Het postkoloniale discours heeft inmiddels het grootste deel van de Europese theaters bereikt. De vraag bij de grote, nationale gezelschappen is dan ook overal: hoe worden wij inclusiever? En belangrijker: wiens verhalen worden nu eigenlijk wel en niet verteld? Op de International Theatre Conference 2019, dat afgelopen week plaatsvond in de Stadsschouwburg Amsterdam, bleek dat er in Nederland nog een hoop te verbeteren valt.

De International Theatre Conference wordt dit jaar gehost door het Amsterdamse jeugdtheatergezelschap De Toneelmakerij, met ondersteuning van ITA en de Gemeente Amsterdam. Verschillende theaterprofessionals uit meer dan veertig Europese landen, ieder gelieerd aan het European Theatre Convention (ETC), kwamen in de hoofdstad samen om te bespreken wiens verhalen nu precies in het Europees theater verteld en gehoord worden. Met de groeiende spanningen tussen verschillende bevolkingsgroepen doorheen heel Europa en het groeiende sociaal-maatschappelijk besef van hoe de historische machtsverhoudingen nog altijd doorwerken lijkt dit onderwerp bijna noodzakelijker dan ooit.

Het vrijdagochtendprogramma ving aan met vier keynotes rondom de vraag ‘Whose stories are we telling?’ van Tiago Rodrigues (artistiek leider Teatro Nacional D. Maria II, Portugal), Emma Durden (regisseur Twist Theatre Development Projects, Zuid-Afrika), Bassam Ghazi (regisseur en ‘theaterpedagoog’ Schauspielhaus Köln, Duitsland) en Tana Štivičić (freelance theaterauteur, Kroatië/VK), gemodereerd door Paulien Geerlings (dramaturg De Toneelmakerij). De strekking van de keynotes was redelijk uniform: stuk voor stuk deelden de sprekers de wijze waarop zij binnen hun praktijk de inclusiviteit bevorderen.

In Lissabon lijkt het een goede kant op te gaan. Rodrigues, sinds 2015 artistiek leider van het nationale theatergezelschap in de Portugese hoofdstad, vertelde dat hij bij zijn aantreden vrij snel aan een toegankelijkheidsoffensief begon. Dankzij Rodrigues biedt het theater tegenwoordig audio- en videodescripties voor slechtzienden en -horenden, is het theatergebouw volledig rolstoeltoegankelijk en zijn er regelmatig prikkelarme voorstellingen.

Ook inhoudelijk en artistiek gooide Rodrigues het roer flink om. Naar aanleiding van een anekdote over de Portugese acteurslegende José Mario Branco, deelde Rodrigues dat hij worstelde met de vraag of hij wel voor ‘the whole of humanity‘ theater maakte. Hij besloot meer ruimte te maken voor Portugese makers van kleur met hun roots in de voormalige koloniën. Teatro Nacional D. Maria II is zo onder zijn leiding een ‘aesthetically diverse laboratory with space for confronting ideas‘.

Emma Durden excuseert zich bij haar opkomst. ‘Mensen verwachten niet dat je wit bent als ze iemand uit Zuid-Afrika vragen om te spreken.’ De financiële situatie in het Zuid-Afrikaanse kunstenbestel is door haar landsgeschiedenis precies het tegenovergestelde van de norm in Europa. Bij ons is het leeuwendeel van het subsidiegeld in handen van de witte meerderheid, in Zuid-Afrika van de witte minderheid. Het geld gaat vrijwel uitsluitend naar witte gezelschappen en makers, die slechts 9 procent van de Zuid-Afrikaanse bevolking vormen. Het bereiken van een diverser publiek vereist zodoende een andere aanpak. Hoe overbrug je een cultuur waarvan storytelling een inherent onderdeel is met de traditionele theaters als baken van de witte cultuur?

In het door criminaliteit geplaagde Durban, waar Durden werkzaam is, heeft Durden met Twist Theatre Development Projects het theater letterlijk naar de mensen gebracht. Ze openen ieder seizoen met het Fresha Festival, waarbij er gratis openluchtperformances gehouden worden op het strand van Durban. Het probleem dat er zestien officiële talen in Zuid-Afrika zijn gaan ze uit de weg door daar enkel fysieke, tekstloze voorstellingen te spelen.

Namens het Schauspielhaus Köln is de enige spreker van kleur aanwezig, de regisseur en theaterpedagoog Bassam Ghazi. Hij is sinds kort met de jonge, diverse spelers van het Import Export Kollektiv aangesloten bij het stadstheater. Ghazi vertelt dat hij ruim een decennium heeft gefreelancet uit wantrouwen voor de grote instituties: hoe wist hij dat ze hun vroegen om hun kwaliteit en niet enkel om een bepaald quotum te vervullen? Met het Schauspielhaus Köln besloot hij de gok te wagen, maar wel onder zijn voorwaarden: de spelers van zijn ensemble zouden voor elke repetitie en ieder optreden fatsoenlijk betaald krijgen.

Sinds hun aantreden werd het voor Ghazi en de spelers van het Import Export Kollektiv pijnlijk duidelijk hoe wit en conservatief de Duitse stadstheaters grotendeels zijn. Desalniettemin is Ghazi hoopvol over de toekomst: ‘Het zijn spannende tijden wat diversiteit betreft, maar ook enorm pijnlijke tijden. Het gaat niet enkel om een (in)gekleurd plaatje, maar ook om een mentaliteitsverandering. Je moet niet alleen met anderen praten, maar vooral ook luisteren.’

De enige freelancer van de sprekers sluit de keynotes af. De in Kroatië geboren en in het Verenigd Koninkrijk werkzame toneelschrijfster Tana Štivičić sprak over wat zij ‘chasing Europe‘ noemt. Štivičić is geboren in Joegoslavië, werd later na de oorlog plots Kroaat en werd daarna niet meer als Europeaan gezien. Wanneer zij naar Engeland verhuisde om daar als toneelschrijfster haar heil te zoeken, bleek dat ze plots wel Europeaan was, maar Oost-Europeaan: ‘Terwijl Kroatië westelijker gelegen is dan Griekenland…’

Štivičić vertelt dat deze identiteiten die haar opgelegd worden haar altijd achtervolgden. Als toneelschrijfster levende in de nasleep van een flinke oorlog verwacht men dat je juist over ‘The Big Thing‘ schrijft, maar dat is juist het tegenovergestelde van wat ze wil: ‘Je wilt als schrijver niet gedefinieerd worden door De Oorlog. Je schrijft juist over alledaagse, kleinschalige, intermenselijke problematiek omdat je wilt laten zien dat je ook een persoon bent buiten die oorlog om. Dat je net zoals de rest bent. Maar als je een leven leidt in angst voor vervolging, dan is dat het enige waar je over mag schrijven.’

In het gesprek tussen de sprekers dat hierop volgde werd veelal gesproken over hoe om te gaan met hybride en vaststaande/enkele identiteiten. Hoe ga je om met de nieuwe generatie makers die veelal ook tweede- en derde generatie migranten zijn? In Ghazi’s ogen is die fluïditeit juist het lastige om te vatten. Het is een lang verhaal om duidelijk te krijgen wat die identiteit dan precies is: ‘En als je het al te pakken weet te krijgen, dan glipt het zo weer tussen je vingers vandaan.’ Rodrigues vult aan dat er bij de geïnstitutionaliseerde makers hier meer begrip voor moet komen, dat de dialoog juist de perfecte ‘customizable approach‘ is voor diversiteit en inclusiviteit.

Tegelijkertijd is hij zich enorm bewust van over te komen als een white savior: ‘Daar ontkom je niet aan. Maar desalniettemin moet je wantrouwen wat je al weet. Je moet je mond opendoen, op je bek gaan, verbeterd worden, luisteren, dat goed in je oren knopen en groeien – ook in je artistieke praktijk.’ Štivičić haakt tot slot in met de observatie dat wanneer je drie jonge, zwarte vrouwen op het podium zet om te praten over hun ervaring als jonge, zwarte vrouw, je juist de status quo bevestigt: ‘Het gaat er juist om te laten zien dat hun verhalen, hun levens en hun ervaringen niet anders zijn. Dat zij ook gewoon onderdeel uitmaken van de samenleving en daar niet buiten vallen.’

Het tweede dagdeel zou een serie tafelgesprekken zijn, waarbij de vier sprekers roterend met een kleinere groep aanwezigen de keynotes verder zouden bespreken. Wegens tijdgebrek waren er enkel twee gesprekken mogelijk, waarbij ik aansloot bij de gesprekken met Rodrigues en Durden. Het spijtige van beide gesprekken is dat deze weinig inhoudelijk op de keynotes ingingen. De aanwezigen waren in beide gesprekken meer geïnteresseerd in de praktische uitvoering van enerzijds Rodrigues toegankelijkheidsoffensief en anderzijds het gratis openluchttheater van Durden.

Rodrigues sprak veel over zijn initiatief Primeira Vez (letterlijk: ‘Eerste Keer’), waarbij zij mensen benaderen die nog nooit naar het theater gegaan zijn via hun werk – veelal bedrijven, instellingen en organisaties die niet per se een relatie tot het theater of kunst hebben. Ze vragen deze mensen om zich toe te leggen aan een traject van vier voorstellingen, oplopend in complexiteit. Ook krijgen zij de kans om per voorstelling in gesprek te gaan met de makers. Rodrigues: ‘Zelfs als mensen het verschrikkelijk vinden, als ze na hun eerste bezoek nooit meer terugkomen naar het theater, dan hebben we hen in ieder geval de kans gegeven om de dialoog met de makers aan te gaan.’ Durden gaf veelal een kort college over de praktische realiteit van de kloof tussen het witte gesubsidieerde theater en de zwarte Afrikaanse cultuur, met als dieptepunt een anekdote over een zwarte klas die een les theateretiquette kreeg bij hun bezoek aan het Playhouse Theater, een van de best gesubsidieerde theaters in Zuid-Afrika.

Maar hoe staan we er in Nederland voor qua diversiteit? Kijkende naar de situatie in Zuid-Afrika zijn we goed op weg, maar vergeleken met Lissabon en Keulen kunnen we nog genoeg doen. Het Nationale Theater is bezig met het beter toegankelijk maken van theatervoorstellingen voor mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking, maar niet alleen doen zij dit vooralsnog op kleine schaal, ook zijn zij hier relatief uniek in binnen de sector. Ook de integratie van een enorm divers en jong collectief binnen een groot, nationaal instituut, met het geld en de middelen om een nieuwe beeldtaal te kunnen ontwikkelen, is hier in Nederland nog altijd een droombeeld. Genoeg werk aan de winkel, dus.

Foto: Bart Grietens