Dat de arbeidsvoorwaarden voor kunstenaars in Nederland op veel plekken bij lange na niet CAO-conform zijn is genoeglijk bekend. Uitgerekend de rijkst gesubsidieerde kunstinstelling in Nederland maakt het volgens Marijn Lems op dit vlak echter wel heel bont.

Eerder dit jaar werd ik door een bevriend scenograaf gewezen op de Dutch Opera Design Award, het zoveelste voorbeeld van de onderbetaling van jonge kunstenaars door een grote instelling onder het mom van ‘talentontwikkeling’. In dit geval ging het om een ontwerpwedstrijd met een inschrijvingscontributie van 50 euro waarbij het winnende team decor en kostuums voor een double bill van twee opera’s mag verzorgen – tegen betaling van ongeveer de helft van wat de CAO voorschrijft. Het was niet de eerste keer dat de Nationale Opera & Ballet (NO&B) zich schuldig maakte aan dit soort dubieuze praktijken – niet alleen is dit al de tweede Opera Design Award, ook schreef de organisatie in 2016 deze veelomvattende stageopdracht uit. Zoals mijn collega Henri Drost toen al schreef: het zou een gezelschap dat jaarlijks voor meer dan 43 miljoen euro aan overheidssubsidie ontvangt sieren om zelfs maar de schijn van uitbuiting te vermijden.

En er zijn meer voorbeelden. Uit gesprekken met verschillende medewerkers van de organisatie en documenten die ik heb ingezien blijkt dat de arbeidsvoorwaarden die gelden voor figuranten bij de producties van de NO&B eveneens op zijn minst armzalig te noemen zijn. De performer moet gedurende de hele repetitieperiode (zo’n 6 weken, van maandag tot en met zaterdag) op afroep beschikbaar zijn; de NO&B streeft ernaar dat je minstens 24 uur van tevoren weet of je moet komen opdagen of niet, maar slaagt daar niet altijd in. Als je niet wordt opgeroepen (of zelfs als de repetitie last minute wordt afgezegd) word je ook niet betaald (wel garandeert de NO&B een minimum van twaalf repetities van drie uur tijdens een productie). Tegenover deze hoge beschikbaarheidseisen stelt de NO&B zeer lage vergoedingen: voor een repetitie tot en met 3 uur krijg je 32,50 bruto en voor ieder uur daarna 10,83. Voor voorstellingen en generale repetities die tot en met 4,5 uur duren (van binnenkomst tot het vallen van het doek – afschminken en omkleden moet buiten de werktijd gebeuren) krijg je een vergoeding van 65 euro; bij overschrijding van die 4,5 uur wordt er 20 euro extra uitbetaald.

Er zijn toeslagen: bijvoorbeeld een ‘bewegingstoeslag’ van 20 euro, een halfnaakttoeslag van 45 euro en een naakttoeslag van 90 euro (wat tot het ongemakkelijke besef leidt dat je al je kleren uit moet trekken om bij de NO&B fatsoenlijk betaald te krijgen – over een perverse prikkel gesproken). De terughoudendheid waarmee de leidinggevenden deze toeslagen toekent leidt op regelmatige basis tot onenigheid over de definitie van naakt en halfnaakt, maar ook over wat ‘dans’ precies is. Dansers opereren binnen de NO&B namelijk onder gunstigere arbeidsvoorwaarden dan figuranten, terwijl die laatste groep ook vaak choreografieën wordt aangeleerd. De semantische bochten waarin leidinggevenden zich wringen om figuranten niet beter te hoeven betalen zijn soms van een Orwelliaanse souplesse: zo schreef de afdeling regie in een e-mail aan de figuranten ‘dat jullie optreden […] momenten van beweging bevat, met een zekere choreografie, wat in geen geval kan worden gezien als dans’.

Toen eerder dit jaar bleek dat enkele secundaire voorwaarden zonder aankondiging werden geschrapt of teruggeschroefd (figuranten kregen onder andere niet langer een extra vergoeding voor DVD-opnames, en de dinervergoeding werd vervangen door vouchers die in eigen huis moesten worden besteed), en de figuranten bij navraag te horen kregen dat ze dat maar te slikken hadden, was de maat vol. Een delegatie van de figuranten, gesteund door de Ondernemingsraad van de organisatie, voerde op 19 april jl. een gesprek met algemeen directeur Els van der Plas en hoofd P&O Mark Straub, waarin de figuranten met een aantal verbeteringsvoorstellen kwamen.

Op 5 september kwam er pas per brief een reactie. Van der Plas (die gezamenlijk met haar collega-directieleden Pierre Audi en Ted Brandsen voor bijna een half miljoen euro per jaar op de loonlijst van de NO&B staat) laat hierin optekenen dat ‘het van belang [is] te realiseren dat figureren op freelance basis geschiedt en dat daarmee de figuranten niet onder de CAO of andere reglementen vallen en daarom dus niet door de OR kunnen worden vertegenwoordigd’. Desalniettemin zal er ‘gedurende dit seizoen 2017/2018 door de directie van DNO een nieuwe manier van contracteren worden geïmplementeerd voor de dansers/figuranten. Deze nieuwe manier zal meer financiële zekerheid geven en zal beter aansluiten bij de verschillende omstandigheden van jouw optreden […]. DNO zal deze nieuwe manier van contracteren na een aantal producties evalueren en jou daarover informeren.’

In een reactie op mijn vragen stelt de NO&B centraal dat ‘figuratie niet [is] bedoeld als vaste baan’, dat er ‘van de figuranten geen vooropleiding of specifieke scholing [wordt] gevraagd’ en dat ‘bij figuratiewerk in Nederland regelmatig alleen een onkostenvergoeding [wordt] betaald’. Het probleem met die positie is dat de eisen die aan de figuranten worden gesteld ver voorbij gaan aan wat je van een veredelde vrijwilliger zou mogen verwachten, en dat zo, net als bij de stage- en talentontwikkelingsopdrachten aan het begin van dit artikel, echte arbeid niet naar rato wordt betaald.

Het is mij eerlijk gezegd een raadsel waarom het de rijkst gesubsidieerde podiumkunstinstelling van Nederland, met een jaaromzet van zo’n 64,5 miljoen euro, zo ontzettend veel tijd en moeite kost om hun meest kwetsbare en onderbetaalde medewerkers een beetje tegemoet te komen. Nu in de overwegingen van de Raad voor Cultuur goed werkgeverschap eindelijk een belangrijk agendapunt gaat worden lijkt het me niet meer dan logisch dat de NO&B er alles aan doet om een lichtend voorbeeld voor de rest van de sector te worden. 

Correctie: in de oorspronkelijke versie van dit artikel stond vermeld dat figuranten een vergoeding van 65 euro krijgen bij voorstellingen en repetities die maximaal 4,5 uur duren van aankomst tot vertrek. Uit interne communicatie die ik sindsdien heb ingezien bleek echter dat in de praktijk van aankomst tot ‘einde productie’ wordt gerekend, dus tot het vallen van het doek. Na navraag bij NO&B heeft de organisatie haar oorspronkelijke bewering hieromtrent aangepast.

Foto Chovansjtsjina – Nationale Opera & Ballet: Monika Ritterhaus