In de jaren zestig dompelde Käthy Gosschalk zich onder in de Amerikaanse dansscene, destijds the place to be. Na haar terugkeer werd ze een artistiek leidster met een missie: meer ruimte voor moderne dans in al zijn variaties.

Door Jacq. Algra, foto Bas Vroege

‘Opvallend in de Nederlandse dans is dat vrouwen een gezelschap beginnen of een school. In het begin is er nooit geld, er moet geïmproviseerd worden en bijna alles moet zelf worden gedaan om de zaak overeind te houden. Het komt erop neer dat je nergens te beroerd voor moet zijn.’

Het zijn haar eigen woorden; in 1975 was Käthy Gosschalk met een dansgezelschap begonnen. De Rotterdamse Kunst Stichting had een plan voor de oprichting van Werkcentrum Dans en Gosschalk werd gevraagd het door te lezen. Na afloop van het gesprek, waarin ze onomwonden haar kritiek toelichtte, besloten de Rotterdammers de klus aan haar over te laten. Ze pakte de handschoen op.

Twintig jaar daarvoor begon Katharina Gosschalk haar dansopleiding bij het Scapino Ballet, waar ze gastchoreograaf Lucas Hoving ontmoette, een Nederlander die in de jaren veertig verslingerd raakte aan de Amerikaanse dans. In 1960 stak ze zelf de oceaan over om nader kennis te maken met verschillende vormen van moderne dans en musical. Bij terugkeer was ze een van de eerste dansers bij het net opgerichte Nederlands Dans Theater die andere technieken dan het klassiek ballet onder de knie had: een dramatische Graham-danseres waarmee de choreografen die iets eigentijds wilden creëren (Glen Tetley, Job Sanders, Hans van Manen) heel goed konden samenwerken. Ze danste er tien jaar en presenteerde er haar eerste eigen creaties. Gosschalk vervolgde haar carrière als actrice bij de Nieuwe Komedie, Globe en De Appel. Maar Hoving haalde haar terug de dans in: hij vroeg haar of ze aan de academie in Rotterdam wilde lesgeven en of ze ook het plan voor een nieuwe dansgroep wilde bestuderen.

Moed en avontuur is de titel van het boek waarin vijfentwintig jaar later haar relaas van een kwarteeuw Rotterdamse Dansgroep staat beschreven. Met haar gezelschap wilde Gosschalk de laatste ontwikkelingen in de internationale moderne dans tonen en vernieuwende experimenten aangaan met jonge choreografen. Het was pionierswerk, dus heeft de artistiek leidster altijd ferm gestreden. Tegen beleidsmakers die de eigentijdse dans niet serieus namen en het liefst voor een dubbeltje op de eerste rang zaten. Maar ook tegen bestuursleden die haar halverwege de jaren tachtig wilden ontslaan vanwege botsingen met een aantal dansers.

‘Een vrouw die altijd gedaan heeft wat moest gebeuren,’ in de woorden van Ton Simons, die haar in 1999 opvolgde. Ze vormde dansers en coachte choreografen van eigen bodem als Hans Tuerlings, Ed Wubbe en Simons zelf. Daarnaast nodigde ze een keur aan Amerikaanse danskunstenaars uit die eigenzinnig en vernieuwend werk maakten en later wereldwijd bekend werden, onder wie Bill T. Jones, Randy Warshaw, Stephen Petronio en Amanda Miller. Bovendien was zij de enige Nederlandse dansleider die creaties van de postmoderne meester Merce Cunningham wist te verwerven.

‘Bij haar was het nooit twee passen hier en drie tellen daar,’ zegt Tim Persent, die zeven seizoenen bij de Rotterdamse Dansgroep danste en zijn carrière vervolgde bij LeineRoebana in Amsterdam. ‘In haar choreografieën wilde ze laten zien waardoor ze gedreven worden, hoe ze met elkaar omgaan en groepen vormen.’ Gosschalk was volgens hem zeker ook veeleisend. ‘Blijf aan je techniek werken, was haar motto, zodat je elke dag vooruitgaat. Je kunt altijd hoger springen. Ze kon ongeduldig en confronterend zijn, ze wilde het beste uit iedereen naar boven krijgen. Ik ben haar dankbaar: het was fantastisch om met zoveel interessante choreografen te werken.’

‘Er zat altijd een verhaal achter haar bewegingen,’ stelt Gaby Allard. Allard danste meer dan tien jaar in werk van Gosschalk en is nu directeur van de faculteit Theater en Dans van ArtEZ in Arnhem. ‘Ze leerde je om je niet achter je lichaam te verschuilen, ze sprak de actrice in je aan. Ze leerde mij bovendien dat iemand die voor de dans kiest moet nadenken over de vraag hoe de dans zich verder kan ontwikkelen. Al die verschillende stijlen waarmee ze het repertoire in Nederland uitbreidde, van verhalend en theatraal tot puur en abstract. Dat heeft ze ongelooflijk goed gedaan.’