De Theatertroep, het jongste huisgezelschap van Theater Frascati, is als theatercollectief zeer polyvalent. De troep maakt voorstellingen, nachtprogramma’s en theatrale experimenten, beheert en runt theatercafé De Richel in de Amsterdamse Nes en maakt onder die naam ook radio. Marijn Lems sprak met de tien leden ter gelegenheid van hun nieuwe voorstelling Hoe echt is echt echt, waarvoor ze samenwerkten met Judith Herzberg. 

Bij mijn binnenkomst in De Richel zitten ze allemaal aan tafel, de tien huidige leden van De Theatertroep: Jochum Veenstra, Elisabeth ten Have, Timo Huijzendveld, Nicoline Raatgever, Jordi Möllering, Rosa Asbreuk, Patrick Duijtshoff, Jasmijn Vriethoff, Roos Visser en Kyrian Esser. Zoals het een collectief betaamt zijn ze allemaal aanwezig voor het interview en wordt het een gesprek als een muziekimprovisatie; soms complementair, soms dissonant, meerstemmig en toch (in het algemeen) unisono.

Asbreuk: ‘Jochum, Patrick en ik hebben elkaar toen we zo’n vijftien, zestien waren ontmoet op de Jeugdtheaterschool in Amsterdam. Samen met de andere leden van onze cursus hebben we daar een theatergroep opgericht.’

Duijtshoff: ‘Er stond een advertentie in de krant waarin iemand tegen betaling hulp bood bij het oprichten van een gezelschap, maar wij dachten: dat doen we gewoon zelf.’

Asbreuk: ‘We hebben veel geleerd in de werkplaats van Jaïr Stranders. We zijn daar met veel teksttheater in aanraking gekomen, maar ook met de slapstick van Buster Keaton. Dat zijn elementen die we nog steeds gebruiken in ons werk.’

Het prille gezelschap maakte onder verschillende groepsnamen (die ze me uit gêne niet meer willen noemen, maar die voor de nieuwsgierige lezer nog wel op hun website te vinden zijn) een reeks filosofisch getinte voorstellingen met de titels Ik ben iemand die verdwijnt, Ik wou dat ik een ballon kon, Ik denk dat ik besta en Ik doe alsof (deze laatste onder begeleiding van Martijn de Rijk). Vlak daarna volgde Zjuh Treebuusj, de eerste samenwerking met Vincent van den Berg van ’t Barre Land.

Duijtshoff: ‘We zagen hem zitten aan de ronde stamtafel in de Blincker en hebben al onze moed verzameld om met hem te gaan praten, aangemoedigd door Jaïr. Het klikte geweldig, en die verbintenis ontwikkelde zich verder in het proces van Zjuh Treebuusj. ’t Barre Land heeft heel veel bijgedragen aan onze zoektocht naar een manier van werken en naar een eigen stijl.’

Veenstra: ‘Met name de collectieve manier van werken van ’t Barre Land sprak ons aan.’

Duijtshoff: ‘Maar ook het niets echt vastleggen en altijd vragen blijven stellen, het gebrek aan een geheven vingertje, niet pretenderen de waarheid in pacht te hebben. Al vrij snel werden we als gelijkwaardige samenwerkingspartners aangesproken.’

Als ik hun vraag of er ook elementen waren in de stijl van ’t Barre Land waarmee ze het niet eens waren, en of ze zich wel voldoende autonoom konden ontwikkelen onder de vleugels van een collectief dat ze zo bewonderen, blijft het voor het eerst even stil. Het is duidelijk dat deze makers niet denken in termen van ‘zich onderscheiden’, wat wel een mooi bewijs is voor hun op collectiviteit en samenwerking gerichte visie.

Esser: ‘Toen we nog in de Melkweg speelden organiseerden we iedere twee maanden Troupe en nuit, een nachtelijk programma waarin we meer onze eigen, individuele wensen onderzochten. Daaruit is ook het vaudeville spel ontstaan dat we nu nog vaak inzetten, met de aanwezigheid van live muziek en een montage waarin scènes en stijlen elkaar snel afwisselen. We maakten heel veel materiaal en kozen daar dan uit – zo maken we nu eigenlijk nog steeds voorstellingen.’

Asbreuk: ‘We delen misschien wel onze werkwijze met ’t Barre Land, maar hoe die tot uiting komt in ons werk is totaal verschillend. Dat geldt ook voor ons onderling, omdat we nu eenmaal verschillende mensen met verschillende interesses zijn. Verbonden maar toch verschillend; we zijn net een familie.’

Duijtshoff: ‘Maar een gekozen familie.’

(Elisabeth ten Have maakt walgend geluid.)

Ten tijde van de optredens in de Melkweg waren inmiddels Ten Have, Huijzendveld, Raatgever, Möllering, Vriethoff, Esser en Visser tot het collectief toegetreden. Visser: ‘Eigenlijk maakte ik de posters en de website. Maar ja, het is een collectief, dus ik stond al gauw ook op de vloer.’ Langzamerhand kwam er een gesprek met Theater Frascati op gang. De samenwerking nam echter een onverwachte vorm aan toen duidelijk werd dat het theater De Engelenbak zou overnemen, maar het café daar wilde sluiten.

Duijtshoff: ‘Timo, Kyrian en ik werkten alle drie bij cafés. Ik heb zelfs nog met Timo samengewerkt maar ben daar toen gestopt.’

Vriethoff: ‘Dat is maar de halve waarheid, hè Patrick?’

Huijzendveld: ‘Ja, ik heb als assistent-bedrijfsmanager Patrick helaas moeten ontslaan.’

Duijtshoff: ‘Ahum, we hadden dus wat horeca-ervaring, en we wilden graag proberen een café te runnen in het gebouw van Frascati 4. Dat is De Richel geworden. Behalve dat we een van de huisgezelschappen zijn van Theater Frascati beheren we het café als aparte onderneming. De winst steken we in Theatertroep-activiteiten.’

Möllering: ‘We organiseren ook Sous-sols; in het souterrain vinden onder die naam regelmatig tekstlezingen, experimenten en muziekoptredens plaats. Dat is een belangrijke manier om nieuw materiaal te ontwikkelen. Het voelt ook als verzet tegen de productiedruk om op deze manier onderzoek te doen en dat als uitgangspunt te nemen voor kleinere presentaties.’

Ten Have: ‘Maar we presenteren daar niet alleen zelf, we stellen de kelder ook ter beschikking aan andere groepen. Het leukste is eigenlijk als daar een double-bill met ons eigen werk uit voortkomt.’

Onlangs maakte het collectief een nieuwe creatie, Hoe echt is echt echt, een samenwerking met acteur en regisseur Hans Man in ’t Veld en auteur Judith Herzberg die op 8 januari in première ging in Frascati. De artistieke ontmoeting met Herzberg stond al heel lang op het verlanglijstje van de Theatertroep.

Huijzendveld: ‘We hebben in eerdere voorstellingen en presentaties al vaak met Herzbergs teksten gewerkt. Ik vind haar verwondering over de wereld heel bijzonder; die legt ze bloot door op kleine details in te zoomen. Haar teksten lijken heel snel te gaan omdat ze zo vol met ideeën en indrukken zitten.’

Duijtshoff: ‘Ze opent je eigen blik door die op heel bijzondere, specifieke dingen te richten. Specifieke woorden ook. Zo kwam ze laatst met “pieremachochel”. Ze wilde dat woord in ere herstellen door het in de voorstelling op te nemen.’

Möllering: ‘De samenwerking met haar is ook fijn vanwege haar constante betrokkenheid.’

Vriethoff: ‘Ze weet heel goed hoe ze van iedere situatie toneel kan maken.’

Möllering: ‘Ja, doordat ze de kleinste details van gesprekken onthoudt.’

Herzberg stelde in het twee jaar durende werkproces, dat bestond uit tekstlezingen, voorstellingsbezoeken en schrijfsessies bij haar thuis, een Japanse documentaire voor als inspiratiemateriaal: Rent A Family Inc., over een bedrijf dat acteurs verhuurt als fictieve familieleden voor officiële gelegenheden. Zo ontstond het idee om een voorstelling te maken waarin authenticiteit en doen-alsof centraal staat.

Esser: ‘Vaak als we Herzberg vroegen iets te schrijven over een bepaald thema zei ze: “Volgens mij kunnen jullie dat beter zelf doen.” En dat deden we dan. Andere keren ging ze even naar boven en kwam ze een half uur later terug met een volledige scène. We lazen elkaar aan de telefoon nieuwe scènes voor.’

Möllering: ‘Het was echt een proces van samensmelting. Op een gegeven moment weet je niet meer wie nu welke tekst heeft geschreven.’

Duijtshoff: ‘Uiteindelijk hebben we twee teksten geschreven. Het tweede stuk, Zeeziek in het zwembad, ontstond omdat we niet meer buiten de deur konden en wilden houden wat er allemaal in de wereld gebeurde tijdens het schrijfproces. We moesten daar iets mee.’

Raatgever: ‘We hebben nog geprobeerd om de twee teksten aan elkaar te plakken, maar het klopte uiteindelijk veel beter om twee kortere voorstellingen op een avond te spelen.’

Na de tournee van Hoe echt is echt echt zal De Theatertroep zich gaan richten op een nieuwe presentatie op De Parade, waar het collectief vorig jaar met veel succes Vaudeville speelde, ‘ordinair schrootjestoneel’ met special guests dat elke keer anders was. Als het aan de makers ligt, keren ze in ieder geval de komende drie jaar terug op het zomerfestival.

Duijtshoff (lachend): ‘Dan zie je ons terug in een grotere tent!’