Jorieke Abbing: ‘Ik zou eindelijk eens een kinderboek willen schrijven’


27 november 2018

BETERE PRAKTIJKEN

In de theatersector verkeren velen in een bijzonder zwakke arbeidsmarktpositie en de mate van uitholling is groot. Theaterkrant voert een serie gesprekken over de (artistieke) gevolgen van ‘unfaire’ praktijken. Daarbij kijken we vooruit naar wat een gezonder werkklimaat allemaal zou kunnen opleveren. Deze week toneelschrijver Jorieke Abbing.

Wat zou je als eerste veranderen aan jouw werkpraktijk als je inkomen er op vooruitging?
Dan zou ik de tijd hebben om iets te doen waar ik al heel lang van droom: dan zou ik eindelijk eens werk kunnen maken van het schrijven van een kinderboek. Want daar heb je tijd voor nodig, en ruimte in je hoofd, maar ook vakgenoten om je heen met wie je erover kunt praten en die met je meelezen. Dat zou ik dan moeten organiseren, maar tot nu toe vond ik de tijd niet. Ik heb al een uitgever van Querido die geïnteresseerd is, maar telkens ben ik toch weer druk met een theatertekst en kan ik de tijd niet vinden om te schrijven aan proza.

Jeugdliteratuur is wel verwant aan schrijven voor theater, maar het is een vorm die weer heel andere kwaliteiten vraagt. Theater is veel subtekst, daarin ben je heel sterk bezig met wat er tussen de zinnen gevoeld wordt door de personages. Terwijl je in een theatertekst juist weer minder aan beschrijving doet, bijvoorbeeld. Dat zou ik heel graag leren. Ik had er eigenlijk nog wel een studie bij willen doen, Nederlands of Journalistiek. Niet iets heel anders, maar iets in het verlengde van mijn eigen vak. Iets om op terug te vallen ook, dat ik bijvoorbeeld les zou kunnen geven. En dan daarnaast kinderboeken schrijven. Met schrijven voor theater ben ik nog niet klaar, dat geef ik echt niet op voorlopig. Maar als ik zo terugkijk denk ik weleens: had ik er maar een studie achteraan geplakt.

Schrijven en lesgeven, zou het te combineren zijn?
Veel mensen om me heen hebben een baan met een vast inkomen en zoiets is natuurlijk wel prettig. Niet alleen vanwege het geld, ook voor de rust. Maar stel dat ik zou lesgeven en dat loopt eenmaal, dan zou het misschien te combineren zijn met het schrijven. Veel goede kinderboekenschrijvers zijn ook leraar geweest en dat contact met kinderen of jongeren vind ik heel verrijkend.

Maar ik ben nu nog zoveel met schrijven voor theater bezig…. Daar komt veel bij kijken, ook eromheen, qua subsidieaanvragen enzo. Ik heb drie jaar lang het schrijven en een baan gecombineerd, toen werkte ik drie dagen per week bij Theaterfestival Boulevard. Ik dacht: dan heb ik op een leuke manier, met leuke mensen om me heen een vast inkomen, en op de andere dagen schrijf ik. Maar het zat mijn schrijven uiteindelijk toch in de weg. Zo’n baan vraagt ook je volle aandacht, een festival organiseren is echt veel meer werk dan drie dagen in de week, zeker naarmate het dichterbij komt. Dus zat ik door de week in Den Bosch en in het weekend te schrijven. Elke dag aan het werk, die situatie kon niet eeuwig duren. Uiteindelijk schreef ik bijna niet meer.

Werken in het theater vraagt veel van je, er staat veel druk op. Persoonlijk, en qua tijd en financiën. Schrijven is een heel eng beroep want je haalt een verhaal helemaal uit jezelf en dan presenteer je het aan de wereld – dat maakt je kwetsbaar. Inmiddels kennen mensen mijn naam en word ik gelukkig gevraagd, maar toch moet je als freelancer altijd laten zien dat je er nog bent. Combineren met iets anders is lastig.

Wat heb je nodig om zoiets wel voor elkaar te krijgen?
Nu ik net een première achter de rug heb, is er weer ruimte en tijd. Ik wil beginnen aan de eerste versie van mijn boek. En vervolgens ga ik vakgenoten en vrienden vragen om mee te lezen. Een fijn schrijvershuisje ergens en dan maar beginnen. Ik merk wel dat ik concreter en sneller werk sinds ik een kind heb. Ik weet: nu heb ik even tijd en straks is hij weer wakker en wil ik er voor hem zijn. Dus ik draai er minder omheen. Ik ben veel minder aan het uitproberen, ik ga zitten en begin. En dat is goed voor mij, want ik ben van nature een twijfelaar.

Foto: Maarten Steenvoort