Courtney May Robertson opent haar nieuwe solo Hunter uiterst kalm. Ze laat wat rook waaien door de kleine zaal van Theater Rotterdam, die door het zachte tegenlicht en het nog beatloze geluid van Puck Schot (Acidic Male) wat leeg en zelfs afgeleefd aandoet.

Boven een aluminiumkist achter op het podium hangt een enorme kroonluchter. De kist doet door zijn positie aan een altaar denken en door de vorm aan een doodskist. Afgeplakt op de vloer steekt er dan ook nog een ongelijke driehoek – zo een waarmee je pentagrammen bouwt – met zijn punt richting publiek. Bij elkaar zijn het de ingrediënten voor een goth-feestje, iets met horror en vampieren.

Robertson haalt een grote pop van achter op het podium tevoorschijn en neemt alle tijd om deze klaar te maken voor het optreden. De haren van de pop worden gedaan en er wordt een klimtouw aan haar hoofd bevestigd, zodat Robertson de pop met touw en katrol naast haar kan laten staan en door de ruimte kan manipuleren. De pop is even groot als Robertson en lijkt in alles op haar. Alleen het dode gewicht en het uitdrukkingsloze gezicht met geopende mond maken de pop ook een onhandelbaar ding.

Samen vormen de twee een wonderlijk paar. Je zou aan een eeneiige tweeling kunnen denken, maar de tegenstelling tussen het loze en het volle lichaam roept eerder een pijnlijke spiegeling op, een vorm van overidentificatie. Van de fantasy van vampieren gaat de toon zo alras over op iets met demonen. Terwijl het geluid een eerste, zachte beat toelaat, en een harteklop en het ritmisch suizen van bloed de intense aanwezigheid van een lichaam suggereren, neemt Robertson de pop in haar armen en beginnen ze samen te bewegen.

Soms is de pop boven, maar meestal is Robertson on top. Als een bezetene in vertraging deelt ze bewegingen met de pop, die daardoor zelf lijkt te bewegen, maar ook duidelijk wordt gemanipuleerd. De pulserende bewegingen komen vanuit de buik en het bekken en doorkruisen het hele lijf. Langzaam gaat deze uitwisseling vlak voor de kist over in een vertraagde, gezamenlijke rol, waarbij beiden om en om een witte vloeistof uit hun mond laten lopen, in de mond van de ander. Is het melk, sperma of gewoon heel veel spuug?

Het is een waanzinnig beeld, dat langzaam het publiek nadert en niet ver van de eerste rij pas tot stilstand komt. In het begin doet de scène denken aan de relatie met iemand die geen beheersing heeft over haar lichaam, in coma is, verlamd of anderszins van de wereld. Het lijkt te gaan over intense en misschien wel vergeefse investeringen, gebaren van aandacht en energie die onbeantwoord blijven. Maar met de witte vloeistof uit de monden wordt het intiemer en neemt de suggestie van wederkerigheid toe.

Uiteraard is de scène seksueel geladen, maar dat spat er niet vanaf. Het wordt niet pornografisch of zelfs maar erotisch. Door de precieze inzet van Robertson blijft de toedracht ergens in het midden hangen, omdat de handeling zo concreet is en open blijft. Zo nadert het rollen ook de relatie tussen moeders, vaders en kleine kinderen, waarbij in de intensiteit en intimiteit van de verzorging het onderscheid tussen lichamen ook weleens verdwijnt.

Na deze opening kantelt het beeld en gaat het steeds meer om iemand in gevecht met zichzelf. Ik moet aan anorexia denken, aan de waanzinnige controle die mensen willen uitoefenen op hun lijf, ermee vergroeien op een uiterst krampachtige en niet zelden dodelijke manier. Het geeft hun rust, de pijn geeft rust, vertel ik mijzelf, terwijl ik Robertson haar prachtige, superscherpe lijn volg, niet alleen als performer maar ook als maker. Steeds suggereert zij van alles, maar nooit helt het over naar die ene of die andere sensationele interpretatie. Althans, totdat daar aan het einde van de voorstelling verandering in komt.

Het zou jammer zijn al te veel details weg te geven van wat er tussen de overdonderende openingsscène en het dito einde allemaal gebeurt. Heel subtiel neemt Robertson – klein van stuk, met een engelengezicht en zwart haar waar een blauwe glans doorheen schijnt – het publiek mee in een reis van pijn.

Wat begint met de kitsch van uit verre verledens overgewaaide allusies aan dodendansen en winterfeesten, wordt ernstig en actueel. Hunter gaat niet over de omgang met de pijn van een ander, maar draait om het geweld dat mensen zichzelf aandoen. Na een zee van nepbloed zijn er uiteindelijk hele kleine instrumentjes die in al hun elegantie echt pijn doen. Je hoeft het niet te voelen, het gebeurt achter op het podium. Je moet je ervoor openstellen, als toeschouwer.

Hunter legt de toeschouwer een keuze voor. Kijk je naar een voorstelling, een al of niet interessante representatie van een verhaal of een handeling, of kijk je naar iemand die een proces laat zien dat we eigenlijk niet willen zien, dat zich moeilijk laat vertellen, tenzij in spectaculaire, groteske en vaak cynische of kwellende beelden? Wil je als toeschouwer kijken naar de pijn en hem anders zien of misschien zelfs anders meemaken?

Het maakt de toeschouwer uiterst kwetsbaar, als hij daarvoor open staat en afziet van het goth-feestje. Langzaam introduceert Hunter de kwelling die door mensen gebruikt wordt, in de gecontroleerde herhaling en in een beschermde omgeving, om genot te vinden en bevrijding. Robertson verwijst naar de praktijk van BDSM in de flyer, waar ze het ook over ‘levensbevestigende monsterlijkheden’ heeft en ‘zelfvernietiging als een daad van zelfbehoud’.

Hermann Nitsch deed ooit performances met bloed, Florentina Holzinger werkt met gevaar en pijn. Robertson verwijst wel naar cult en het spectaculaire, maar haar voorstelling is ronduit introvert. Het is haar eigen, kleine lichaam dat ze gestaag laat lijden, theatraal eerst, maar dan ook echt. Provocatie en spektakel, en de oordelen waarvoor die twee een oplossing proberen te zijn, worden vanaf het allereerste moment vermeden. Hunter maakt heel beheerst tastbaar waar iemand die pijn zoekt van droomt en waar die daadwerkelijk gaat.

Na afloop van het applaus ligt er een minuscule zwarte slip voor mijn voeten op de eerste rij. Ik bedenk dat dadelijk iedereen langs zal komen en de slip aan iemands schoenneus het theater zal verlaten. Ik pak hem op en werp hem richting driehoek. Hunter roept ook een vorm van zorg op en aanraakbaarheid. De voorstelling is een zacht verzet tegen de onzichtbaarheid van praktijken rond gewenste pijn, ver voorbij het klassieke object van de dans, maar ook voorbij de gebruikelijke stoerheid en het sarcasme.

Foto: OOSTBLOK