Vernuftig mannenpraatstuk

DeClaus Theatertekstkritiek: 'Troost & Zonen' van Peer Wittenbols

28 november 2018

Otto
Een mens is zichzelf en niets anders dan zichzelf. Ondanks zichzelf.

Peer Wittenbols schreef, naast poëzie, liedteksten, scenario’s en een roman meer dan 50 toneelstukken. Stukken met een eigen stem. Hij mengt realistische taal met typische Wittenbols-zinnen en eigen woorden (de dieperik van het pensioengat) en heeft een voorliefde voor het beschrijven van lichamelijk ongemak (Jij bent de zalf voor je plekjes kwijt en ik zal die wel weer verkeerd hebben opgeborgen.)

Het zijn Typisch Nederlandse praatstukken. Zoals in Duitsland toneel altijd gaat over grote dingen; politiek en uiteindelijk het nazisme, worden bij ons zelfs Shakespeare en Griekse tragedies geënsceneerd in een familiesetting. Wittenbols schrijft over mensen die elkaar goed denken te kennen, familie of vrienden, maar er in gesprekken achterkomen dat dat misschien toch niet zo is. Via zijn personages beschouwt hij de Nederlandse samenleving.

Zo ook in Troost & Zonen. De titel suggereert dat het om een familiebedrijf gaat. Die indruk wordt in de door ‘allen’ uitgesproken proloog aanvankelijk versterkt met de opsomming van Nederlandse bedrijven die de afgelopen jaren failliet gingen. V&D, De Kijkshop, Cora Kemperman, Halfords en al blijkt Troost & Zonen geen bedrijf, de familie is wel letterlijk en figuurlijk failliet.

De proloog vervolgt, met een litanie van alles dat mis is in Nederland. Nog steeds uitgesproken door ‘allen’ maar wel in de ik-vorm

Allen

‘Kijk, ik ben geen racist…

Maar laten we wel wezen, als er geen andere volkeren zouden zijn dan was er ook geen enkele aanleiding om racist te zijn…

Dus aan wie ligt het nou?
Onze koningin een Argentijnse importbruid…
(Ben ik van Dietschen bloedt!)…
God beter ‘t de dochter van een oorlogsmisdadiger…
Maar dat mag je niet zeggen,
Want ze huilde zo mooi op d’r bruiloft…

Weet je nog…
Met die accordeon die je geen accordeon mag noemen…

De peronages spreken hier met één stem. Maar wat zegt ‘Ik’ uitgesproken door ‘Allen’?  Dat ze het eens zijn? Dat ze eensgezind zijn, of één gezin zijn? Later in het stuk is het vooral Otto, de eerste generatie, die gelijksoortige monologen heeft. Zet hij de toon voor de familie en praten de anderen met hem mee? Of is het de schrijver zelf die spreekt?

Wittenbols speelt de hele proloog met het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord. Net als in de realiteit irritant veel en vaak wordt gedaan, zeggen ze ‘je’ als ‘ik’ bedoeld wordt, waarmee de spreker de luisteraar ongevraagd dezelfde opvatting opdringt (Je schaamt je toch kapot…). En ze zeggen ‘Wij’ met hetzelfde effect  (Kun je nagaan hoe wij ons voor de gek laten houden…/achterlijk volk). Zo dwingt Wittenbols de lezer om zich tot deze uitspraken te verhouden. ‘We are all individuals’, zegt Brian in Monty Pythons Life of Brian tegen een groep mensen. ‘I am not’, roept iemand, en zo voel ik me bij het lezen.

Troost

Drie generaties mannen komen op een avond onverwacht en ongemakkelijk bij elkaar in het huis van de werkloze Max. Zoon Cas werkt bij vluchtelingenwerk en is tijdelijk weer ingetrokken bij zijn vader. Max’ eigen vader, Otto, komt af en toe binnenvallen om naar de wc te gaan (Plassen! Ik ben zeventig! Dus mijn lul is ook zeventig, helaas.). Zoon Jimmy verschijnt plotseling na vijf jaar niets van zich te hebben laten horen met de mededeling dat hij vader wordt. Een beproefde opzet in toneelstukken; iemand komt terug na weg te zijn geweest en brengt de situatie in beweging. Zo ook in dit stuk.

Jimmy
Hoi papa

 Max
Nee hoor. Niet die toon. Niet die ogen. Weg hier. Het begint net weer een beetje normaal te worden, hier. Dus: sleutel inleveren en terug naar waar je vandaan komt. Of verder.

Normaal, dat is wat deze mannen willen. Wittenbols laat ze dat ook regelmatig zeggen. Ga jij er ook nog iets normaals over zeggen?/Ik vraag het toch heel normaal!/Vind jij dit normaal?/ En jij vindt dat normaal!/En u vindt dit normaal, wilde u zeggen?/ Het is toch Godsgeklaagd dat een mens niet eens meer normaal over straat kan lopen, ’s avonds?/Vinden jullie dat normaal: zo over mijn kind praten!/Doe eens normaal!

Het is een herkenbare manier van spreken. Daarnaast verwijst het naar de typisch Nederlandse ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ mentaliteit. Maar het verlangen naar ‘normaal’ van deze mannen botst met hun realiteit. Al snel wordt duidelijk dat vader Max graag vrouwenkleren draagt, zoon Cas van ontucht met een jonge vluchteling wordt verdacht en zoon Jimmy bedorven kippenvlees naar China vervoert en zijn zwangere vrouw virtueel bedriegt als ‘hunkertje 1988’.

Wittenbols stipt op die manier een flink aantal bekende maatschappelijke onderwerpen aan. Voortdurend zoekt hij de grap van de hedendaagse taal, hypes en politiek incorrecte uitspraken (die daarmee niet minder incorrect worden). In de vroege stukken van Wittenbols kwam de buitenwereld de huiskamer niet binnen en gingen personages niet naar buiten. Ook deze mannen zitten in de huiskamer. De boze buitenwereld heeft hen naar binnen gedwongen; Max door zijn ontslag, Cas na de aanklacht van een van zijn clienten bij vluchtelingenwerk en Jimmy uit angst voor het naderend vaderschap. Alleen Otto moet af en toe naar buiten om wat geld bij te verdienen als Sinterklaas. Gedesillusioneerd komt hij steeds zo snel mogelijk weer thuis, de buitenwereld als een hand strooigoed naar binnen smijtend.

Otto
Er komt een dag dat Sinterklaas zich eerst moet verkleden als man zonder baard voordat hij ergens naar binnen mag.

Ik zweer je: ik had vorige week een dame aan de lijn van Het Harlekijntje, en die vond dat ik dit jaar maar moest komen voor half tarief, als goedmakertje voor mijn betrokkenheid bij de systematische ontkenning van ons slavernijverleden.
‘Slavernijverleden?’ Twaalf euro dertig per uur. Reis- en grimeertijd meegenomen. Bruto.

Slavernijheden! Nou tevreden.
Barre tijden waarin de ouders van te voren appen of mijn pepernoten glutenvrij zijn en halal en vrouwvriendelijk. Ja, meneer, en ik kan ze desgewenst linksdraaiend de kamer inpleuren.

Anno 2018 of ‘in tweeduizendveelteveel’ zoals Otto zegt, praten Nederlanders zo. Niet alleen in PVV-bolwerk Almere waar Theatergroep Suburbia is gevestigd, maar in veel meer plaatsen en in verschillende lagen van de bevolking is dit normaal lijkt Wittenbols te zeggen. Of misschien: onder mannen is dit normaal. Maar wat wil hij daar dan mee zeggen? Jammer genoeg laat hij ze geen werkelijk inhoudelijk gesprek voeren, bijvoorbeeld over wat dan de norm is en waarom. Dat kunnen of willen (deze) mannen niet. Helder. Laten we het zo afspreken. Voorlopig is er niks aan de hand, zegt Jimmy.

Toch zijn het gevoelige mannen. In de eerste scène lijken vader Max en zoon Cas heel even een manier te hebben gevonden om rekening met elkaar te houden nu ze noodgedwongen samenwonen. En ook tussen de broers is er af en toe even toenadering. Maar dat duurt nooit lang genoeg om inhoudelijk iets op te leveren.

Ze praten in korte zinnen met elkaar. Weten precies waar elkaar te raken en doen dat ook vaak en hard. Zo gaat dat in families, hetzelfde bloed, dezelfde genen. Na het vertrek van de vrouwen in hun leven zijn ze op elkaar aangewezen. Getekend omdat hun vrouw, hun moeder niet bij hen wilde blijven. Onmachtig omdat ze de zelfmoord van de één, en de keuze voor een nieuw leven van de ander niet hebben weten te voorkomen. Zij waren het niet waard om bij te blijven.

In de realistische situatie wringt de schrijver zich via de vorm soms als spreker in een personage. Behalve als Otto zich zo vereenzelvigd met Sinterklaas dat hij in verzen gaat spreken, lijken het mij Wittenbols’ verzen en zijn voorliefde voor lichamelijkheid als hij bij monde van Otto zegt:

Dat is wat de natuur met echte mannen doet:
Ze worden niet goed, krijgen appelflauwtes,
huilen als weke meisjes bij
het zien van hun eigen gebroed
tussen al dat slijm, vruchtwater, vrouwenbloed

Ze kunnen er niets aan doen, begrijp ik. Harde bolster blanke pit, gevoelig maar niet in staat daar over te praten. Angst en onbegrip voor de vrouw, maar haar tegelijk op een voetstuk plaatsend. Zo ver gaat dat zelfs, dat Max een vrouw wil zijn.

Het mooiste en meest verrassende moment in het stuk is als ze de buitenwereld heel even vergeten en ‘de kracht van het nu’ toelaten. (Heeft Wittenbols het mannenzelfhulpboek van Eckhart Tolle gelezen?) De vrouwenkleren van Max liggen verspreid door de kamer en opeens zegt zijn vader:

Otto
Grappig stofje is dit. Kruipt het niet op?

Max
Niet als je er een onderjurkje onder draagt.

Jimmy
Wordt dit niet statisch, met een onderjurkje?

Otto
Dat weet je toch pas als je het aanhebt. Meten is weten.

Stilte. Max begint zich, onwennig achter een kamerscherm of achter de kast, geholpen door de anderen, om te kleden tot vrouw.

Cas
Wat beef je.

Max
Raar, he!

Cas
Heb je het koud?

Max
Volgens mij niet.

Cas
En maar beven.

Max
Laat nou maar…
Klaar.

Otto Over Max.
Kijk haar zitten.
Een zoon, wat heb je er aan? Wat heb je er aan? Vaders willen geen jongens. Ze willen dochters. Omdat ze daar niks van begrijpen. Jongens hebben geen geheimen. Geen echte. Dat moet ik beter zeggen: jongens zijn… mannen, meisjes zijn raadsels.

Stilte.

Even lijkt het alsof ze kunnen zijn wie ze zijn. Daar zit troost in.

Wittenbols schreef een vernuftig stuk, steeds laat hij mij even denken dat ze toch echt begaan zijn met elkaar maar beukt daar dan overheen met een harde uitspraak, een verwijt of een grap. Is het pesten of helpen als Otto aan zijn zoon vraagt of hij al eens als vrouw naar buiten is geweest? Dat Max thuis zichzelf durft te zijn, vinden zijn vader en zoons ergens wel benijdenswaardig, maar het is niet genoeg. Onder druk van vader en zoons gaat Max als vrouw de straat op. Dat gaat natuurlijk mis. Hij wordt door een groepje jongens in elkaar geslagen. Hij verzet zich niet en daarmee is de hoop dat hij aan zichzelf zou kunnen ontsnappen, dat hij als vrouw anders/sterker zou zijn dan als man weggeslagen. En daarmee alle hoop.

Wittenbols schreef een stuk over mannen. Het is, ondanks de Wittenbols stijl, een realistisch stuk geworden over boze witte mannen. Er zijn ongetwijfeld acteurs die dat gevoelig, geestig en herkenbaar kunnen spelen. Lezend vind ik het vrij zielige, vervelende, en ondanks hun extremen, clichématige mannen. Wittenbols laat goed zien dat mannen het moeilijk hebben met de, als gevolg van #MeToo en aandacht voor gender, onvermijdelijk geworden paradigma-shift die leidt tot een dramatisch ander beeld van mannelijkheid. Jammer voor ze, ben ik als vrouw geneigd te denken.

Otto
De vierde generatie Troost… En het wordt natuurlijk weer een jongetje… want wij zijn te stom om meisjes te kunnen maken… En zo woekeren wij voort als zevenblad… en waarom?

Ja waarom? Net als bij V&D, De Kijkshop, Cora Kemperman en Halfords, is het failliet van de alles overwoekerende man onomkeerbaar. Accepteer dat!  Zevenblad is trouwens een vitaminerijke, eetbare plant. Dus de huiskamer uit en plukken maar heren!

Lees hier onze recensie van de opvoering van Troost & Zonen door Theatergroep Suburbia.

Reageer

Uw E-mail adres zal niet gepubliceerd worden.