‘Wij maken ons zorgen over het geheugen van de theatersector’, schreef Fanne Boland een jaar geleden met collega-dramaturgen aan het ministerie van OCW en de Raad voor Cultuur. ‘Er is heel snel kennis aan het wegsmelten die nooit meer terugkomt.’ Waaruit kwam die brief voort, wat is er sindsdien gebeurd en wat is de stand van zaken als het gaat om het archiveren van het Nederlandse theater? Marijn van der Jagt spreekt met Fanne Boland en Hans van Keulen.

Voor theatermakers heeft het documenteren en archiveren van hun eigen werk niet de allerhoogste prioriteit. Ze hebben hun handen vol aan het nu van de voorstelling die ze maken of spelen, en aan het straks van nieuwe plannen. Tegelijk putten alle theatermakers uit een collectief geheugen: ze definiëren zich ten opzichte van wat er eerder is gebeurd, en gebruiken verhalen, teksten, codes en tradities met een geschiedenis. Dit geheugen had ooit een eigen gebouw: het Theater Instituut Nederland, tot 2009 gevestigd in een majestueus pand aan de Amsterdamse Herengracht. Dramaturge Fanne Boland beschrijft het voormalige TIN in sprookjestermen: ‘Een kasteel aan een slotgracht, waar binnen een schat aan informatie lag.’

Het wegbezuinigen van het TIN in 2012, dat de laatste jaren in verkleinde vorm aan de Sarphatistraat zat, is de belangrijkste reden dat Boland een jaar geleden samen met andere theaterdramaturgen een brief schreef naar het ministerie van OCW en de Raad voor Cultuur. ‘Wij maken ons zorgen over het geheugen van de theatersector’, stond in die brief. ‘Er is heel snel kennis aan het wegsmelten die nooit meer terugkomt. We zijn onwetend aan het worden. Het wordt onmogelijk om nog te verdiepen, vernieuwen of verrijken omdat niemand meer zal weten wat er “vroeger” gebeurde. Elke voorstelling en elk theaterseizoen bestaat dan in een vacuüm.’ De brief was een oproep aan de rijksoverheid om verantwoordelijkheid te nemen voor het erfgoed in de podiumkunsten.

Waaruit kwam die brief voort, wat is er sindsdien gebeurd en wat is de stand van zaken als het gaat om het archiveren van het Nederlandse theater? Een gesprek met Fanne Boland en Hans van Keulen. Hij werkte twaalf jaar bij het Theater Instituut, en is nu Conservator Uitvoerende Kunsten bij Bijzonder Collecties van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Hij en zijn medewerkers voelden zich aanvankelijk ‘een beetje aangevallen’ toen zij de brandbrief (in een vroeg stadium) onder ogen kregen. De collectie en het archief van het TIN zíjn er namelijk nog. Alleen lijkt het soms alsof theatermakend Nederland dat niet weet. Van Keulen: ‘Toen het TIN werd opgeheven, is er in een mail gemeld dat je ons in het vervolg bij de UVA kon vinden. Boeken en teksten kun je digitaal opvragen via de Universiteitsbibliotheek en dan liggen ze binnen een dag op een van zeven Amsterdamse locaties. Maar we hebben geen grachtenpand meer met tentoonstellingen en activiteiten die ons zichtbaar maken. Dus veel mensen denken dat we niet meer bestaan. Tot voor kort zaten we in de voormalige depots van het TIN in de Bijlmer, waar we op woensdag en vrijdag open waren voor bezoekers. Nu zijn we net verhuisd naar het archief van de Universiteitsbibliotheek achter het AMC. Daar staat voor het eerst in tachtig jaar onze hele theatercollectie bij elkaar, heel indrukwekkend is dat. We hebben daar ook een studiezaal, en meer mogelijkheden om mensen te ontvangen. Maar de drempel om langs te komen is natuurlijk hoger. Het positieve is: we hebben meer museale bruikleen dan voorheen, en dat geldt ook voor gebruikers die voor onderzoek naar het depot komen. Als er een documentaire over theater wordt gemaakt, dan weten de makers ons archief te vinden. Maar wie we de afgelopen jaren missen, zijn de regisseurs en de dramaturgen. Dus onze eerste reactie op de brief was: wat weten ze er nou vanaf, ze kómen nooit!’

Fanne Boland: ‘Onze brief was inderdaad een beetje op hoge poten, maar dat was om een statement te maken richting de beleidsmakers. Mij ging het juist om het gedeelde belang dat we als theatersector hierin hebben.’

Wat was de aanleiding voor het opstellen van de brief?
Boland: ‘Als huisdramaturg van Oostpool was ik een jaar geleden, net als alle andere theatergezelschappen, bezig met het schrijven van de vierjarige beleidsplannen. Ik ben adviseur Podiumkunsten geweest bij de Raad voor Cultuur, en ik wist: als je beleid wilt veranderen, moet je dat op tijd agenderen. En als we dat met elkáár willen doen, moet dat in de aanloop naar een nieuwe subsidieronde, niet pas in de eindfase, als het weer ieder voor zich wordt. Daarom heb ik toen contact opgenomen met de dramaturgen van de BIS-gezelschappen, om maar ergens te beginnen. Ik miste in de praktijk van het theater het belang van archiveren en collectioneren. Als dramaturg ben ik bij Oostpool degene die naar de bibliotheek gaat, en die zich afvraagt welke voorstellingsregistraties wij eigenlijk in huis hebben. Als we een project hebben met theaterstudenten van Artez, met de decoropdracht om alleen te gebruiken wat er in de opslag staat, wil je kunnen tonen uit welke voorstellingen die decorstukken komen. En als een jonge acteur nog nooit van Dirk Tanghe heeft gehoord, wil je registraties van zijn werk laten zien. De collectie van het TIN bestaat nog, maar het budget om die in stand te houden is eindig, en we krijgen het uit Den Haag niet cadeau.’

Van Keulen: ‘Voor de collectie van het TIN heeft de UVA een bruikleencontract afgesloten voor dertig jaar. Maar de ‘bruidsschat’ die wij hebben meegenomen, en waar we ons werk en onze medewerkers van betalen, is over vijf jaar op. Intussen hebben we al harde keuzes moeten maken. Zo zijn we opgehouden met het actief verzamelen van voorstellingsteksten. Dat zijn niet de tekstboekjes die bij nieuwe toneelstukken nog wel worden uitgegeven, maar de scripts van bewerkingen, ook van musicals bijvoorbeeld. Wij hebben daar een fantastische collectie mee opgebouwd, met in totaal zo’n 60 duizend Nederlandse voorstellingsteksten, waaronder handgeschreven scripts uit de achttiende en negentiende eeuw, en die wordt nu niet meer bijgehouden.’

Een voorstel in de brief is dat de overheid theatergezelschappen zou moeten verplichten om aan archivering te doen. Is zo’n verplichting nodig?
Van Keulen: ‘In België bestaat zo’n verplichting al voor ‘cultuurproducerende instellingen’. Het zou ervoor zorgen dat archiveren een gedeelde verantwoordelijkheid wordt. Bij het TIN waren we naast het beheren en ontsluiten van de historische collectie dagelijks bezig met het documenteren van recente producties. Onze hele collectie “hangt” aan een premièredatabase. Voor het bijhouden daarvan hadden we bij het TIN een speciale afdeling die de productiegegevens en artistieke medewerkers van alle Nederlandse premières invoerden. Daarnaast stellen we sinds 2003, dus al bijna vijftien jaar, de zogenaamde Theatercollectie Selectie op: samen met een twaalftal recensenten en programmeurs kiezen we na afloop van elk theaterseizoen honderd voorstellingen uit die representatief zijn voor dat seizoen, en voor de diverse disciplines. Daar gaan we dan actief materiaal van opvragen. Maar met de opheffing van het TIN zijn we in personeel enorm bekort: alleen mijn afdeling Collectie en Documentatie had bij het TIN 11,5 fte tot z’n beschikking, nu moeten we het in totaal doen met maar 2,2 fte. De premièredatabase hebben we redelijk kunnen bijhouden. Sinds kort doet iemand bij Theaterkrant.nl dat voor ons, en dat werkt ook goed. Producenten hebben er belang bij om hun gegevens aan Theaterkrant.nl door te geven, omdat ze graag willen dat er iemand komt recenseren. Maar bij de Theatercollectie Selectie komen we steeds meer op achterstand. Over seizoen 2014-2015 is het ons maar gelukt om van veertig producties foto’s te verkrijgen, en van twintig voorstellingen registraties. Dat zouden er honderd moeten zijn. Wij voelen enorm mee met de problemen die in de brief van de dramaturgen worden gesignaleerd, maar we denken ook: help ons dan, en stuur jullie materiaal op!’

Zien theatermakers het belang daarvan dan niet in?
Van Keulen: ‘De een wel, en de ander niet. Het is ook niet altijd duidelijk wie we daarvoor moeten aanspreken; de theatersector is zo divers georganiseerd.’

Boland: ‘Werknemers bij gezelschappen hebben het allemaal heel druk. Bij Het Nationale Theater zijn ze met vier, vijf dramaturgen, en zij nemen wel de tijd om een keer in de week een videoband te digitaliseren. Maar kleinere organisaties hebben vaak geen dramaturg in dienst. En dan zijn er nog de korter gesubsidieerde organisaties, en alle zzp’ers die in het theater werken.’

Van Keulen: ‘Sommige dingen kosten ook echt tijd. Om een registratie langdurig te bewaren, heb je bijvoorbeeld beeldmateriaal in een hoge resolutie nodig. Als we een dvd krijgen, proberen we de filmer of de producent van de opname te achterhalen, zodat we daar de originele bestanden van krijgen. Maar het materiaal hoeft niet eens bij óns te belanden, als het maar ergens wordt bewaard. Dat kan ook digitaal, op een website. Je hebt in Nederland de stichting Digitaal Erfgoed Nederland (DEN), die adviseert aan welke standaard je foto’s en registraties moeten voldoen. DEN kan je vertellen dat je papieren niet in plastic mapjes moet bewaren, want daar zitten weekmakers in. En dat je video’s niet tegen een verwarming moet zetten, maar beter in een kelder. Maar goed, we moeten ook weer niet elk gezelschap verplichten om z’n kostuums in een klimatologische kluis te bewaren.’

Boland: ‘Dat is misschien de huivering bij zo’n wettelijke verplichting. Helemaal als er geen extra geld tegenover staat. Je moet ook niet alles willen bewaren. Maar je hoeft niet de grootste archivaris van de wereld te zijn, om te denken: ik leg deze folder of dit script even opzij om het bij het afsluiten van een project door de scanner te halen. Dát willen mensen best doen.’

Van Keulen: ‘En het kan helpen als je in een jaarverslag iets over archivering moet zeggen. Het gaat in eerste instantie vooral over de bewustwording.’

Boland: ‘Ik wilde met onze brief ook het plezier aanspreken van het bewaren, en het besef dat we als theatermakers samen iets aan het bouwen zijn dat je niet zomaar moet laten verdwijnen.’

Hoe moet het nu verder?
Van Keulen: ‘Wij zijn nu aan het lobbyen voor vijf ton per jaar erbij, met ingang van het volgende Kunstenplan. De afgelopen vier jaar hebben wij zo veel mogelijk ballen in de lucht proberen te houden, en dat blijkt niet te werken. Voor het bijwerken van de Theaterencyclopedie bijvoorbeeld, een wiki voor het theater waar iedereen lemma’s of informatie aan kan toevoegen, heb ik via slinkse wegen een eindredacteur gefinancierd gekregen. Maar die werkt daar een dag per week aan, en dat is veel te weinig.’

Boland: ‘Naar aanleiding van onze brief zijn we met een kleine delegatie bij OCW op gesprek geweest, en daar werd heel positief gereageerd op ons initiatief. Het belang van archiveren, nu er overkoepelende instanties uit het veld zijn weggesnoeid, ziet OCW wel degelijk. Maar zij wachten op het veld. Ze zeiden: de podiumkunsten zijn te versnipperd, jullie moeten met één boodschap te komen. Dus nu zijn wij weer aan zet.’