Door de coronacrisis komen de wankele arbeidsverhoudingen in de cultuursector nadrukkelijk boven: van de ene op de andere dag zitten mensen met flexcontracten zonder inkomen. In Verenigt U! schreef cultuurfilosoof en kunstcriticus Thijs Lijster al over ‘het precariaat’, een steeds groter wordende groep van kwetsbare arbeiders, en roept die op zich te verenigen. Hoe kijkt hij naar deze tijd in het licht van de coronacrisis? 

In je boek Verenigt U! schreef je al over de precariteit van bestaande arbeidsverhoudingen. Met deze crisis lijkt de kwetsbaarheid van in ieder geval de culturele sector bevestigd. Is er ook iets dat je in de gevolgen van deze crisis heeft verbaasd?
‘In de eerste plaats hoe snel de stemming toch omsloeg, wat betreft ondersteuning van economisch kwetsbaren. Je kunt je vast dat beruchte interview met Eric Wiebes herinneren die zei: “zzp’ers hebben er zelf voor gekozen en als ze nu in deze situatie belanden is het hun eigen schuld”. Ik zie dat een beetje als de laatste neoliberale reflex. Het was het oude verhaal van eigen verantwoordelijkheid: “eigen schuld dikke bult”. Je zag dat daar een enorme, terechte, publieke verontwaardiging over ontstond en dat Wiebes daarop terug moest komen. Vervolgens werd er vrij snel een noodfonds voor zzp’ers gemaakt. Dat verbaasde mij ergens: die voortvarendheid om toch als overheid die miljarden uit je zak te trekken en mensen te ondersteunen. Ineens bleek er van alles mogelijk, wat kort daarvoor nog als onmogelijk gezien werd.’

‘Tegelijkertijd verbaast het me dan dat juist de culturele sector er heel bekaaid van af komt. Er is nu weliswaar een noodpakket, maar dat biedt vooral ondersteuning voor de grote spelers in het veld, en het is trouwens nog altijd een schijntje vergeleken met de steun aan andere sectoren. Dat begint steeds meer te wringen. Aan de ene kant wordt de noodzaak ingezien om ondersteuning aan zwakkeren te bieden en aan de andere kant komt het culturele veld, waar veel werknemers en instellingen toch al amper het hoofd boven water konden houden, er heel bekaaid vanaf. Ik weet niet of dat nou echt heel veel verbazing zou moeten wekken, want het ligt wel in lijn met de koers van het kabinet en van deze minister ten aanzien van cultuur. Maar het is wel teleurstellend natuurlijk…’

Hoe gaat de culturele sector met deze situatie om?
‘Het is wel interessant om te zien dat er direct een eerste reactie van weerbaarheid en veerkracht ontstond. Je ziet dat heel veel mensen hun voorstellingen online beschikbaar stellen, er worden door ITA online voorleessessies van de Decamarone georganiseerd. Naast de veerkracht van de sector zelf, zie je tegelijkertijd dat er een enorme behoefte aan en vraag is naar cultuur. Sociale media stromen over van allerlei lees-, kijk- en luistertips. Er lijkt een enorme behoefte aan reflectie. Kunst en cultuur worden vaak als een soort ‘franje’ beschouwd: als je de rest van je zaakjes op orde hebt, kun je je een keer met kunst en cultuur gaan bezighouden. En het is in strikte zin ook geen primaire levensbehoefte natuurlijk. Maar je ziet wel dat mensen, nu ze op zichzelf worden teruggeworpen, naar kunst en cultuur op zoek gaan. Om te reflecteren, om betekenis te geven, of juist om even de gedachten elders te hebben en om vermaakt te worden.’

Hoe zal het de sector vergaan?
‘Ik kan me voorstellen dat in de nasleep van zo’n crisis en op het moment dat levens op de kop gezet worden er juist een grote behoefte is aan kunst en cultuur. Dat is natuurlijk deels wel een andere vraag dan: “Hoe zal het met het culturele veld gaan?” Over de ondersteuning van kunst en cultuur vanuit overheidswegen ben ik zoals gezegd niet heel optimistisch. De minister zei al vrij snel dat 2020 voor de cultuursector als een verloren jaar beschouwd moet worden, iets wat gek genoeg niet over de luchtvaartsector werd gezegd toen daar de beurs voor getrokken werd.’

‘Ik denk dat er op dezelfde manier als in de nasleep van de economische crisis van 2007/2008 in de komende jaren gekeken gaat worden naar waar bezuinigd kan worden zonder al te veel politiek draagvlak te verliezen. En ik vrees dat de slachtoffers dan zullen vallen in de cultuursector, en misschien ook in de hoek van de duurzaamheid – waar uitgaves gedaan worden die toch al niet altijd op grote populariteit kunnen rekenen. Ik vrees dat ook alle discussies die we hebben gehad over groenere maatregelen en politiek op de lange baan worden geschoven. Terwijl dat heel riskant is, want dat zijn belangrijke maatregelen en domeinen waarin juist geïnvesteerd moet worden. Ik denk dat deze crisis dat eigenlijk alleen maar onderschrijft en benadrukt.’

In Verenigt U! schreef je dat het precariaat als een sociale klasse gezien kan worden, maar dat binnen die grote groep van kwetsbare arbeiders daar nog geen bewustzijn over is. Komt het met deze crisis mogelijk wel tot zo’n klassebewustzijn en een bewustzijn van die gedeelde kwetsbaarheid?
‘Ik denk dat het eigenlijk nog te vroeg is om daar echt een antwoord op te geven. Het is misschien een beetje wishful thinking, maar ik denk dat er hoe dan ook een bewustzijn ontstaat van een meer fundamentele kwetsbaarheid; hoe wij als individuen kwetsbaar zijn en hoe ons handelen met elkaar samenhangt in een samenleving. Het feit dat we allemaal met elkaar verbonden zijn – hoe banaal dat ook klinkt – wordt nu natuurlijk heel erg duidelijk zichtbaar. Mijn handelingen hangen onmiddellijk samen met de kwetsbaarheid van anderen. Op het moment dat ik wel met vrienden de kroeg in ga of wel naar de bouwmarkt, dan schaad ik daarmee potentieel anderen.’

‘Daarnaast wordt de economische kwetsbaarheid van bepaalde groepen in het bijzonder, met name die mensen met flexibele en tijdelijke contracten, en van zzp’ers, nu heel duidelijk. En je ziet dat die groep dwars door de samenleving heen loopt, van mensen in het hoger onderwijs en het culturele veld tot mensen in de bouw en het toerisme. Als die groepen elkaars gedeelde kwetsbaarheid herkennen en een gemeenschappelijk front vormen, zou er politiek gezien wel degelijk wat mogelijk zijn.’

Binnen het precariaat is er, zo schrijf je, een gebrek aan solidariteit. In deze crisis lijkt ‘solidariteit’ bijna een sleutelwoord – ‘alleen samen krijgen we corona onder controle’. Is er nu wel sprake van solidariteit?
‘Het is inderdaad wel grappig dat dat woord, solidariteit, een paar maanden geleden (toen mijn boek uitkwam) nog als een wat belegen, ouderwetse term werd gezien, terwijl hij nu om de haverklap klinkt. In het feit dat iedereen zich redelijk aan de regels houdt (thuisblijven, geen uitstapjes maken) toont zich wel degelijk een soort solidariteit. Maar ik denk dat de volgende test is of die solidariteit zich ook tussen verschillende bevolkingsgroepen toont. Zullen we bijvoorbeeld bereid zijn om iets als – ik noem maar wat – een basisinkomen in te voeren. Daarvan zou het gevolg natuurlijk zijn dat juist hogere inkomensklassen en bedrijven zwaarder belast moeten worden.’

‘Er zijn momenteel enorm veel uitgaven: allerlei economische noodpakketten worden van stal gehaald en de vraag is natuurlijk: “Wie gaat daar de rekening voor betalen?” Bij de vorige economische crisis in 2007/2008 zag je dat juist de kwetsbaren in de samenleving die rekening betaald hebben: publieke voorzieningen werden afgebroken, er werd op onderwijs, cultuur en gezondheidszorg bezuinigd. De banken werden toen gered ten koste van de 99%, om de term van Occupy te gebruiken. Nu is de grote politieke vraag: gaan we een herhaling krijgen van zetten? Of wordt er juist een andere koers ingeslagen, en zal er ditmaal wel sprake zijn van solidariteit. Ik vrees, nogmaals, dat het te vroeg is om die vraag te beantwoorden, maar ik denk wel dat het van belang is om in te zien dat dat de politieke vraag is die er de komende jaren zal zijn: gaan de sterkste schouders die grootste lasten dragen of wordt de rekening gelegd bij de mensen die het toch al moeilijk en zwaar hebben.’

‘Dat geldt natuurlijk net zo goed in internationaal verband. In de discussie rond de Europese verdeling van de lasten zie je dat er vooralsnog vanuit Nederland niet veel bereidheid leek te zijn om solidariteit naar Spanje en Italië te tonen. Dus ook al wordt er voortdurend opgeroepen tot solidariteit door onze eigen regering, haar eigen solidariteit is niet heel nadrukkelijk aanwezig – althans niet binnen Europees verband…’

In Verenigt U! schreef je ook over onzekerheid en hoe we ons in tijden van onzekerheid nog afhankelijker voelen van de staat. Hoe zie je dat in de huidige tijd?
‘In tijden van onzekerheid zijn mensen vaak bereid heel veel macht uit handen te geven. Dat is denk ik iets waar je heel goed op moet letten. De term ‘precariaat’ is vooral bekend gemaakt door de Britse socioloog Guy Standing; hij noemt het een ‘dangerous class’. Het precariaat is een klasse die steeds groter wordt en aan de onderkant van de samenleving zit. Daarmee zou het potentieel een progressieve kracht zijn. Maar Standing noemt het een dangerous class, omdat het ook een klasse is die zelf in het nauw zit. Daardoor kan het heel gemakkelijk de angst en onzekerheid wijten aan een ‘gevaarlijke’ buitenstaander, of op een politieke tegenstander. Die onzekerheid kan zo omslaan in een sterke vorm van wij-zij-denken, en steun voor autoritaire, nationalistische bewegingen. Juist niet in een vorm van internationale solidariteit, maar in haat tegen het vreemde of tegen iets wat die onzekerheid nog verder zou kunnen vergroten.’

‘Naomi Klein wijst er in haar boek The Shock Doctrine op dat tijden van crises voor politieke machthebbers vaak een moment zijn om allerlei impopulaire maatregelen door te voeren of eigen macht verder te bestendigen – disaster capitalism noemt ze dat. Zij wijst erop dat we daar nu erg waakzaam voor moeten zijn: wordt de sfeer van crisis gebruikt of misbruikt om verdere afbraakmaatregelen door te voeren of om op oude voet verder te gaan? Kijk naar de manier waarop luchvaartmaatschappijen en multinationals nu worden ondersteund zonder enige randvoorwaarden of eisen. Terwijl je juist zou zeggen dat deze situatie ook een moment van bezinning kan zijn: moeten we misschien juist een andere koers varen? Waarom wordt bijvoorbeeld het bedrijfsleven gesteund, maar wordt er geen universeel basisinkomen ingesteld, zoals ze dat in Spanje wel doen. Er wordt weleens gezeurd: ‘de crisis wordt gepolitiseerd’, maar het zijn hoe dan ook politieke afwegingen die je maakt. Of je het bedrijfsleven steunt of de burgers en een universeel basisinkomen instelt: dat is een politieke afweging.’

Je roept met Verenigt U! het precariaat op zich te verenigen. ‘Dat verenigen is op zichzelf al een daad van verzet.’ Maar hoe kunnen we ons verenigen in een anderhalvemetermaatschappij?
‘Dat we ons niet fysiek kunnen verenigen, maakt deze crisis natuurlijk nog complexer. Stel er worden allerlei impopulaire maatregelen genomen, dan kunnen we niet allemaal naar het Malieveld om te demonstreren, want dat is gevaarlijk voor de volksgezondheid. Traditioneel gezien is het verenigen de kracht geweest van onderdrukte mensen. Om met lichamen tezamen in een straat of op een plein jezelf zichtbaar te maken en daarmee politieke macht af te dwingen. Dat was waar de Occupy-, de Indignados- en de pleinenbewegingen tijdens de Arabische lente om draaiden. Eigenlijk was dat ook het precariaat dat zich verenigde in de openbare ruimtes en daarmee allerlei politieke verandering wilde afdwingen.’

‘Nu is dat niet langer mogelijk; dat is een feit en er valt voor nu weinig aan te doen. Ik denk wel dat daarmee tijdelijk de digitale middelen zoveel mogelijk ingezet moeten worden. Je kunt online aan allerlei vormen van community building blijven doen. Het blijft een schrale troost – het is duidelijk niet een vervanging van. Maar laten we deze tijd dan op z’n minst benutten om ons voor te bereiden – organisatorisch zowel als ideologisch, door het verzamelen van argumenten en politieke vergezichten.’

Neigen we nu de beweging van een massale vlucht inwaarts te maken, de beweging waarover je schrijft in je eerdere boek De Grote Vlucht Inwaarts?
‘Ik gebruikte de “Grote Vlucht Inwaarts” daar als je terugtrekken in je interieur, maar ook als een metafoor voor individualisme. De pretentie dat je genoeg kunt hebben aan jezelf, kunt werken aan jezelf. Ik denk dat we daar nu juist heel duidelijk de grenzen van zien. Het individu, dat verondersteld werd autonoom en zelfredzaam te zijn, ziet nu, teruggeworpen op zichzelf, dat hij aan zichzelf niet genoeg heeft. Dat je voortdurend afhankelijk bent van anderen: of dat nu gaat om zorg, onderwijs, levensonderhoud en cultuur. Eenieder wordt voortdurend ondersteund en gedragen door anderen. Op dit moment zijn de sterkste schouders juist ook nog eens de laagst gewaardeerde mensen in de samenleving: zorgmedewerkers, leerkrachten, vuilnisophalers, vervoerders. Dat is een besef waarvan ik hoop dat het beklijft.’

In datzelfde boek schrijf je over ‘de totaalmens’ als iemand die met zijn werk vervlochten is; er is geen onderscheid meer tussen ‘werk’ en ‘vrije tijd’. Alles staat in het teken van investeren in het eigen menselijk kapitaal. Ik zie zelf op sociale media dat sommigen deze crisis zien als een uitgelezen kans om aan zichzelf te werken. Cursussen worden online gratis aangeboden en je wordt er ook steeds aan herinnerd dat Shakespeare King Lear in quarantaine schreef…
‘Daaruit blijkt een enorme angst om je tijd te verdoen. Het mag niet zo zijn dat dit straks “verloren tijd” is! Iedere minuut die je in quarantaine doorbrengt, moet op de een of andere manier nuttig besteed worden. Het wordt bijna gezien als een investering in wat na de crisis komt. Hoe je de tijd nu besteedt, daar zal je later de vruchten van plukken! In die reflex van veerkracht en “niet bij de pakken neer willen zitten”, daar zit iets heel moois in: je toont dat je er niet zomaar onder gekregen wordt. Maar er zit ook iets compulsiefs in om telkens toch het beste eruit te willen halen. Het is ook de soort ideologie waarmee we gepokt en gemazeld zijn, om ieder moment nuttig te besteden. Er mag niets verloren gaan. Bezinning moet zich toch op de een of andere manier uitbetalen in een resultaat.’

‘Dat economische denken is haast onstuitbaar: zelfs als je thuis zit niets te doen kan soms de gedacht nog opkomen “ik ben aan het opladen”. Er zit constant iets in dat je instrumentaliseert om er later beter uit te komen. Ik heb daar niet zonder meer een oordeel of advies over. Als ik zeg: “Je moet je in deze tijd vervelen, want dat schept weer ruimte voor nieuwe ideeën”, dan ben ik dat nietsdoen ook aan het instrumentaliseren. Het is wel interessant om te observeren hoe mensen met de crisis omgaan en ook wat voor discours er over ontstaat: of de crisis een “kans” is; of juist “verloren tijd”; of “een moment voor bezinning”. Er ontstaan al allerlei narratieven om toch betekenis te geven aan iets wat in eerste instantie inherent betekenisloos is. Het virus zelf heeft niet een soort agency, in de zin van een doelbewust en betekenisvol handelen. Het is er gewoon en het overkomt ons. Vervolgens zie je een hele menselijke neiging om er toch op de een of andere manier betekenis aan toe te kennen.’

In je boek Kijken, proeven, denken schreef je over het belang van de kunstkritiek voor het publieke debat. Is er een rol voor de kunstcriticus in deze crisis?
‘Op het eerste gezicht natuurlijk niet: de kunstcriticus heeft niets te zien op dit moment. Hij of zij kan niet naar tentoonstellingen of voorstellingen, want alles is afgelast. Maar wat ik wel opvallend vind, is dat allerlei critici nu bestaande kunstwerken gebruiken om te reflecteren op deze tijd. Zoals Maarten Doorman, die schreef over de afgelaste tentoonstelling van Nam June Paik. Dat vond ik een heel mooi voorbeeld van hoe je aan de hand van een bepaald kunstwerk of een bepaalde kunstenaar tegelijkertijd kunt reflecteren over de tijd waarin we nu zitten. In die zin zie ik de rol van de criticus vooral in duiding, het zoeken naar betekenis en historische reflectie.’

En in het verdedigen van de kunst? Zou het zover moeten komen…?
‘Ja, zonder meer. Kunst is niet een franje, maar klaarblijkelijk iets waarop mensen terugvallen en ook waar een grote behoefte aan is. Het is denk ik heel belangrijk om dat te laten zien. Ook daar ligt zeker een rol voor de criticus. Zoals Cornald Maas die onlangs in NRC een pleidooi voor de culturele sector deed; hoewel hij zichzelf misschien niet direct als kunstcriticus beschouwt, is hij wel iemand die de culturele sector en het belang daarvan onderschrijft en benadrukt. Daar ligt zeker nu wel een taak.’

‘Maar er ligt daarin niet alleen een rol voor de kunstcriticus natuurlijk, en ook niet enkel voor mensen werkzaam in de sector. Iedereen die kunst en cultuur een warm hart toedraagt, zal dat moeten kunnen onderschrijven. Al was het alleen maar omdat je op den duur alles op Netflix wel hebt uitgekeken, en er anders niets nieuws meer gemaakt wordt. Kunst en cultuur zijn niet een verzameling artikelen die in de kast blijven liggen totdat je ze er weer uithaalt; het zijn praktijken, die levend moeten blijven, en levend gehouden moeten worden. En er is een infrastructuur nodig om dat te kunnen blijven doen. Als je het nu laat verdorren komt het niet zomaar terug.’

‘Ik zie kunst en cultuur, net als openbaar vervoer, scholing en schoon drinkwater, als iets dat gewoon bij het leven hoort, en waar dus algemene en laagdrempelige toegang toe moet zijn, wat, voor de duidelijkheid, niet hetzelfde betekent als dat het simpel of voor iedereen onmiddellijk te begrijpen moet zijn. Het gevaarlijkste wat volgens mij echter kan gebeuren, is dat kunst en cultuur alleen maar weggelegd zijn voor de happy few. Juist om het laagdrempelig en algemeen toegankelijk te houden moet daar heel goed in geïnvesteerd worden.’

‘Voor zover deze online-tijden ons iets extra’s brengen, dat je nu bijvoorbeeld voorstellingen online terug kunt bekijken, zou dat wat mij betreft ook na de coronacrisis nog steeds zo moeten zijn. Het is iets waarmee je de toegankelijkheid vergroot, je publiek kunt uitbreiden. Het online-gebeuren zou niet in plaats van, maar eerder als een soort versterking kunnen dienen.’

Naar wiens reflectie op deze tijd ben jij zelf benieuwd?
‘Ik denk dat Anoek Nuyens een interessant iemand zou zijn om te interviewen; ik ben benieuwd hoe zij de huidige toestand en toekomst van het culturele veld en in het bijzonder de theaterwereld ziet.’


Thijs Lijster (1981) is universitair docent kunst- en cultuurfilosofie in Groningen. Hij schreef samen met Jan Sietsma ‘Onder filosofen’ (2005) en was medesamensteller van onder meer ‘De Nieuwe Duitse Filosofie’ (2014) en ‘De kunst van kritiek’ (2015). Hij publiceert regelmatig in De Groene Amsterdammer en Filosofie Magazine. In 2009 won hij de essayprijs van Vrij Nederland, in 2010 de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek en in 2015 de Boekman Dissertatieprijs. Zijn boek ‘De grote vlucht inwaarts’ (2016) stond op de shortlist van de Socrates Wisselbeker. In 2019 verscheen de eveneens met lof ontvangen essaybundel ‘Kijken, proeven, denken’ en ‘Verenigt U!’. Foto: Harry de Cock