‘Navond’ verwelkomt Peter Van den Eede het publiek, terwijl hij met veel misbaar het plexiglas rond de setting weghaalt – twee camelkleurige, leren fauteuils en een roltafeltje vol waterflessen en Bastognekoekjes van dezelfde zachtbruine tint. Een elegante, ietwat stijve zithoek, vooraan op het toneel. Bang voor coronabesmetting – vandaar de plexi? Hij is dan ook al op hoge leeftijd – in het stuk alleszins. Maar verder steekt ook hij keurig in een strakke, witte trois-pièces met crème schoenen eronder. Complete controle, uiterlijk tenminste. Vanbinnen zit de mot erin.

Dat blijkt overduidelijk als zijn broer opkomt – Willem de Wolf – in een al even gesoigneerd en wit kostuum. Zijn eerste woorden: ‘Nu heb ik zelfs al om mijn teennagels te knippen mijn leesbril nodig. Door dezelfde bril waarmee ik Shakespeare lees zie ik mijn teennagels.’

De elegante pakken (hemden zijn er niet) bedekken de uitgeleefde, kreupele lijven en dito leefwerelden van beide heren. Met dure gedachten van lang vervlogen filosofen verdedigen ze manmoedig de miserie van hun oude dag. Eenzaamheid, aftakeling, ziekte en pijn verdrijven ze met de woorden van Schopenhauer, Montaigne, Pascal en daartussen een  streepje bitterheid van Thomas Bernard. ‘De eindbestemming van het leven is hoedanook de dood.’

Op hun tweewekelijkse afspraak bewieroken ze ondertussen zichzelf en elkaar. Hoewel: hun kritiek sijpelt telkens door hun aardig-doen heen. De ene was ooit evenwichtskunstenaar en hield borden in de lucht, de andere speelde toneel. De eerste stopte aan het toppunt van zijn roem, de tweede na keelpijn en een gebroken been – net iets te laat, merkt de broer op. Peter beroemt zichzelf op ascese, Willem zwelgt in lekker eten en hoge passies. Dat Peter nooit wou trouwen met Neeltje – omdat ze niet goed genoeg voor hem was (slecht Mozart speelde op piano en Voltaire niet begreep) maakte dat ze Willem haar caravan naliet (en de zoete herinnering aan zeer lekker eten).

Van de filosofische stellingnames blijft al snel niet veel meer over. Je kon al raden voor de voorstelling begon dat de acteurs van de Koe ermee aan de haal zouden gaan. Zalig om ze met z’n tweeën aan het werk te zien: een tête à tête waar hun flagrante verschillen – niet alleen in lengte – eens zo fel opvallen. Toch ga je eerst een tijd mee in de kille spinsels – dat je zelf maar eens moet leren het alleen-zijn te omarmen; dat lang leven al bij al toch niet begerenswaardig is, waarom dat snakken naar die social closeness….

Maar dan komen nierstenen het discours doorbreken, en blijkt hun praat vooral een façade voor verdrongen leed. Van de filosofische stellingnames blijft al snel niet veel meer overeind. Hun gezicht blijft in plooi, hun lijf trekt in kromme bochten. Bij de Willem de Wolf breekt het zweet letterlijk uit. Fantastisch hoe de bij uitstek intellectuele theatermaker hier een slapstickregister opentrekt. De hoogdravende teksten trekken krom, samen met zijn lange, verkrampte lijf.  En terwijl je luistert naar de zwaarmoedige tekst, zit je te bulderen je van het lachen.

Het spel zelf is in deze voorstelling de hoogste troef. De titel, De Nijl is in Caïro aangekomen, geeft zijn betekenis niet duidelijk prijs, maar markeert wel dat er iets voorbij is, afgelopen, uitgestroomd. Het stuk werd oorspronkelijk gespeeld met Frank Focketeyn naast Peter Van den Eede. In 1998. De herwerking twintig jaar later, brengt meteen twee écht ouder wordende mannen in beeld. Tussen het grinniken door zinkt daarmee een onverkwikkelijke realiteit in die verder niet getroost wordt. Als de theoretische bouwsels van de wijsgeren ons geen soelaas kunnen bieden, waar kunnen we dan wel nog heen voor aards genoegen?

Achter op het toneel staat iets van de oplossing – of tenminste hùn oplossing: de biljarttafel, en erbij de klank en gloed van knisperend vuur. Ze kunnen dan nog zo goed elke redding afzweren, ook zij verpozen tenslotte in ijl vertier.

Epiloog: de volgende dag verlies ik in een vol bruin café bijna mijn oorapparaatje (nieuw!) bij het uitdoen van mijn mondmasker. Een man aan de andere tafel herkent mijn geknoei meteen en toont mij het zijne: ‘niks dan miserie’ roept hij me toe. Een van de tafelgenoten (sorry, maar ook weer een oudere man) verkondigt iets later met aplomp: ‘De meeste mensen zijn oerdom, daar kun je niet mee discussiëren!’. De realiteit, zonder de slapstick?

Foto: Koen Broos