In hun ‘eerste voorstelling die óók gemaakt is voor kinderen’ doen de makers van 155 in principe niets anders dan wat ze altijd al doen: zich verliezen in virtuoze dans en acrobatiek en melige grappen en grollen.

In 1983 introduceerde psycholoog Dan Kiley de term ‘Peter Pan Syndrome’, om te verwijzen naar iets dat hij in zijn praktijk steeds vaker tegenkwam: mannen die weigerden volwassen te worden en vast bleven zitten in de mindset van een kind. Het bleek een hardnekkig probleem: in de jaren 2000 werd er veel digitale inkt besteed aan het concept van ‘manchildren’, een hele generatie van jonge mannen die iedere sociale of maatschappelijke verantwoordelijkheid probeerden te ontlopen, tot frustratie van hun vrouwelijke partners. De cinema van die tijd reflecteerde dat: met name de films van regisseur en producent Judd Apatow (Knocked Up, The 40-year old virgin) hadden vaak de archetypische ‘manchild’ in de hoofdrol (denk ook aan de enorme populariteit van Adam Sandler in die jaren).

Ik moet vaak aan het gegeven denken als ik de voorstellingen van het danscollectief 155 bezoek. Hun werk doet sterk denken aan de sfeer van het beroemde MTV-programma Jackass, waarin een groep vrienden elkaar uitdaagt om de mafste stunts uit te voeren. Zowel in de fysicaliteit, de camaraderie, het volledige gebrek aan pretentie en in de nadruk op melige humor lijkt het oeuvre van 155 bijna een directe vertaling van de geest van Steve-O en zijn vrienden naar de theatervloer. De overkoepelende inhoudelijke thema’s werden, als ze er al waren, hooguit zeer licht en vrijblijvend aangeraakt – als er één doorlopende lijn was, was het wel de weigering om ergens op te reflecteren en zo veel mogelijk gewoon het eigen artistieke plezier na te jagen.

Het is dan ook enigszins ironisch dat de nieuwe voorstelling Stuntkont wordt aangeprezen als de eerste jeugdvoorstelling van het gezelschap – als de meeste ouders en docenten niet zo bang waren voor een paar seksueel getinte opmerkingen, scheldwoorden of naaktheid zou je de meeste achtjarigen al zonder moeite naar het hele werk van 155 kunnen laten kijken, juist omdat de makers de mindset van kinderen nooit achter zich hebben gelaten. Persoonlijk zag ik ook geen echt verschil met eerdere 155-voorstellingen, of het moest zijn dat de makers zich nóg meer hebben overgegeven aan grappen en grollen zonder enige verdieping, schakering of meerlagigheid.

Stuntkont laat zich nog het beste lezen als een ode aan arrested development. Voor de kijker (jong of oud) die niet per se in een lachstuip komt van de allesoverheersende meligheid is er daarmee aan het begin van de voorstelling nog wel een interessante tragische lezing te geven. Na een geestig lied over kinderlijke eigengereidheid komt performer Thomas van Kalmthout in een prachtig uitgevoerde temper tantrum terecht. Het lijkt het begin van enige zelfreflectie: de duistere absurditeit van volwassen mannen die zich willens en wetens als kinderen blijven gedragen.

Van die dubbele laag is echter in de rest van de voorstelling geen spoor. De voorstelling is fragmentarischer dan ooit – meer dan een aaneenschakeling van losse vondsten wordt het niet (zij het dat er een anale fixatie als rode lijn door de voorstelling loopt, van een scène waarin een performer muziek maakt met zijn kont tot de vele verwijzingen naar poep). De makers/performers zijn sterke fysieke performers (hun talent voor slapstick is onmiskenbaar), maar zwakke acteurs: vooral hun constante, grijnzende geschmier richting de zaal slaat alles plat, omdat er maar één publieke respons wordt ingehamerd: lachûh!

Dat het grootste deel van het (bij de première overwegend volwassen) publiek daarin meegaat, toont dat er veel animo is voor pretentieloos vermaak, maar voor deze recensent was het flink door- en op een houtje bijten.

Foto: Bart Grietens