Choreograaf Mauro Bigonzetti heeft met zijn nieuwste, speciaal voor Introdans gecreëerde werk Bambù een nieuwe stem gevonden, losgezongen van zijn Italiaanse wortels en toch even authentiek als zijn vroegere creaties. Maar niets gaat boven zijn meesterstuk Cantata uit 2001.

Niet vaak resulteert een avond moderne dans in zo’n uitgelaten sfeer onder het publiek. De voorstelling Spring van Introdans bestaat uit drie choreografieën van Bigonzetti, twee stukken van ruim twintig jaar oud, Rossini Cards (2004) en Cantata (2001), en het nieuw werk Bambù. Het programma is even lichtvoetig als krachtig en bouwt doeltreffend op.

De avond opent met Rossini Cards. Een stuk dat zelf uit verschillende delen bestaat, waarvan Introdans er drie opvoert. Elk deel wordt gedanst op een stuk van de Italiaanse componist Gioachino Rossini, maar ze zijn zo verschillend van aard dat het geheel gefragmenteerd aandoet. Een danser in zwart kostuum, Italiaanse baret op het hoofd, en een kandelaar in de hand verbindt de delen met elkaar. Hij loopt zoekend het toneel op waar hij zich al snel uitkleedt om zijn imposante torso te tonen. Als het publiek lacht, gaat het doek achter hem op.

Een indrukwekkende hoeveelheid dansers in huidkleurig ondergoed verschijnt aan een lange, gedekte tafel. Zittend op stoelen volgen zij een opgewekt operastuk van Rossini, waarbij handen en armen leidend zijn. Een thema dat Bigonzetti vaker laat zien vanavond. De dansers slaan met hun handen op tafel, strekken deze uit boven hun hoofd, bijten erin als in een stuk vlees en maken contact met elkaar. Ze leggen de handen op elkaars schouders, of houden elkaars handen vast, bewegen als één geheel. Het is een visueel sterke scène, een mooie opwarmer voor de avond.

Hierna volgt enigszins plotseling een intiem duet op een pianostuk van Rossini. Schaars gekleed bewegen de dansers laag bij de grond en in trage bewegingen bijna acrobatisch om elkaar heen. De moeilijke posities en overgangen waarbij de twee soms letterlijk over elkaar heen buitelen, doen wat artificieel aan. Waar het groepswerk van Bigonzetti bruist vanwege de dynamiek en de schijnbaar moeiteloos in elkaar overgaande formaties, is het partnerwerk zoekend en fragiel. Als de man in het zwarte kostuum terugkeert met een grote groep in dezelfde pakken geklede dansers, keert de energie terug, zowel in de ritmische bewegingen van de dansers als in de muziek.

Muziek is in het werk van Bigonzetti een allesbepalende factor. De muziek stuurt de dansers, kalmeert, zweept op, bepaalt de setting en de sfeer. Waar bij Rossini Cards Italiaanse barokmuziek bepalend was, componeerde Bigonzetti’s zoon voor Bambù een hedendaagse elektronische soundscape waarin hij zowel percussie verwerkte als een gedicht van de Japanse kunstenaar Ayana Homma. Bambù is de verrassing van de avond, want de andere stukken zijn (deels) eerder opgevoerd door Introdans. De choreografie is geïnspireerd op de bamboeplant met zijn in elkaar gevlochten wortels. (Wie ooit bamboe in zijn tuin heeft geplant, weet dat het door deze eigenschap na verloop van tijd overal zal opduiken en moeilijk klein te krijgen is.)

Het stuk begint met een sterke solo. Gekleed in een groengrijs kostuum en van bovenaf belicht, volgt de danseres de bewegingen van haar handen. Deze vlechten in elkaar, vouwen om elkaar heen en wapperen in een onzichtbare bries. Ver weg zijn stemmen te horen, van buiten spelende kinderen misschien. Het is alsof we ons onder de grond bevinden, op een plek waar de natuur haar gang gaat en mensen weinig invloed hebben.

Meerdere dansers volgen. Ze vormen een groep, bewegen synchroon of maken binnen de groep hun eigen variaties. Ze vallen uiteen in duetten – ook nu soms wat ongemakkelijk door de lastige houdingen – maar komen telkens weer samen. Met de voeten gegrond, blijven de dansers hun handen volgen. Zij buigen ver voorover achter de handen aan, of laten het hoofd naar achter vallen wanneer de handen naar de lucht reiken. Daar blijft het licht vandaan komen, soms subtiele patronen vormend op de grond. Hoewel Bambù over de kracht van verbondenheid en in elkaar gevlochten wortels gaat, heeft Bigonzetti met dit oosters aandoend stuk zijn Italiaanse wortels juist achter zich gelaten. Wortels die in het slotstuk Cantata juist centraal staan.

In 2016 werd Cantata voor het eerst opgevoerd door Introdans, maar de choreografie heeft nog niets aan kracht ingeboet. De muziek, in dit stuk live gezongen door vier Italiaanse zangeressen met accordeon en tamboerijn, bepaalt opnieuw de setting. Deze keer bevinden we ons op een Italiaans plein waar een bruisende groep dansers en musici elkaar en het publiek meeneemt en opzweept. De vrouwen in soepelvallende jurken dansen samen, de mannen in broek, overhemd en bretels vangen ze op of dagen ze uit. Cantata gaat met zijn traditionele Italiaanse zang terug in de tijd, maar is ook tijdloos. Bigonzetti lijkt niet te hebben gezocht naar vernieuwende bewegingen of diepere lagen. Hier is het doel van de dans, de dans zelf. En hier zijn dansers en musici continu werkelijk samen. Het plezier spat ervan af en is even aanstekelijk als bijna acht jaar geleden.

Foto: Hans Gerritsen – Bambù