Ruim een maand in Carré. Zo’n vier keer per week gaat Herman van Veen het podium bestijgen. Het doet denken aan vroeger, toen de groten der aarde Carré wekenlang uitverkochten. De kleinkunstenaar zet ook volop in op die nostalgie.

Herman van Veen begint sterk. De eerste helft zit de vaart er goed in. Er is veel muzikaliteit, ook bij Van Veen, die maar liefst vier verschillende instrumenten ter hand neemt. De ene mooie solo maakt plaats voor de andere, aaneengeregen door afwisselende arrangementen. Een goede vorm om wat nieuwe liedjes te introduceren. Al begint hij ook al vroeg met toegiften, zoals hij welbekende liedjes noemt. Door de muzikaliteit, het plezier en de warme sfeer komt hij met een hoop weg. De flauwe grapjes. Het soms onverstaanbare gemompel. Zijn geroep in de microfoon: plotselinge uitbarstingen van volume, die pijn doen aan je oren.

De tweede helft is minder scherp, doet wat gekunsteld aan. Minder muzikale intermezzo’s, en meer praatjes. Praatjes die wat plat steevast iets met poep of seks te maken moeten hebben. De deftige Herman van Veen weet wel guitige synoniempjes te gebruiken zoals ‘broekhoest’ en ‘keutel’, zodat de grapjes minder ordinair lijken. Het draagt allemaal bij aan het koddige ouderwetse gevoel van de avond. Maar het is het wat veel. Zelfs een lange uiteenzetting over zijn vader komt uiteindelijk toch weer uit op een ‘geplet klokkenspel’ en een ‘naar binnen gefloepte flip’.

Tussen alle meligheid door komen verwijzingen naar de actualiteit voorbij. Daarvoor heeft hij zijn toegiften toepasselijk gekozen. ‘Anders anders’ is met het oog op de Pietendiscussie een logische keus. Via ‘Anne’ praat hij over zijn dochter, die inmiddels getrouwd is met een vrouw. Aanleiding voor een mooi lied over hoe hij alle geloofssymboliek zou omarmen, als er maar geen homoseksuelen meer vervolgd zouden worden.

Er zit lekkere afwisseling in de show, mede doordat Van Veen zijn band ruimte geeft afzonderlijk te schitteren. De drie zangeressen zingen elk een lied. Edith Leerkes in het Spaans, Jannemien Cnossen in het Engels en Wieke Garcia in jazzy scatzang. Violiste Merel Vercammen heeft een uitdagende solo, net als percussionist Yordi Petit. Contrabassist Kees Dijkstra valt tweemaal op, als hij nette gechoreografeerde foutjes maakt, wat hem beide keren op een keurig getimede uitbrander van Van Veen komt te staan.

Eerbied en aandacht voor de elegante dames, plagerige rivaliteit met de knappe jongemannen. Zelfs de omgang van Van Veen met zijn band voldoet aan een olijk ouderwets clichébeeld. Het slot is daarvoor vrij tekenend. Trommels zijn het podium op gedragen. Vier grote trommels voor de dames. Twee voor Herman van Veen. Twee kleine trommeltjes op een gedeeld standaard voor de jongemannen.

Van Veen voelt zich thuis in Carré. De sfeer is goed, de zaal is warm. Zijn vertolking van het door hem geschreven ‘Ik voel me zo verdomd alleen’ werkt precies zo vervreemdend als je verwacht. Waarna hij uitroept: ‘Dat ik dit durfde!’ Maar hij durft het, want het is Carré. Na een stortvloed aan daadwerkelijke toegiften, loopt hij als rattenvanger van Hamelen door het middenpad de zaal uit, het publiek volgt. Maar voor wie geen haast heeft, is er niet veel later weer muziek te horen. Zitten alle muzikanten weer op het podium voor een laatste duet. Voor alle gasten die net als Herman van Veen maar geen genoeg kunnen krijgen van die prachtige zaal.