Een vrouw in een koeienpak die met een plastic boodschappentas het marktplein oversteekt; een groep zwaar opgemaakte etalagepoppen die traag en tranend tot leven komt achter een winkelruit. Dans in de publieke ruimte, tussen het woon-werkverkeer of het winkelend publiek, het onderbreekt de routine. Temidden van alle bedrijvigheid en doelmatigheid stuit je op een spelend lichaam. Blijf je staan of loop je door?

Theatermaker onderzoekt het hoe en waarom van dans in de publieke ruimte in een gesprek met makers Anja Reinhardt en Yuri Bongers van Vloeistof Dans, choreograaf Katja Heitmann en componist Sander van der Schaaf, Heleen Volman, artistiek leider van Dansbrabant, artistiek adviseur Ulrika Kinn-Svensson van de Fontys Dansacademie, en dramaturg en teamlid van de dit jaar gestarte interdisciplinaire Master Performing Public Space aan de FHK, Anne-Marije van den Bersselaar. Incidenteel of vast, allemaal hebben ze hun bijdrage geleverd aan het jaarlijkse project met dans in de publieke ruimte in Tilburg, Making Space, waarin choreografen met groepen studenten op straat werk maken en tonen. Het project begon meer dan tien jaar geleden als DansGuerrilla. De afgelopen jaren is het accent verschoven van ontregelen naar aandacht vragen voor de mens en zijn omgeving en bewegen als ontmoeting.

Kwetsbaar zijn

Wanneer dans in een theaterzaal wordt getoond is er de veiligheid van een aantal conventies: het publiek komt op een vastgesteld tijdstip naar de afgesproken plaats, koopt een kaartje en gaat zitten. In het licht, op de vloer bewegen de dansers. Waarom zou je als dansmaker die codes achter je laten? Is dat niet ontzettend kwetsbaar?

Yuri Bongers: ‘Als je het over kwetsbaarheid hebt, daar zitten veel verschillende aspecten aan. Het is die danser midden op straat, ja. Maar als je een voorstelling maakt en je wil dat het publiek even helemaal daarop inzoomt – dat streven is op zich al heel kwetsbaar. In die publieke ruimte kan altijd van alles gebeuren, ik bedoel, stel je bent op straat je voorstelling aan het spelen en er valt iemand uit een raam, dan is op dat moment alle aandacht natuurlijk daar. Dus je hebt voortdurend concurrentie en daarmee moet je in een stuk en in je maakproces rekening houden. Je moet je kunnen aanpassen aan wat er gebeurt.’

Ulrika Kinn-Svensson: ‘Ik herinner me toen jullie de eerste keer met onze studenten kwamen werken, dat jullie toen begonnen met de veiligheid. Hoe je als performer in de openbare ruimte je veiligheid waarborgt, wat de regels zijn, hoe je je gedraagt. En toen realiseerde ik me ook pas hoe kwetsbaar je dan dus bent. Ik had daar eigenlijk nooit zo bij stilgestaan, maar dat was echt jullie eerste les.’

Anja Reinhardt: ‘Ja, wij hebben afspraken. Het is heel belangrijk dat je dansers duidelijk weten hoe je met mogelijke scenario’s omgaat, daar trainen we op, en daardoor maak je jezelf weerbaarder in de omgeving waar je je kunst maakt.’

Yuri Bongers: ‘Je gebruikt ook de codes die er zijn, bijvoorbeeld: mag je op een kruispunt dansen, met verkeer dat oversteekt? Je leidt af. Maar uiteindelijk zijn verkeersdeelnemers ook verantwoordelijk en moet een fietser altijd goed kijken of er geen voetganger loopt. En natuurlijk gaan wij geen gevaar uitlokken, maar we gebruiken de codes van de ruimte en maken keuzes die ertoe leiden dat er niet gauw iets gebeurt. Of je wil dat en maakt het juist onderdeel van je voorstelling. We willen reflecteren op het gedrag in die ruimte.’

Katja Heitmann: Het werken met de kinderen in Siri Loves Me was wel de meest kwetsbare zet die wij tot nu toe hebben gedaan, want die kinderen zijn nog jong en niet professioneel, dus hoever kun je met ze gaan? Maar we hebben gekozen voor de massa, waarmee ze impact hebben. Ik zou ze niet alleen of met z’n drieën daar neerzetten.’

Sander van der Schaaf: ‘Zodra het een realiteit wordt die wij creëren, zijn ze niet meer kwetsbaar. Daarvoor waren ze dat wel, toen het nog niet af was en we buiten aan het repeteren waren.’

Katja Heitmann: ‘Toen we nog geen kostuums hadden. Ze waren wel met dertig kinderen, dus het was eigenlijk helder, maar mensen op straat moeten dan altijd nog een drempel over, ze vragen zich af waar ze nu precies naar kijken. Maar ik vind het niet interessant als de kijker zich dat blijft afvragen, want dan kom ik niet bij wat ik eigenlijk wil zeggen. Dus daarom hebben we ze heel duidelijk gecodeerd in hun uiterlijk en het geluid. Want ik wil dat je respecteert wat zij aan het doen zijn.’

Sander van der Schaaf: ‘We hebben ze wel iets kwetsbaars meegegeven, maar ze wisten heel goed wat ze deden.’

Een andere vorm van dans

Katja Heitmann: ‘Ik denk dat je het werken in de publieke ruimte niet eens met werken in een theaterzaal moet vergelijken. Dat je niet moet beginnen met het naar buiten vertalen van codes die in de zaal werken. Want daarvan wordt het heel kwetsbaar en kan het heel erg misgaan. Je krijgt dan buiten niet wat je verwacht en ik heb wel gemerkt dat alles wat binnen werkt, buiten niet werkt.

‘Ik denk dat je ook vooral vanaf het begin buiten moet werken, niet ergens binnen beginnen. Want dan zie je wat wel of niet werkt. Ik merkte dat een tegendynamiek voor mij heel goed was: niet meegaan in die dynamiek van de straat waarin heel veel gebeurt. Mensen letten meer op als we vertraagden, dan als ik de kinderen veel liet rennen, bijvoorbeeld.’

Anja Reinhardt: ’Jij wilt je publiek graag laten focussen op wat je maakt. Bij ons is het juist die wisselwerking, met de ruimte, en voornamelijk met de beweging van de gebruikers daarin, die we het belangrijkst vinden. Dans wordt dan meer het framen daarvan. Dat is een andere aanpak.’

Yuri Bongers: ‘Wat wij vaak maken is een verborgen voorstelling, die gaat over de publieke ruimte. Dan willen we juist niet dat die ruimte voor passanten een performanceruimte wordt waarbij zij zich gaan gedragen als een publiek. Bij Jukebox City zat een klein publiek in een bus, met muziek aan, de dansers waren te zien op straat en de voorbijgangers, voor zover ze het opmerkten, werden verrast.’

Ulrika Kinn-Svensson: ‘Het is voor studenten in het algemeen echt een drempel om voor het eerst buiten te performen. Maar dansers die meer vanuit de urban hoek komen, kunnen vaak heel goed omgaan met publiek of mensen die heel dichtbij komen, die voelen zich buiten snel helemaal thuis. Dat is mij opgevallen, dat vind ik mooi. Ik weet nog dat ik het zelf als student ook intimiderend vond. Ik was altijd heel verlegen, teruggetrokken, en als je dan op straat moet dansen dan verlies je al die lagen om je achter te verschuilen. Maar nu vind ik dat juist heel mooi voor de studenten, zo komen ze dichterbij zichzelf en moeten ze het doen zonder die lagen. Ook omdat ze vaak al met een onderzoek naar buiten gaan of om iets uit te proberen. En ze nemen die houding weer mee naar het podium, dus het verrijkt ze echt als dansers.’

Heleen Volman: ‘Een choreografie in de openbare ruimte kan verschillende soorten focus hebben: op de omgeving, op de architectuur, op de inrichting van een straat of op de mensen, het contact. Het kan starten vanuit een thematiek waarin de maker sowieso al geïnteresseerd is, of het kan starten met die openbare ruimte als inspiratiebron. Choreografiestudenten worstelen daar vaak mee, dat ze zo’n strak plan in het hoofd hebben, dat ze de omgeving niet kunnen zien als inspiratiebron, maar als plek waar ze hun ding komen doen. Het is belangrijk ze bewust te maken van die verschillende mogelijke invalshoeken.’

Ulrika Kinn-Svensson: ‘Als opleiding moet je zulke bredere contexten bieden zodat je studenten beter kunnen nadenken over wie ze zijn. Zo’n rijk perspectief is heel belangrijk. Het leert hen kijken naar hun eigen rol en verantwoordelijkheid te nemen als kunstenaar.’

Anne-Marije van den Bersselaar: ‘Ja, binnen het onderwijs aan Fontys hechten we er belang aan om kunst ook in andere contexten te plaatsen dan alleen het theater. Bij de Master Performing Public Space werken we met een interdisciplinaire groep; we hebben er veertien dit jaar, voor een groot deel met een achtergrond in dans of straattheater. Maar we hebben bijvoorbeeld ook een fotograaf, een beeldend kunstenaar en een filosoof. Wat ze delen is dat ze hun kunstpraktijk in de publieke ruimte willen zetten. Dus de vraag hoe doe je dat, en hoe kwetsbaar is dat, die is ook hier relevant. We werken onderzoeksgericht, niet projectgericht, maar het is verrassend wat het oplevert.

‘We hebben nu bijvoorbeeld een Iraanse studente die in haar eigen land heel veel niet mag, maar we zien wel dat zij ontzettend gefocust is op het vinden van plekken waar ze wel kan doen wat ze wil. Het is dus niet zo dat ze zich laat beperken – want ze is een van de ‘gekste’ studenten die we erbij hebben.

‘We hadden ook een aanmelding vanuit Singapore, met echt een idealistische, politieke insteek. Zij zag voor zichzelf een rol in het vooruitbrengen van haar land, waar je pas sinds twee jaar iets mag doen in de openbare ruimte. Dat is tekenend voor de aanmeldingen en het verklaart waarom veel deelnemers van buiten de EU komen. Uit landen waar de vrijheid van de publieke ruimte niet vaststaat. Hun onderzoek richt zich op het bevechten van het publieke tegenover het privatiseren van onze gemeenschappelijke ruimte, of het herdefiniëren van stedelijke ruimtes op een andere manier dan alleen om te consumeren. Er zijn zoveel verschillende ideeën over hoe je werkt en hoe je je kunt verhouden tot je werk, die omgeving en je publiek.’

Heleen Volman: ‘De vraag is ook waar speel je, kies je een wijk die je bij voorbaat zal omarmen? Kies je een wijk die al een ziel heeft of ga je erheen om die te brengen?’

Wat het brengt

Heleen Volman: ‘We hadden het al over het contrast dat dans in de publieke ruimte brengt ten opzichte van commercie, controle, efficiëntie en haast, maar of dát het is wat de dans brengt, hangt ook af van het soort plek in de openbare ruimte. In het centrum van een stad is dat zo. Maar in een woonwijk zoals waar wij afgelopen jaar werkten met Making Space, brengt het weer wat anders: tijdsbesef, het ritme van een dag, nieuwsgierigheid, verrassing, ontmoeting. Daar waren we ook een aantal dagen achter elkaar.

Ulrika Kinn-Svensson: ‘Daar was de meerwaarde heel sterk de relatie met de mensen. De mensen die daar iedere dag op dezelfde tijd langskomen. Ik kan me voorstellen dat jullie die dagelijks die ontmoetingen hadden, een relatie opbouwden met hen. En in het theater word je nooit vijf dagen achter elkaar geprogrammeerd en dan heb je dat niet, je gaat wel na afloop naar de bar maar dan is er veel meer afstand.’

Anja Reinhardt: ‘Wat mij opviel is de impact die je kunt hebben dankzij de herhaling. Ook omdat we in een wijk stonden waar zoiets niet zo vaak gebeurt, dat was fascinerend. We hebben ook weleens in best heftige straten gespeeld waar bijvoorbeeld veel drugsverslaafden liepen, en op een gegeven moment gebeurt er iets in het contact met de mensen. Ze gaan ook met elkaar in gesprek over wat ze zien.’

Heleen Volman: ‘Dat is ook het streven wat we hebben geformuleerd voor Making Space, dat we op zoek zijn naar een herdefiniëring van de publieke ruimte in termen van menselijkheid.’

Sander van der Schaaf: ‘Wat ik het leukste vind aan wat je voor elkaar kunt krijgen met buiten werken, is dat het kunstwerk zijn eigen publiek selecteert, in plaats van dat je in een theater bent waar mensen een kaartje kopen. Die zitten daar wel maar die kunnen ook best na een halfuur afhaken.’

Katja Heitmann: ‘Je krijgt eigenlijk je ideale doelgroep. Want die mensen die aanhaken, die blijven. Omdat je ook weg kan, je valt er niemand mee lastig als je wegloopt. Je kunt veel mensen bereiken en binnen die hoeveelheid volgt automatisch een selectie van mensen die aanhaken, die er vandaag voor openstaan. Buiten wordt duidelijk dat dat hele doelgroep-denken gewoon niet klopt.’

Anja Reinhardt: ‘Dat ben ik helemaal met je eens!’

Katja Heitmann: ‘Je bereikt meer verschillende soorten mensen. Je ziet wie er voor het werk staan en dat kan dan iemands oma zijn en een dakloze en een festivalbezoeker met een programmaboekje in de hand die mij vraagt wat het betekent. Maar dat kan hij misschien dan beter aan die oma of die dakloze vragen want soms zegt zo iemand iets wat precies raak is. “Ze lijken zo eenzaam als ik ze zo zie” en dan denk ik ja, dat is het.’

Foto: William van der Voort