Het is, zover ik weet, een nieuw genre dat altvioliste Esther Apituley en acteur/trompettist Hans Dagelet brengen: een concertperformance, waarin ‘theater, muziek en literatuur schaamteloos door elkaar vloeien’. Volgens de formule ‘plug & play’ (ontleend aan de computerwereld) treden acteur en musici op en brengen snel, bewogen en met grote energie een muzikale voorstelling, bijgestaan door ofwel Guus Janssen (piano/orgel) ofwel Renée Bekkers (accordeon).

De titel In de schemering duidt op het tussengebied waarin we ons nu, door corona, bevinden, een diffuse en verwarrende tijd waarin we nauwelijks kunnen terugblikken hoe het was en evenmin vooruit kunnen kijken. Want de toekomst is onzeker.

Deze concertperformance reist – maar ook dat is soms ongewis – langs verschillende locaties, waaronder Het Stadsparadijs in Haarlem, een voormalige Baptistenkerk aan het Begijnhof die recent een culturele en zakelijke bestemming heeft gekregen. De akoestiek is dankzij de houten vloer en het plafond warm; de locatie is ideaal voor een theatraal evenement als dit. Op het voormalige altaar, waar de kaarsen branden, brengt het drietal In de schemering als een licht absurde show. Altviool en accordeon openen met een andante van Bach, waarmee een serieuze toon lijkt gezet.

Maar dat is buiten acteur Hans Dagelet gerekend. Hij staat enigszins gebogen op het podium, alsof hij iets kleins zoekt. Dat klopt: hij speurt naar pluisjes en stofjes. Ondertussen brengt hij een tekst van Samuel Beckett, het zelden uitgevoerde en daarom razend interessante Worstward Ho (1983), de voorlaatste prozatekst die Beckett publiceerde. Hierin staat de befaamde passage: ‘Try again. Fail Again. Fail better.’ In vertaling: ‘Ooit gefaald. Geeft niet. Weer proberen. Weer falen. Beter falen.’ Vooral die laatste twee zinnen zijn goud waard: ‘Weer falen. Beter falen.’ Het is natuurlijk een merkwaardige aansporing, ‘beter falen’, en toch ligt hierin de kern van het onvermijdelijke falen, dat volgens Beckett ons bestaan tekent.

Dagelet breng de prozatekst op uitbundig-absurde manier met veel gestiek, gebaren, razendsnelle zinswendingen waardoor de zinnen als vanzelf als muziek klinken. Ook brengt Dagelet tekstfragmenten van de Russische absurdistische schrijver Daniil Charms en van Don Duyns, het zijn allemaal teksten die overeenstemmen met het thema dat de voorstelling draagt: in de schemerzone waarin we ons bevinden raken we verdwaald.

Zo laat Dagelet ons weten dat hij droomde dat hij ‘zijn tanden poetste met een kandelaar’ en dat je ‘naar water moet kijken, want water kent geen tijd’.  Heeft Dagelet het over stof, Esther Apituley houdt een prachtige monoloog over de betekenis van haar instrument, de altviool, en hoe ze al spelend een nieuw universum creëert met behulp van dynamiek, tempo, modulatie en hoe zij, met haar spelende hand die de strijkstok vasthoudt, de ‘emoties van het publiek beheerst’. Muziek en een muziekinstrument als redding en troost in deze verwarrende tijden.

Het ‘schaamteloos door elkaar vloeien’ van theater en muziek geeft aan In de schemering een bijna experimentele vorm. Heel mooi is de scène waarin Apituley een tijdje zonder muziek te maken de strijkstok over de snaren beweegt, als in stil spel. Daarna brengen zij en de accordeoniste een prachtige, ingetogen hommage aan Louis Andriessen, waarin zijn minimale muziek geleidelijk steeds expressiever wordt. Aan het slot volgt een gloedvolle Spaanse tango door het drietal met vuur gespeeld: de accordeon van Renée Bekkers zweept het ritme op. Denk dan nog even aan ‘Beter falen’, want dat gebeurt hier niet.

Wat geweldig dat Worstward Ho vertolkt wordt, vooral als je beseft dat dit proza gaat over een spreker die zichzelf oplegt niet meer te spreken – maar niet kan ophouden. Dat leidt tot een dialoog tussen Apituley en Dagelet, die elkaar Eva en Zebedeus noemen: ‘Waarom val je me telkens in de rede?’ Antwoord van Zebedeus: ‘Ik zet op mijn no to do-lijstje dat ik je niet meer in de rede val.’ En daar gaat de spreker weer, worstward. 

Foto: BJ Verkoren