De voorstelling Spiegel wordt even opgehouden door een moeder die net voor het begin met haar zoon naar de wc moet. En zelfs wanneer Hannegijs Jonker en Philipp Cahrpit hun performance kunnen inzetten, hebben sommige andere kinderen daar geen boodschap aan. Ze staan met hun rug naar het podium, en zijn vooral, tamelijk luidruchtig, met elkaar bezig. 

Niet vertrouwd met theater voor de allerkleinsten – dit is mijn eerste stuk voor Theaterkrant over theater dat niet primair voor volwassenen is gemaakt – voel ik met de performers mee. Vervelend, hoor ik mezelf denken, dat ze niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Even vergeet ik dat dit rommelige begin all in the game is voor Jonker en Cahrpit, verenigd in Club Wauw. Spiegel is niet ontstaan in de comfort zone van een eigen studio. Het is het resultaat van twee jaar onderzoek op scholen en in kinderdagverblijven, waar zij uitzochten wat wel en niet werkt in de dialoog tussen makers en kinderen vanaf twee jaar oud. 

Het duurt niet lang voordat deze lange voorbereiding effect sorteert. Jonker en Cahrpit spelen vanuit een simpel decor – een soort kamerscherm met een opening in het midden, dat hen in staat stelt voortdurend te verdwijnen en weer op te duiken. Zij komen tevoorschijn met ieder een spiegel in hun handen. Eerst bekijken zij zichzelf, dan draaien zij de spiegels naar de kinderen in de zaal. Die zijn meteen bij de les, als zij zichzelf en elkaar in de spiegels kunnen zien. 

Jonker en Cahrpit ontvouwen een spel met ons lichaam, hoe wij dat beleven en hoe wij daarnaar kijken. Zij maken danspasjes, reageren op elkaar en trommelen op hun buiken. Gaande de voorstelling, die veertig minuten duurt, verrijken zij hun spel met voorwerpen: abstracte vormen in pluche die aan knuffels doen denken, een reuzevoet en reuzehand, en een lange arm met zo’n reuzehand eraan. 

Dan komt Jonker op, met haar T-shirt volgepropt met die knuffels. Ze vallen er van onderen uit, en nu betreden de eerste kinderen het podium om ze op te rapen, en er zelf mee aan de gang te gaan. Zo eindigt Spiegel ook: met kinderen op het podium, spelend met die pluche objecten, en met de twee acteurs. De enige ondersteuning komt van een lichtplan en een minimale soundtrack, die soms tekenen van muziek vertoont. Taal speelt nauwelijks een rol – een aanzienlijk deel van hun publiek kan nog nauwelijks lopen, laat staan praten. Jonker en Cahrpit roepen alleen af en toe ‘hallo!’ tegen elkaar, en tot de kinderen. 

Spiegel was maandag 10 april twee keer te zien tijdens de openingsdag in de Haarlemse Schuur van 2turvenhoog, een festival dat sinds 2009 onder de artistieke leiding staat van Ingrid Wolff, van origine muziekproducent. Wolff raakte begeesterd door theater voor de kleinste kinderen toen zij in 2002 Fako Kluiving leerde kennen, een pionier in het genre. Kluiving had een probleem, zo vertelde zij in een interview in Theaterkrant Magazine in 2021: ‘Er was weinig inhoud, nauwelijks werk om te ensceneren.’ 

Eenentwintig jaar later speelt dat probleem nog steeds. Om meer werk voor de allerkleinsten te genereren, bedacht Wolff onderzoekstrajecten, Jong Beginnen en De Proeftuin, die makers in staat stellen hun ideeën uit te proberen op scholen en kinderdagverblijven, samen met de kinderen, hun ouders, onderwijzers en crèche-medewerkers. Spiegel is daar een product van. 

Maar het blijft een taai gevecht. Kleine kinderen zijn ook fysiek klein. Dat vraagt om een intieme setting met hooguit vijftig man publiek, inclusief de ouders, die schouwburgen vaak niet kunnen of willen bieden – zij moeten zoveel mogelijk stoelen verkopen. Bij de voorstellingen van 2turvenhoog bestaan de eerste rijen vaak uit kussentjes op de grond, met alleen daarachter een kleine tribune of een rij stoelen. En zij spelen overdag, vanaf 10.00 uur ’s ochtends: kleine kinderen doen vaak nog een middagdutje, en moeten ’s avonds vroeg naar bed. Dat betekent vanaf 7.00 uur ’s ochtends opbouwen, en licht en geluid testen. Theatertechnici zijn dat niet gewend. 

Wolffs festival past ook niet in de traditionele subsidiestructuren. Pas sinds 2021 krijgt zij structurele subsidie van het Fonds Podiumkunsten. In Haarlem, al sinds het begin een vaste locatie, mag zij de Schuur en de Philharmonie gratis gebruiken, maar krijgt zij geen steun van de gemeente. In Almere, de tweede vaste locatie, ontvangt zij wel subsidie van de gemeente en de provincie Flevoland. Haar ontwikkeltrajecten, De Proeftuin en Jong Beginnen, kan zij financieren uit potjes voor kunsteducatie, omdat er scholen bij betrokken zijn. 

Des te bewonderenswaardiger is het rijke aanbod op 2turvenhoog, en de mate waarin Wolff publiek weet te bereiken dat nog zelden of nooit met theater in aanraking is geweest. De editie 2023, die zeven dagen omvat, bestaat uit 125 voorstellingen van 22 groepen uit binnen- en buitenland, die bij elkaar een publiek trekken van ongeveer zevenduizend mensen. De eerste maandag in Haarlem en de twee slotdagen in Almere presenteren vrije voorstellingen voor families. 

De vier dagen er tussenin trekken 2.600 kinderen en hun ouders, georganiseerd vanuit de kinderopvang, en zeshonderd leerlingen uit basisschoolgroepen 1 en 2. Tijdens die vier dagen komen ook professionals kijken, zoals programmeurs, makers en mensen uit het onderwijs. De band met scholen en kinderdagverblijven garandeert een bereik buiten de mensen die al met theater vertrouwd zijn. Wolff versterkt dat verder met haar ontwikkeltrajecten, die ook buiten het festival het hele jaar voortduren, en door de wijken in te gaan. In Almere staat 2turvenhoog, behalve in de Kunstlinie, ook op het Arnhemplein in Almere-Stedenwijk, in Goede Rede in Almere-Haven, en in de Nieuwe Bibliotheek op het Stadhuisplein. 

‘Kleine kinderen zijn het meest contemporaine publiek dat er bestaat’, vertelt Wolff. ‘Zij zijn altijd in het moment, want zij hebben nog geen geestelijke bagage. Ouders en andere begeleiders zijn de mediators om de kinderen naar mijn voorstellingen te krijgen, maar eenmaal daar zijn de kinderen de mediators tussen hun ouders en de makers, voor het theater.’ In Haarlem is dat goed te zien. Als de kids zich onbekommerd op het podium begeven, halen de ouders hen daar vaak weer weg, terwijl de makers dat prima kunnen hebben. 

Sommige voorstellingen, zoals Spiegel van Hannegijs Jonker en Philipp Cahrpit, moedigen kinderen kennelijk aan tot zulke interventies. Bij andere, zoals UP! van de Fransman Kristof Hiriart, zitten zij vooral zoet te kijken en te luisteren. Hiriart praat in een betekenisloze brabbeltaal, waarin af en toe een herkenbaar Frans woord opduikt. Al brabbelend is hij in een cirkel vol objecten met steentjes in de weer, tokkelt hij op een mini-harpje en ontlokt hij fraaie klanken aan kommetjes water. Hiriarts gegoochel met zijn stem en eenvoudige instrumenten verraadt een diep geworteld vakmanschap, waarmee hij de kinderen een luttel half uur lang weet te betoveren. 

Net zo het Belgische familiebedrijf Theater De Spiegel met Loopneus, losjes gebaseerd op de opera De Neus van Dimitri Sjostakovitsj, op zijn beurt geïnspireerd door het gelijknamige korte verhaal van Nikolaj Gogol. Met een reusachtige neus, kunstig gevouwen uit een dikke kunststof deken, parodiëren de spelers de eeuwige loopneuzen van kleine kinderen, begeleid met muziek en prachtige zang, voornamelijk uit het repertoire van de grote 17de-eeuwse Britse componist Henry Purcell. De kinderen, nog niet gehinderd door al te lange tenen, vinden het prachtig. 

Glimp haalt ze dan juist weer het podium op. Tony Overwater, een gerenommeerde jazzmusicus en een oude bekende van Wolff uit haar verleden als muziekproducent, bespeelt de violone, een soort contrabas, Rob Kloet, de drummer van de Nits, zijn drumstel. Lotte van Dijck tekende beelden die reageren op hun muziek, en andersom. De kinderen in de zaal reageren van meet af aan ook, met groot enthousiasme, en stromen tegen het einde massaal het speelvlak op om mee te doen. 

Wolff heeft 2turvenhoog uitgebouwd van een festival tot wat zij ‘een platform’ noemt, mede door haar onderzoeks- en ontwikkeltrajecten. Een platform dat de kleinste kinderen, en hun ouders, onderwijzers en crèche-verzorgers, in contact brengt met kunst, en dat makers leert werken voor een publiek dat geheel eigen eisen stelt. In de loop der jaren heeft zij makers leren selecteren die het publiek van de allerkleinste kinderen serieus nemen, die het als een uitdaging zien om voor hen werk te leren maken. ‘Soms doen ze het in hun broek voor die peuters, omdat ze zo onvoorspelbaar zijn in hun reacties, en omdat ze zo dichtbij komen. Dat vind ik mooi, dan wil ik graag helpen.’ 

Foto: Moon Saris – Spiegel van Hannegijs Jonker en Philipp Cahrpit