Co-creatie in het theater: duurzaam en gelijkwaardig?

Door gepubliceerd 8 november 2017

De term ‘co-creatie’ duikt steeds vaker op in zowel beleid als in instituties, opleidingen en theaters. Maar welke praktijken vallen daar precies onder? En wat zijn de onderlinge verhoudingen tussen de deelnemers? De conferentie ‘Co-creatie in het theater’ wilde zaterdag in het Amsterdamse Theater Frascati het discours rond ‘co-creatie’ aanzwengelen. Moderatoren Tobias Kokkelmans en Lara Staal organiseerden de middag in het kader van het Frascati Issues-programma ‘De (On)vertelde Stad’, als startpunt van een nieuwe prominente programmalijn in het theater. 

Als uitgangspunt definieerden de presentatoren co-creatie als een combinatie van participatie, uitwisseling en samenwerking, vaak met een maatschappelijke partner. Hoewel Kokkelmans en Staal een gebrek aan discours over de trend van co-creatie poneerden, hamerden een aantal van de 17 panelleden erop dat dit wel degelijk bestaat, maar dan rond termen als community theatre, social theatre en dergelijke. Al gaven zij toe dat academische reflectie over specifiek Nederlandstalige theaterpraktijken zich vooral beperkt tot het werk van Eugene van Erven, Pascal Gielen en Sruti Bala. Jasmina Ibrahimovic (Rotterdams Wijktheater) wees er bovendien op dat veel theatermakers die zich op dit vlak beginnen te begeven zich onder die termen liever niet willen profileren, en zich bijvoorbeeld niet aanmelden bij ICAF, het driejaarlijkse International Community Arts Festival in Rotterdam.

Blijft echter de kwestie dat de specifieke term ‘co-creatie’ aan een opmars bezig is, en net een andere betekenis en gedachtegoed met zich meedraagt dan het verwante ‘community arts’, ‘participatieve kunst’ en ‘sociale innovatie’. Deze lijken allen een eigen politieke en artistieke geschiedenis te hebben, terwijl co-creatie vooralsnog veel meer uit lijkt te gaan van neutraliteit en gelijkwaardigheid. Juist vanwege deze vermeende neutraliteit verdient co-creatie aandacht in een kritisch discours.

De term kwam volgens Kokkelmans zo’n tien jaar geleden uit het bedrijfsleven overgewaaid, waar men geloofde dat ‘customer participation may lead to customer satisfaction’. Het is een proces van coöperatie of collaboratie dat uitmondt in een product voor een consument, zonder daar per se een bepaald doel zoals community, participatie of innovatie mee voor ogen te staat. In de theaterpraktijk verandert deze betekenis uiteraard.

Co-creatieve partners lopen uiteen van bepaalde gemeenschappen tot boer, bank of bajes. Er lijkt consensus dat de kunstenaar in co-creatie een katalysator is, die getraind is in een ambacht, wendbaar is, grenzen opzoekt en vaste structuren zoals identiteit durft te betwijfelen. Sommige panelleden hameren op co-auteurschap van het proces en de uitkomsten, terwijl anderen zoals Erica Smits (PS|Theater) de eigen organisatie als duidelijke eindverantwoordelijke zien en co-creatie als middel om hun positie in en engagement met de stad als ‘werkveld, podium en partner’ te versterken.

Het blijkt een hele kunst om uiteenlopende belangen van co-creatoren te vinden en de ruimte te geven. De beweegredenen om te co-creëren verschillen per maker of collectief. Titia Bouwmeester van 5e Kwartier start bijvoorbeeld vanuit een persoonlijke fascinatie en daagt met het formuleren van haar droom ook de ander uit om te formuleren wat hij of zij zou willen bereiken met het project. Merlijn Twaalfhoven, die onder andere in de West Bank werkte, gelooft dat de kunstenaarsmentaliteit overdraagbaar is en kan helpen om patronen te doorbreken die het oplossen van sociale, culturele en politieke problemen in de weg staan. Verbinding, vertrouwen en respect blijken niet alleen uitkomsten maar ook voorwaarden voor een succesvol project. Dit vergt een vaak intensief en langdurig proces van ontmoeting, onderzoek en creatie.

Zo’n proces behelst vaak onverwachte wendingen en ontdekkingen. In het geval van het project van acteur en ‘creator’ Michael Bloos bij de Rabobank betekent dit eindeloze onderhandeling met directeuren en dossiers van advocaten, om uiteindelijk iets met en voor de 40.000 medewerkers te kunnen doen. Bij de Wijksafari van Zina adopteren mensen twee weken lang een kunstenaar in hun huis, waarbij soms vriendschappen tot stand kwamen. Bij het ambulante psychiatrische Centrum de Brouwerij zijn veel cliënten zeer creatief en soms zelfs door hun psychose en levensloop een carrière in de kunst misgelopen.

Riek Sijbring ziet, met andere woorden, weinig onderscheid tussen de verschillende partners van het kunstproject. In de psychiatrische jeugdinstelling Arq kwamen de makers van DEGASTEN erachter dat de narratieve exposure therapie sterk leek op hun artistieke methodes, wat elkaar versterkte. In de Bijlmer Bajes startten de co-creatoren die vluchtelingen waren een pittige discussie met Titia Bouwmeester over de ongelijkheid in financiële vergoedingen die wettelijk zijn vastgelegd voor mensen met en zonder verblijfsvergunning. Daarna heeft zij de vergoedingen gelijkgetrokken als voorwaarde om als volwaardige partners te kunnen samenwerken.

Het ideaal van gelijkwaardigheid door gedeeld auteurschap, transparantie en autonomie blijkt in de praktijk dus vaak zeer precair. Waar kennis en vaardigheden overdraagbaar zijn, blijken verschillen in kwetsbaarheid en risico’s vaak alleen tijdelijk op te heffen – misschien zelfs alleen tijdens de voorstelling.

En ineens was er een stem uit het publiek: ‘Ik ben zo’n subject/object waar veel verhalen over zijn verteld en ik vraag me af hoe en wanneer ik onderdeel kan worden van het creëren? Is dat artistieke iets verhevens waar ik niet bij kan?’ Deze vrouw maakte in een klap het belang van de stem van de deelnemers in het debat tastbaar. In het volgende panel echode het na: klopt het wel dat het vakmanschap en de 10.000 uur oefening de kunstenaar van de niet-kunstenaar onderscheid, zoals Merlijn Twaalfhoven opperde? Kan er duurzaamheid geboden worden door doorstroming van talentvolle deelnemers naar gezelschappen of vervolgprojecten? Is contact houden en de tot stand gebrachte verbindingen in een of andere vorm bewaren genoeg? Is het denken in een ‘traject’ in plaats van steeds nieuwe projecten een voorwaarde voor een ethische co-creatieve praktijk? Het standaard theatersysteem van zes weken repetitie per productie schiet dan te kort.

De conferentie roept sterk de vraag op of er sprake is van een ontwikkeling of behoefte aan co-creatie als een nieuwe artistieke stroming. Zo ja, wat zijn daarvan de consequenties voor theatermakers, publiek, opleidingen, instellingen en wat zijn condities die beleid en instituties kunnen creëren? Hoe behouden co-creatieve theatermakers hun autonomie in relatie tot creatieve industrie? Deze, en andere kwesties, vragen om een vervolg waarin co-creatie partners, publiek, wetenschappers, recensenten en beleidsmakers naast de theatermakers en representanten van instellingen gesprekspartner zijn.

Foto: Jean van Lingen


Lonneke van Heugten heeft een passie voor dramaturgie, schrijft onder andere over theater en maatschappij en promoveert op Europees cultuurbeleid en theatersamenwerking bij de Amsterdam School for Cultural Analysis. www.lonnekevanheugten.com. Van Heugten zal binnenkort voor Frascati een uitgebreider artikel over co-creatie schrijven, waar deze pagina naar zal linken. 

Één Reactie

  1. Geplaatst op 11 november 2017 om 13:12 | Permalink

    Co-creatie te maken heeft met samenwerken. dat kunnen we in Nederland vanuit de cultuur niet echt goed. Als het moet doen we wel wat samen maar liever doen we iets gauw zelf. Zelf denk ik dat de artificiële intelligentie (met robots werken) dichter bij is dan we willen of vermoeden. Als we dan niet weten wat samenwerken is dan zie ik een hoop mis gaan

Plaats een reactie

Uw e-mailadres zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

U kunt de volgende HTML tags en attributen gebruiken: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*
*

  • Elders

    Nog geen andere recensies