Het is een formule waarmee Scapino Ballet Rotterdam graag werkt: één overkoepelend thema, vrij geïnterpreteerd door twee of meer choreografen. In 2010 kwam zo het programma Holland tot stand, vorig jaar Le chat noir en nu The Great Bean. Niets op tegen, maar net als vorig jaar – toen een bestaand werk van Marco Goecke ineens helemaal in de thematiek van de Parijse bohémiens van de vorige eeuw bleek te passen, maar niet heus – lijkt het bij The Great Bean toch vooral te gaan om een lekkere programmatitel. Waarmee, nogmaals, niets mis is, maar de toelichtingen waarmee alles onder het ene thema wordt geschaard klinken wat gezocht.

Enfin. The Great Bean. Inspiratie voor dit programma was, aldus artistiek leider Ed Wubbe, de wereld van het (Amerikaanse) variété, met illusionisten als Houdini, bigbandmuziek, zang en kunstige jongleurs. Glitter en glamour, maar Wubbe zou Wubbe niet zijn als hij in zijn titelstuk de vuige treurigheid achter het toneel niet in de overwegingen zou meenemen. De kleur zwart overheerst dus – net als in Le chat noir overigens.

Eveneens net als in Le chat noir paraderen de 21 dansers regelmatig in malle exercities over het toneel en evenals in Le chat noir zijn er solo’s voor verdoolde vaudeville-artiesten met kegels of juist charleston-achtige groepsdansen of een optreden van een zwart gevederd damescorps de ballet. Billie Holiday klaagt haar hartenpijn, er zijn bigband- en honkytonkklanken, Django Reinhardt swingt en Edvard Grieg creëert nu en dan een mystiek intermezzo.

De wrange vrolijkheid wordt het duidelijkst belichaamd door een ietwat sinistere figuur (Mischa van Leeuwen), die het midden houdt tussen Tommy Cooper (zwarte fez en mislukkend truc), The Joker uit de Batmanfilms en de Dood uit de Groene tafel. Dat lijkt ook zijn betekenis: de sterfelijkheid en de dood die achter alle schone schijn schuilt.

Zo levert The Great Bean – de titel verwijst naar de ketenen van Houdini – een aangename tijdpassering waaraan een sterke artistieke visie ontbreekt. Scherpe kantjes, een pointe? Nee, wel onschadelijk vermaak, dat zeer aan de zaal was besteed.

Huischoreograaf Felix Landerer hield het – alweer: net als in Le chat noir – dicht bij huis en zet zijn fascinerende choreografische variaties met bewegende groepssculpturen voort in Blind spot. Complex en vloeiend, met een zachte energie stuwen negen dansers elkaar voort door zacht aantikken of directe manipulatie (‘magie is in zekere zin ook manipulatie’ – zie hier de wat gezochte verklaring voor dit werk onder de plu van variété, magie en illusionisme), om soms uiteen te gaan voor mooie ruimtelijke formatiebewegingen, dan weer plots en gedisciplineerd een ‘treintje’ sur place te vormen. Alle soepel scharnierende bewegingen blijven vlak boven de vloer, wat in combinatie met de rood-groen-bruine kostuums een sterk aardse impressie geeft. Voeg daaraan het mooie visuele effect toe dat een rij ‘oprukkende’ lichtbundels creëert, en het danskunstig genot is compleet.

Veel minder sterk is Let it spin van de Taiwanese Fang-Yu Shen. Haar bewegingstaal, licht en elegant, met hier en daar een zweempje Chinese gestiek, is erg lief en ‘vrouwelijk’, en eerlijk gezegd een beetje ouderwets. Naarmate de tijd vordert en de (prachtige) zang van Mongoolse zangeres Urna Chahar Tugchi voortduurt, begint ook de choreografie al te zoetjes te kabbelen en vloeit onvermijdelijk de aandacht weg.

Foto: Hans Gerritsen