Dans die de confrontatie aangaat met, of zich laat inspireren door grote objecten op het toneel zie je niet zo vaak. Toch komt die vorm steeds terug, omdat de mogelijkheden groot zijn. Bijvoorbeeld in How it ends van Jelena Kostić. Een demontabel gebouwtje laat zien dat het spelende kind nooit verloren gaat.

Op het podium staat een huisje van zo’n drieënhalve meter hoog, bedacht door Ascon de Nijs. De balkjes (60×30, schat ik) waaruit de muren zijn samengesteld kun je gemakkelijk loshalen, en dat is precies wat er gebeurt. Dat doet wat met het gebouw – de gaten worden ramen – en met de mensen op het podium. Hoeveel van die balkjes heb je bijvoorbeeld nodig om op te planken? En met een balkje minder, lukt het dan nog? En als je er nog een weghaalt? Ja, want de dansers in How it ends (Noëmi Wagner, Blazej Jasinski, Pauline De Laet en Anne Roeper) zijn acrobatisch sterk.

Flexibele danserslijven en hard bouwmateriaal, die contrasterende texturen bepalen het verhaal van de voorstelling. Het huisje wordt steeds meer afgebroken, totdat er een skelet zonder balkjes over is. En ook daar kun je weer van alles mee doen. De dansers verplaatsen zich er horizontaal, verticaal en diagonaal langs, alleen of samen, als door een trappenhuis van Escher.

De balkjes bieden intussen andere mogelijkheden. Je kunt er overheen lopen, alsof je de grond niet durft aan te raken. Je kunt ze achter elkaar zetten, als dominostenen, en die omgooien of op ingewikkelde manieren van de een naar de ander stappen. Je kunt er een hindernisbaan mee bouwen, steeds complexer en hoger, die je met steeds meer risico kunt nemen. Op een gegeven moment lijken de balkjes grafzerken. De dansers schrijden er langzaam tussendoor.

Er lijkt soms een psychologische relatie te zijn tussen mens en materie, maar waar die precies uit bestaat is me niet duidelijk geworden. In de dominofase wordt een van de danseressen boos. Ze gooit kwaad met de balkjes, maar waarom? Al heel snel is er niets meer over van haar woede.

Choreograaf Jelena Kostić (Belgrado, 1976), die verantwoordelijk is voor dit alles, benadert haar thema’s graag van verschillende kanten. Ditmaal maakte ze met filmregisseur Harrie Verbeek de dansfilm My own worst enemy, te zien na de voorstelling, waarin danseres Noëmi Wagner in mooi contrastrijk zwart-wit het spel met de balkjes combineert met een potje schaak tegen een onzichtbare tegenstander. Een solo in dit geval, terwijl de dans in de voorstelling sterk leunt op contactimprovisatie. Solo of teamwork, je kunt met het materiaal van alles doen.

How it ends eindigt halverwege de wand met een verwachtingsvolle blik naar boven. Er kan nog veel meer, maar we moeten nu even stoppen. De voorstelling is een ode aan de spelende mens. Met een blokkendoos kan die zich eindeloos bezighouden.

Foto: Nikola Kostić