed als niet-bestaand was. Datzelfde gold op dat moment ook nog steeds voor de reflectie op moderne dans trouwens, zoveel was er niet veranderd. De taal bleef dominant in het definiëren van en denken over theater, en dans en mime waren, net als bijvoorbeeld muziektheater, poppentheater, objecttheater, straattheater en performance ondergeschoven kinderen.

En dus ging Merkx, net als ik, praten met de makers, kijken in de lessen, zoeken in de literatuur die schaars was. De door Merkx geschreven tekst is een poging tot een mapping van de toenmalige moderne dans in Nederland, tegen de achtergrond van internationale, voornamelijk Amerikaanse invloeden. De tekst is uiterst gestructureerd en bestaat uit vele vaak korte beschrijvingen van personen en hun manieren van werken waardoor een indrukwekkende hoeveelheid dansmakers, docenten en choreografen in deze publicatie de revue passeert.

Heerlijk om als student en lezer een dergelijk overzicht geboden te krijgen, waarbij eens te meer duidelijk wordt hoe groot met name de Amerikaanse invloed op de Nederlandse nieuwe dans is geweest. Toch leest het overzichtsmatige ook een beetje frustrerend en vraag je je af: hoe gaan we dichter op de huid komen? Hoe komen we dichterbij het werk van de danspioniers uit de jaren zestig en zeventig, zoals Pauline de Groot en Koert Stuyf?

De mooiste stukken uit de tekst vind ik dan ook die stukken waarin Merkx inzoomt, waarin ze zo precies mogelijk over de fysieke training van de dansers aan de school schrijft. Ik denk dan te voelen hoe zij bij die lessen heeft zitten kijken, en wat ze daar waarnam. Ze zat zich trouwens daar ook vaak wel een beetje te vervelen, zoals ze in het recente interview aan Van der Putt vertelde. Naar al die lichamen te kijken die daar stil liggen te liggen en te voelen, en zelf aan de kant te zitten.

Toch is het mooi om te lezen hoe zij als buitenstaander beschrijft wat ze heeft gezien. Bijvoorbeeld in het stuk over de alignmenten de releasetechniek, waarin ze de constructive rest position beschrijft, een liggende houding waarin de danser zichzelf omarmt: ‘vanuit deze meest ontspannen houding wordt slechts gewerkt aan de mentale voorbereiding van een beweging’. Merkx vergelijkt het later met de zéro in de mime: ‘het lege vel waarop je iets kunt laten ontstaan’.

Mooi is ook hoe ze schrijft over de manier waarop in trainingen met beelden en verbeeldingsprocessen gewerkt wordt om als het ware van binnenuit en op een uiterst persoonlijke manier tot beweging te komen. ‘Dans beoefenen met behulp van alignment- en releasetechnieken is altijd een persoonlijk en creatief proces. Beelden die voor de één werken zijn niet bruikbaar voor de ander. Men dient te zoeken naar beelden die waardevol zijn voor het eigen lichaam’, noteert Merkx. Interessant is natuurlijk hoe ze in haar eigen oeuvre als maker bij Max. en later Maas met deze inzichten heeft doorgewerkt. Het zijn inzichten die zoals ze zelf beschrijft aan de basis liggen van haar werk.

Maar wie staan er op de foto’s?
Tussen de gestructureerde vertelling door loopt nog een ander narratief dat mij als lezer in hoge mate interesseert en aantrekt. Het verhaal van de foto’s. Die veel vragen oproepen. Elf foto’s. De vrouw in het gestreepte truitje op de voorkant. Wie is zij, welk stuk is dit? Ik zie foto’s van studenten in lessen, ik zie plezier, ik zie ademhaling. Op een foto zie ik een berg stenen en twee dansers die op en tussen die stenen liggen. Andere foto: ik zie een danser draaien met de armen wijd, het lijkt buiten op straat? Ligt daar een sigaret? Op weer een andere foto zie ik een danser (of is het een mimespeler, ik meen Wouter Steenbergen te herkennen…) bewegen in een projectie die mij doet denken aan een wirwar van takken of draden. De projecties lopen over zijn lichaam heen.

Ik zie twee schimmen bewegen in een dansstudio, de beweging lijkt uitgeveegd te zijn, vegen de dansers hun beweging uit tijdens de dans? Ik zie stoelen en denk Anne Teresa de Keersmaeker en Pina Bausch. Ik zie een aanraking van een hand op de vloer, ik denk dat dit Pauline de Groot is, dit moet Pauline de Groot zijn. Ik denk aan mimespeelster Klaske Bruinsma die mij vertelde dat ze van Pauline de Groot leerde om in plaats van de esthetiek van het sculpturale (die in de toenmalige mime gebruikelijk was) leerde te bewegen als een plastiek, een gegoten, meer sensuele bewegingskwaliteit. De sensitiviteit van die hand die de vloer aanraakt spat van de foto.

Ik zocht voorin en achterin het boekje naarstig naar de informatie: wie zijn er op deze foto’s te zien? Wie waar wanneer werden deze foto’s gemaakt? Ik appte Fransien en ze zei me dat ze gezocht heeft, maar nog niet gevonden, nader onderzoek nodig. En dat is exact wat dit boekje zichtbaar maakt: Nader onderzoek nodig! Hoe mooi zou het zijn als de praktijken van de mensen die Merkx in een kader zet, uitgebreider beschreven en onderzocht zouden kunnen worden. Zodat we dichter op de huid zouden kunnen komen, dichter op en onder de huid van de dansers, de manieren van denken en werken, dichterbij de belichaamde kennis. Want die heeft een relevantie die ver buiten de grenzen van de danssector reikt. Dat wat dansers, dansmakers, choreografen weten over lichamen en beweging is urgente kennis in een tijd waarin lichamelijkheid langzaam dreigt te verdwijnen. En dat is niet alleen van belang voor de dansers en dansmakers zelf, laten we dat niet vergeten.

The day after
Na afloop van de bijeenkomst werd ik om zes uur ‘s ochtends wakker in een hotelkamer. Met een ongeloof: is dit werkelijk waar? Hoe is het mogelijk dat het werk van de Nederlandse pioniers van de moderne dans zo onbeschreven is? Dat we afhankelijk zijn van een scriptie van Moniek Merkx uit 1984 om ons enigszins een inkijkje te geven in het werk van Pauline de Groot? Waarom kan in België het unieke werk en de werkwijze van Anne Teresa de Keersmaeker in een driedelige publicatie (A Choreographers Score) compleet met dvd’s en archiefmateriaal in de diepte worden geanalyseerd, en hebben wij in Nederland geen idee wat we met het archief van Pauline de Groot aan moeten? Waar is de analyse, met beeldmateriaal, van het werk van De Groot? Waar is de full colour uitgave over het werk van Koert Stuyf? Bianca van Dillen? Of, meer recent: Nita Liem? Om slechts een paar namen te noemen.

Tijdens het afgelopen theaterfestival kreeg de Nieuwe Toneelbibliotheek (DNTB) de Prosceniumprijs uitgereikt. Dat is geweldig en zeer verdiend. In een mail stuurde oprichter Ditte Pelgrom ons, de schrijvers, het dankwoord dat zij had willen uitspreken tijdens het gala van het Nederlands theater. Maar ze kreeg te horen dat er slechts dertig seconden beschikbaar waren en besloot dat ze deze tekst op die avond dus niet kon delen.

Het is typerend voor de staat waarin het Nederlandse theatergeheugen functioneert. We hebben er maximaal dertig seconden voor over. En dan gaan we weer over naar de producties, de ene na de andere, productie, productie, productie, publieksbereik, productie, nieuwe productie, meer productie, we moeten wel genoeg produceren, genoeg publiek bereiken, we bereiken publiek en we hollen weer door naar de volgende productie.

Waarom is DNTB geen onderdeel van de BIS? Kunnen we eigenlijk spreken van gaten in de dansgeschiedschrijving? Of moeten we concluderen dat er in de Nederlandse podiumkunstensector nauwelijks een gedegen traditie van (dans)geschiedschrijving bestaat, en dat de bestaande publicaties – vaak het werk van bevlogen eenlingen – juist dát zichtbaar maken, hoeveel onbeschreven is, hoeveel ontbreekt. Dat de gaten de regel zijn, en niet de uitzondering.

Foto: uitsnede cover Moderne Dans in Ontwikkeling van Moniek Merkx, Jeroen Fabius en Fransien van der Putt (De Nieuwe Dansbibliotheek, boekje #D04).