De Nationale Opera had zijn Le nozze di Figaro uit 2016 al aangepast tot een veilige coronaversie, van twee uur zonder pauze. Aangescherpte coronamaatregelen maakten echter ook die uitvoering onmogelijk, waardoor enkel nog een online-project restte, ‘tot onze grote spijt’ schrijft het gezelschap op zijn website. Toch valt er bij deze Nozze, in samenwerking met regisseur van het eerste uur David Bösch, dirigent Riccardo Minasi van het Nederlands Kamerorkest en regisseur van de herneming Maria Lamont, in je eigen thuisopera nog heel veel te genieten. 

Allereerst is de cameravoering allesbehalve statisch, zoals vaak bij online. Integendeel, bijna als in een film beweegt de camera mee, zwenkt en zwiert langs het podium, biedt perspectieven die je vanuit een stoel in de zaal nooit zou zien. Dat is een mooi winstpunt.

Het decor, ontworpen door Patrick Bannwart, herinnert aan een duizelingwekkend perspectivische tekening van Piranesi. Plaats van handeling is het paleis van graaf Almaviva. Een reusachtige draaimuur domineert het toneelbeeld: de slaapkamer van de graaf en gravin is een opgesmukte gouden troonzaal en dat van bediende Figaro biedt niets dan een kale betonnen muur. In die laatste ruimte bloeit de liefde tussen Figaro en kamermeisje Susanna, wat een prachtig beeld oplevert.

Nog mooier is de tussenruimte, als een soort bezemkast: daar droomt page Cherubino tussen vrouwenposters van de liefde. Cherubino, gezongen door mezzo-sopraan Polly Leech, is een gouden greep. Hij is de spil van alles, klankbord én aanjager, ambigu naar uiterlijk, en met een voorliefde voor alle vrouwen. De beide aria’s, ‘Voi che sapete’ en ‘Non so più’ zijn hoogtepunten in zangkunst én acteerstijl.

Kamermeisje Susanna, gezongen door de Chinese Ying Fang, vertolkt een lichte en soms melancholieke rol. Ze toont zich bewust van het standsverschil en laat tegelijkertijd prachtig zien dat ze wel een bepaalde superieure grandeur heeft, een innerlijke adel. De Italiaanse bas Riccardo Fassi is haar aanstaande echtgenoot Figaro.

De gravin wordt gezongen door sopraan Ruzan Mantashyan en zij houdt zich zelfs in de grote aria’s in, tot dat ze in de finale blijk geeft van een breed scala aan timbre en finesse. Graaf Almaviva krijgt van de Italiaanse bariton Davide Luciano een zelfbewuste vertolking; hij is de man die het volkomen vanzelfsprekend vindt dat hij als grand seigneur het recht heeft op een liefdesnacht die óók Figaro’s en Susanna’s bruidsnacht is.

De graaf zou je een Harvey Weinstein avant la lettre kunnen noemen, misschien iets minder slecht. Luciano gedraagt zich elegant en zingt eloquent, zonder tot grimmige demonie te komen. Het bediendenpaar Figaro en Susanna ontwikkelt zich gaandeweg tot grote zangkunstige expressie, moeiteloos de zanglijnen weergevend en tegelijk tot grote dramatische zeggingskracht komend.

De opera speelt zich af op hun trouwdag en dat zullen we weten: fijne ouderwetse slingers met de namen van Susanna en Figaro sieren het decor. Vooral als de avond eenmaal is gevallen, de champagne bruist en er koel maanlicht over de scène valt, is het toneelbeeld wonderschoon.

Een echt komische opera in Bösch’ regie kan deze Nozze niet genoemd worden en dat pleit enorm voor de productie. Eigenlijk heerst over de hele opera een sfeer van onbestemde weemoed, van vurige liefdesdromen die weliswaar worden verwezenlijkt bij het ene duo (de bedienden), maar weer niet bij graaf en gravin. Het is niet voor niets dat de gravin aan het slot de graaf onder vuur houdt van een jachtgeweer. Zij is de bedrogen vrouw en dat zal hij weten ook.

Toch eindigt Le nozze di Figaro, zoals het de traditie van de opera buffa vereist, in geluksstemming en bruilofsfeest. Maar de elegie en weemoed die over alles heen liggen, en zelfs online voelbaar zijn, maken deze interpretatie bijzonder. Dat komt door een fraai samenspel van solisten, musici en de geniale muziek van Mozart die het Kamerorkest met gouden timbre en stuwende ritmiek brengt.