Een mooie bestemming voor het restbedrag op de begroting van de opgeheven Dansgroep Amsterdam. Dat wil zeggen: het gezelschap is opgeheven, de stichting bestaat nog en heeft de voorstelling Boma van het Internationaal Danstheater gecoproduceerd, samen met het ITs Festival en dansgezelschap Sarakasi uit Kenia.

Sarakasi en Dansgroep Amsterdam werkten al eerder samen. In Nairobi (en ook ‘tussen de nijlpaarden’, aldus voormalig zakelijk leider van Dansgroep Amsterdam Quinten Bunschoten), waar met Keniaanse dansers Trip En Masse werd uitgevoerd van Chris Leuenberger, Lea Martini en Julia Jadkowski (collectief White Horse). Boma, waaraan zes Keniaanse dansers, twee dansers van het Internationaal Danstheater en twee dansers van de voormalige Dansgroep Amsterdam samenwerkten, is de door de Kenianen vurig gewenste nadere kennismaking met dans(ers) uit Nederland.

Voor dit nieuwe project creëerde Corneliu Ganea een choreografie als, hoe kan het anders, een ontmoeting tussen culturen. Visueel overheersen Afrikaanse elementen: rode kralenkettingen, rode doeken, rode lichaamsbeschildering en, bij de vrouwen, rode haardracht. Er zijn verwijzingen naar de cultuur en rituelen van de nomadische Maasai, een van de volken van Kenia, die bijvoorbeeld bloed drinken. In de live muziek van Felipe Veiga mengt Afrikaanse zang en percussie zich met westerse vioolstreken.

De negen dansers maken een ‘Afrikaanse’ entree: dicht op elkaar, synchroon en met kleine, ritmische passen betreden ze via de zaalingang het toneel. Nadat ze hun opening met armbewegingen hebben uitgebreid, wijken ze uiteen en gaat de choreografie over in een deel waarin de dansers twee aan twee optreden in een westers geïnjecteerd, vrij traag idioom: hoge benen, opgestrekte lichamen, duetten en trio’s met min of meer complexe manipulaties, offbalanceposities.

Ganea weeft ook rituele elementen door de dansscènes, bijvoorbeeld door dansers elkaar of zichzelf te laten beschilderen met rode of rode en witte verf. Zo wisselen de verschillende ‘bloedgroepen’ elkaar af; soms grijpen ze in elkaar, dan weer overheersen het ritme en de (schijnbaar) organische, geaarde vormen van de Keniaanse dans. In de spetterende finale demonstreren alle dansers in korte solo’s hun kunnen, aangemoedigd door de kreten van hun collega’s.

Het achterliggende idee en de structuur van Boma mogen dan niet overweldigend origineel zijn – heel diepe inzichten over de verschillende culturen ontbreken eigenlijk ook – als intercontinentaal samenwerkingsproject is de kleine, smaakvolle voorstelling wel degelijk geslaagd.

Tijdens het ITs Festival wordt Boma gepresenteerd in een double-bill (‘Double Date’) met de soloperformance Kokokito van Louis Vanhaverbeke, winnaar van de ITs Krisztina de Châtel Award 2014. Als een enigszins sullige knul, in oversized hiphopshort met laaghangend kruis, rijgt Vanhaverbeke geestige, absurdistisch-levensbeschouwelijk raps aan elkaar, met onderwerpen als dans als beroep en communicatiemiddel, de hedendaagse keuze-overdaad, politiek, beroepskeuze, levenslessen (‘it’s okay not to be okay‘) en wat dies meer zij. Vaardig zijn mengtafel bedienend – maar nog steeds klungelig ogend – geeft hij tegelijkertijd, met een rudimentair danspasje hier en daar, allerlei objecten die hij op karretjes het toneel op brengt een plaats in zijn optreden; van minivoetbal en cymbaal tot afwashandschoen en stokbroodje. De conclusie na al die tekst is dat je met woorden eigenlijk weinig opschiet.

Kokokito zou een scherpere pointe kunnen gebruiken, maar Vanhaverbeke zorgt weer eens voor zo’n prettig gevoel van verrassing dat je vaker zou willen meemaken in het theater.

foto: Tiberio Frascari