Wat betekent het om te schrijven over een wereld die voortdurend in beweging is? Waarin niet één stem spreekt maar talloze? En waarop niet één blik mogelijk is, maar vele? Hoe moet je als schrijver kijken naar zo’n wereld, en hoe geef je er vervolgens vorm aan in taal?Dat zijn vragen die mij in eerste instantie te binnen schoten bij het lezen van Tot de wereld weer goed hangt, een tekst van Marie Groothof die in 2020 uitkwam bij De Nieuwe Toneelbibliotheek.

Marie Groothof (1981) studeerde aan de mimeopleiding van de Amsterdamse Hogeschool van de Kunsten en is onderdeel van het mimecollectief Schwalbe. Ze speelde in voorstellingen, zowel voor jeugd als voor volwassenen, van onder meer Boogaerdt/vanderschoot, Ko van den Bosch, Jakop Ahlbom, Lieke Benders en HNTjong. Tot de wereld weer goed hangt is haar eerste gepubliceerde toneeltekst. Wat voor tekst is dat precies?

Meerstemmig en verbrokkeld
Om te beginnen is het een moeilijk te kwalificeren tekst, omdat die weerstand biedt aan traditionele dramatische elementen als plot en personage. Ik zou het bij gebrek aan beter een ‘verzameling taferelen’ noemen, een mozaïek zou ook kunnen. Er komen wel personages in voor, maar die worden slechts kortstondig en meestal eenmalig opgevoerd en krijgen dus nauwelijks psychologische diepgang. Er is ook niet zozeer één doorlopend verhaal, eerder een gefragmenteerd geheel waarin de personages los van elkaar verschijnen, zonder dat precies duidelijk is wie het zijn en wat ze met elkaar te maken hebben.

Boven de taferelen staat bij wijze van kopje of regieaanwijzing meestal iets als: ‘11.00 / woonkamer / man.’ En daarop volgt het ‘tafereel’, waarvan de lengte varieert van één alinea tot enkele pagina’s. De taferelen kunnen anekdotisch van aard zijn, een situatie schetsen, of enkel uit een waarneming, observatie, of ‘spitsvondigheid’ bestaan.

De compositorische keuze om verschillende personages op deze manier naast elkaar te plaatsen geeft al iets aan over hoe Groothof de wereld vormgeeft, namelijk niet zozeer als een harmonieuze en eenvormige totaliteit, maar als een meerstemmig en verbrokkeld geheel. De inzet om de wereld in zijn ‘veelvormigheid’ te tonen wordt nog eens onderstreept in een hoofdstuktitel die meerdere keren terugkeert: ‘verschillende mensen / op hetzelfde moment’.

Onderzoekende blikken
De personages in Tot de wereld weer goed hangt hebben met elkaar gemeen dat ze stuk voor stuk waarnemers zijn die met een onderzoekende blik hun omgeving tegemoet treden. Ze zijn te sceptisch, maar ook te nieuwsgierig en wantrouwend, om het vanzelfsprekende zomaar te accepteren. Ze hebben eerder de neiging om voor de hand liggende zaken onder de loep te nemen, te bevragen, om te keren:

Een vrouw in een café realiseert zich dat als
het café van buitenaf aangekondigd is als
‘open’, de buitenwereld vanuit het café gezien
aangekondigd wordt als ‘gesloten’. De mensen
die hier blijven hangen tot het café sluit, … die
zaten dus te wachten tot de buitenwereld
eindelijk weer open was.

Die nadruk op perspectief is ook elders in de tekst te vinden, bijvoorbeeld als een man ‘met over elkaar geslagen armen in / een bus concludeert dat de term “right-hand / side” nogal houdingsafhankelijk is.’ Houdingsafhankelijk – misschien is dat wel een sleutelwoord in deze tekst, waarin personages zich aldoor afvragen hoe ze zich tot de dingen om hen heen moeten verhouden.

Zodra je vanuit een houding van verwondering en met een onderzoekende blik naar je omgeving kijkt, dan merk je ook ongebruikelijke dingen op. Een vrouw in een kantoor valt het bijvoorbeeld op dat

het oppervlak naast het koffiezetapparaat
iets weg [heeft] van een miniatuur-bouwplaats
een verlaten bouwplek
waar men het gereedschap
even heeft achtergelaten

waarschijnlijk om zelf even een koffie te drinken
vermoedde ze
ergens daar achter het koffiezetapparaat.

Sporen
Diezelfde vrouw merkt op dat er een in tweeën gebroken suikerklontje naast het koffiezetapparaat ligt: ‘omdat voor iemand het klontje te zoet / of net niet zoet genoeg was’. Een suikerklontje, een half nog wel, is dat nu zo belangrijk? Voor deze vrouw wel, door het simpele feit dat zij er belang in stelt. Het suikerklontje is meer dan een eetbaar klontje, het is een spoor van iets dat voorbij is, een concreet overblijfsel van het dagelijks leven dat in al zijn banaliteit betekenisvol wordt, in de zin dat het een leesbaar teken wordt – als je maar de tijd neemt om het aandachtig te bekijken. Dat geldt niet alleen voor dit suikerklontje, de hele wereld bestaat uit sporen die te lezen zijn als teken. Door goed te kijken wordt de wereld leesbaar, presenteert de wereld zich aan de kijker als een leesbare ruimte vol verhalen.

Verderop in het stuk komt een stomerij voor waarin kleding ‘schoongestoomd is van het levend dat erin zat’ en dat in een plastic hoes afwacht ‘tot het leven er weer aan vast mag kleven’. Geuren en vlekken trekken in kleding, worden er weer uit gewassen, waarna er weer andere geuren en vlekken in trekken. Nieuwe ‘sporen’ van leven.

Het suikerklontje als spoor van een passant bij de koffieautomaat, een geur die uit een kledingstuk wordt gewassen: beide voorbeelden markeren hoezeer de wereld te bezien is als een aaneenschakeling van tijdelijke verschijnselen en vluchtige manifestaties. De personages van Groothof lijken zich uiterst bewust te zijn van de tijdelijkheid van de dingen. Een vrouw in een café (‘14.31 uur / druk café / vrouw’) wordt overvallen door het herkenbare gevoel dat alle stemmen samen één stem lijken te worden en legt voor even haar hoofd op een tafeltje:

of eigenlijk;
‘nu tijdelijk een tafel
vroeger een boom’
en tussen haar tijdelijke hoofd
en de tijdelijke tafel
ligt een kleedje, dat vroeger
een grote hoeveelheid draden was
en daarvoor een plant

Zoals achter het halve suikerklontje een soort ‘microgebeurtenis’ schuilgaat, zo gaat er achter dit kleedje een materiële en logistieke geschiedenis schuil: ooit was dit kleedje elders, iets anders, een andere substantie in een andere vorm. Het wordt iets verderop dan ook ‘een tijdelijk kleedje’ genoemd dat is ontworpen, vervoerd, gekocht, gewassen, gladgestreken, opgevouwen, en uitgevouwen: ‘op dat allemaal ligt haar hoofd te rusten’. De wereld is dus niet alleen wat je met het blote oog ziet, maar draagt ook geschiedenissen in zich die aan het oog onttrokken zijn, zoals overigens ook het verleden van de vrouw die haar hoofd op het kleedje neerlegt voor de lezer verborgen blijft. De lagen werkelijkheid die het kleedje in zich bergt zijn niet te zien, maar worden door de anonieme verteller opgediept uit een verleden dat is opgelost in het heden.

Vervreemding
Niet alleen objecten als tafels en kleedjes zijn aan verandering onderhevig en dus ‘voorbijgaand’, ook het eigen hoofd is in bovenstaand citaat ‘tijdelijk’, het zal ooit op- of overgaan in iets anders. De personages zijn dan ook geen stabiel punt in de almaar veranderende wereld, ook zij zélf zijn onophoudelijk aan verandering onderhevig, al was het maar omdat hun verhouding tot de omgeving steeds nét iets anders is. Een minieme gebeurtenis kan er al voor zorgen dat die verhouding verandert en daardoor tot een gevoel van vervreemding leiden. Een man die op het toilet zit kijkt naar een vlieg op zijn been, ziet hoe de vlieg zich door de kleine ruimte beweegt en denkt: ‘dit is dus jouw wereld.’ Als hij opstaat voelt hij zich ‘opeens absurd groot’ in ‘de kleinste kamer van zijn huis’ en loopt naar buiten, ‘op zoek naar de plek die / voor dit moment / beter bij zijn lengte past’.

In een wereld waarin alles in beweging is, en ook het zelf aan voortdurende verandering onderhevig is, worden de personages gedwongen tot onophoudelijke heroriëntatie. Het resultaat daarvan is dat de personages vervreemd raken van hun omgeving, zoals bijvoorbeeld duidelijk wordt in een passage waarop de titel van het stuk betrekking heeft. Daarin staat een man op de rand van een hoog flatgebouw die ‘zachtjes heen en weer’ wiegt, ‘als wasgoed’:

wasgoed dat ondersteboven hangt
de lijn zit onderop
en ‘de man’ zit er nog in
of de wereld
zit verkeerd om
en ik hang goed

Uiteindelijk laat de man zich achterover vallen op het dak, staart naar de wolken en wacht tot die langzaam maar zeker weer ‘als boven voelen / tot de wereld / weer goed hangt’. Deze man is dusdanig gedesoriënteerd dat hij zich zelfs afvraagt of boven nog wel boven is en onder nog wel onder. Zijn wereld staat op losse schroeven, de wereld hangt even uit het lood. Uiteindelijk waagt hij de sprong, maar achterwaarts. De kracht van Groothofs tekst zit erin dat die geen uitsluitsel biedt over of we in een fantastische wereld verkeren en de wereld echt even ‘niet goed hing’, of dat deze man psychologisch zó in de war was dat het alleen maar een kwestie van verstoorde waarneming was. Hoe dan ook verkeert de man even in een staat van vervreemding ten aanzien van de wereld, omdat hij de als natuurlijk en vanzelfsprekend geldende logica in twijfel trekt. Waarom zou boven niet onder zijn?

Het gebeurt ook dat personages als gevolg van veranderingen vervreemd raken van zichzélf, tot het punt dat ze hun eigen spiegelbeeld voor een ander aanzien:

Een man in zijn badkamer constateert dat hij
het gezicht tegenover hem in de spiegel niet
meer herkent maar besluit omdat de tanden
van deze vreemdeling toch ook gepoetst zullen
moeten worden toch door te gaan met
tandenpoetsen.

Hoe je het bekijkt
De wereld die Groothof met Tot de wereld weer goed hangt optrekt is uiterst instabiel. Ze schept met haar tekst een ruimte waarin alles voortdurend verandert, verschuift, in beweging is. Haar personages worden enerzijds overweldigd door al die veranderingen, maar zorgen er anderzijds ook zélf voor dat er verschuivingen optreden, omdat ze regelmatig hun vraagtekens plaatsen bij wat als natuurlijk of vanzelfsprekend wordt ervaren. Vaak hangen de vragen die de personages stellen nauw samen met hun manier van kijken naar de wereld, en met de reflectie op wat ze waarnemen.

Op een bepaalde manier kijken levert ook een bepaalde manier van beschrijven op. Kijken heeft implicaties voor de taal die je hanteert, de woorden waar je je van bedient. Dat laat Groothof in deze meerstemmige, pluriforme en haast caleidoscopische tekst prachtig zien, misschien nog wel het mooiste in een passage waarin een jongetje een ingepakte aardappel best een goed verjaardagscadeau vindt, want ‘het is maar hoe je het bekijkt’:

Een man in een kring met allerlei onbekende
mensen denkt het is maar hoe je het bekijkt;
‘alcoholverslaving’ of zelfmedicatie.
Een vrouw in een kring van onbekende
mensen denkt het is maar hoe je het bekijkt
‘gedragsstoornis’ of markante karaktereigenschappen.
Een jongetje in een kring van bekende mensen
denkt ‘het is maar hoe je het bekijkt, of een
ingepakte aardappel wel of geen goed verjaar-
dagscadeau is’.

De tekst Tot de wereld weer goed hangt van Marie Groothof is uitgegeven bij De Nieuwe Toneelbibliotheek (boekje 601).