In een carrière van ruim zeventig jaar is omkijken onvermijdelijk. Zo keerde de inmiddels 93-jarige Peter Brook al meermaals terug naar Shakespeares The Tempest en deed hij hetzelfde met de Mahābhārata, het 100.000 verzen tellende en duizenden jaren oude Indiase oorlogsepos. In Battlefield (wat hij oorspronkelijk in 2015 maakte en nu met een grotendeels nieuwe cast te zien is tijdens Brandhaarden) tilt hij een fragment uit dat epos in een sobere voorstelling.

De eerste keer dat Peter Brook zich tot de Mahābhārata wendde was dertig jaar eerder, in 1985. In een negen uur durende marathon bracht hij een door Jean-Claude Carrière geschreven bewerking op het toneel met ruim twintig acteurs en muzikanten. Ik was nog niet geboren toen en kan slechts gissen naar wat de impact van deze voorstelling zal zijn voor wie daarbij was. Of überhaupt voor wie niet altijd een omkijkend perspectief heeft gehad; voor wie het verleden van Brook ook eens het heden is geweest.

Tegenover de grote schaal van die enscenering, staat de kleinschaligheid van Battlefield. Vier acteurs en een muzikant begeven zich op een nagenoeg leeg toneel waar de strijd al is geleverd. De strijd met wapens althans. Want Yudhishtira (Jared McNeill), overwinnaar en koning, worstelt. In een van de eerste scènes beschrijft hij het slagveld. De honderden lichamen, uiteengereten en opeengehoopt. De rouwende vrouwen die in al die verminkte lichaamsdelen hun eigen mannen niet meer herkennen. En hoe de lichamen in al hun doodsheid soms nog lijken te leven. Het is een prachtige scène die zich voornamelijk afspeelt in onze hoofden, waar de woorden van Yudhishtira beelden oproepen. Zo evoqueerde de monoloog op mijn netvlies de foto Dead Troops Talk van Jeff Wall, die daarin ook op huiveringwekkende wijze speelt met de grens tussen leven en dood.

Het is de stilte na de storm die Brook ons hier samen met co-regisseur Marie-Hélène Estienne toont. Het vacuüm waarin wordt gereflecteerd op wat is gebeurd en gecontempleerd op hoe nu verder. In de voorstelling wordt gesteld dat de mens gedoemd is tot een eeuwige cyclus van oorlogen en wellicht staan we momenteel op de rand van een nieuwe. Zijn we in staat de tekenen te herkennen? Gunnen we onszelf nog wel zo’n vacuüm van reflectie? Kan het theater dat bieden? Het zijn relevante vragen, die Battlefield indirect stelt, maar soms een beetje in het luchtledige blijven hangen.

Wie Peter Brook zegt, zegt The Empty Space. In dat boek beschreef hij hoe elke lege ruimte kan worden getransformeerd tot toneel. En hoewel we ons hier in een zeer traditionele schouwburg bevinden, resoneert die lege ruimte in de manier waarop Brook en Estienne de theaterruimte benaderen. De djembé die muzikant Toshi Tscuchitori tijdens de voorstelling bespeelt, met dat blanco, strakgespannen vel, is symbolisch te noemen voor die benadering. Het is een kaal oppervlak dat een enorme veelheid aan klanken kan produceren wanneer het wordt beroerd.

En dat is hoe Brook en Estienne het toneel gebruiken. Met de miniemste middelen wordt effect gesorteerd. Geel vilt op de vloer maakt de hitte van een brandende zon voelbaar. Her en der verspreid liggen doeken in de primaire kleuren rood, geel en blauw. Meer kleuren zijn immers niet nodig om elke mogelijke kleur in de wereld te creëren. De doeken veranderen constant van betekenis. Van een sjaal die een personage aanduidt tot het lijf van een worm of de rijkdommen van de koning. Het heeft iets overweldigends wanneer een simpele zwaai van een doek een beeld kan transformeren. Zoals wanneer de mantel van een stervende rond zijn gezicht wordt gesloten, alsof de dood zelf het lichaam omhult en begraaft.

Buiten de (vaak mooie) beelden is Battlefield ook een voorstelling van klanken. Van stemmen. De acteurs spreken met een Afrikaans accent (preciezer kan ik het met mijn beperkte kennis niet duiden), met die prachtig gearticuleerde medeklinkers. Alle vier de acteurs (naast McNeill zijn dat Karen Aldridge, Edwin Lee Gibson en Larry Yando) zijn een genot om naar te luisteren. Van een tikje statig schakelen ze moeiteloos over naar speelsheid wanneer ze de vele parabels die voorbijkomen uitspelen.

Dat Brook dit deel uit de Mahābhārata koos om nu naar terug te keren, zal ook zeker te maken hebben met zijn leeftijd. Het gaat immers over sterfelijkheid, over ons verlangen daarvoor een schuldige aan te wijzen en ons streven het te overwinnen. Maar het is tekenend voor Brook dat die alomtegenwoordige dood de voorstelling niet loodzwaar maakt. Altijd tintelt wel weer ergens de vitaliteit doorheen. Zoals in het schuifelende, zich inmiddels kromtrekkende lichaam van Brook de ogen onvermoeibaar nieuwsgierig de wereld inkijken.

Foto: Carlos Alvar


Luister hier naar de podcastrecensie die Luc de Groen van Battefield maakte voor De Theaterpodcast.