Culturele identiteit in ons lichaam

Om recht te doen aan de belangrijke plek die het gesprek in de kunstreceptie inneemt, publiceert Theatermaker iedere editie een dialoogrecensie: een gesprek tussen een recensent en een bezoeker met speciale kennis over het onderwerp van de voorstelling.

Welke voorstelling?

De geschiedenis van mijn stijfheid van Wunderbaum. In deze dansante voorstelling van het Rotterdamse acteurscollectief thematiseren Marleen Scholten en Walter Bart het ‘Nederlandse onvermogen om soepel te kunnen bewegen.’ Ze proberen naar eigen zeggen ‘hun volksaard te doorgronden’: waar komt die lichamelijke stijfheid toch vandaan? In de montagevoorstelling, die ze grotendeels op klompen spelen, testen de spelers op verschillende manieren de verhouding van ‘de Nederlander’ tot dans, en stellen zich daarbij de vraag: ‘worden we stug geboren of stug grootgebracht’?

Met wie?

Monique Duurvoort, choreograaf en artistiek leider van MDDance. Ze danste dertien jaar bij Het Nationaal Ballet, waarna ze haar eigen werk ging maken. Als choreograaf zocht ze naar manieren om haar kennis van ballet en die van urban dansstijlen die ze in de clubscene van Amsterdam leerde kennen, met elkaar te verenigen. Ze maakte werk bij onder andere ISH, ICK en Dansgroep Amsterdam, alvorens onder de vleugels van haar eigen MDDance autonoom werk te produceren. Naast haar choreografieën werkt ze sinds 2013 aan het onderzoek The representation of Afro-western heritage in contemporary dance, wat onder andere aanleiding gaf voor de dansconferentie Representatie van zwarte esthetiek in dans en ballet, die ze in 2017 samen met Black Achievement Month en Het Nationale Ballet organiseerde.

Waar?

SPRING Festival/Stadsschouwburg Utrecht, 24 mei 2018

De relatie tussen stijfheid en agressie

Marijn Lems: ‘Misschien moeten we beginnen met hoe de voorstelling ‘Nederlanderschap’ voorstelt. Gaat het cliché over stijfheid dat de voorstelling laat zien niet veel meer over witheid dan over Nederlanderschap?’

Monique Duurvoort: ‘Ja, wat bedoelen ze als ze zeggen ‘volksaard’, of `de Nederlander’? Ik herken me bij voorbeeld helemaal niet in een vroege scène waar ze het hebben over `de Nederlandse dansvloer’, waar dan iedereen benepen aan de kant blijft. Zo ziet de dansvloer in Nederlandse clubs die ik ken er helemaal niet uit. Dus waar verwijzen ze naar?’

Lems: ‘Ik begrijp eigenlijk ook niet zo waar ze dit idee over Nederlanderschap precies op baseren, behalve op vooroordelen. Ze wonen nota bene allemaal zelf in de Randstad, ze weten dondersgoed dat `de Nederlandse dansvloer’ er niet zo uit ziet. Hebben ze onderzoek gedaan? Hebben ze interviews gehouden? Met wie? Wie is er representatief voor Nederlanderschap? Het lijkt er veeleer op dat ze een paar clichés die ze in hun hoofd hadden rechtstreeks naar het podium hebben vertaald. Misschien is het eerder op hun jeugd gebaseerd? De situaties die werden geschetst deden me vaak veel meer aan mijn middelbareschooltijd denken dan aan het uitgaansleven nu.’

Duurvoort: `O ja? Voor mij was die tijd ook al niet zo, maar dat kan er ook mee te maken hebben dat ik vanaf mijn negende op de balletacademie zat en de schoolfeesten daar natuurlijk wat anders waren (lacht)! Ik vond de balletscène, waarin ze op klompen Het Zwanenmeer dansen, daarom wel interessant, omdat ik veel heb nagedacht over hoe ballet mijn denken over dans gevormd heeft. Binnen ballet is absolute controle over je lichaam het hoogst haalbare, het is een heel geregimenteerde dansvorm. Het heeft me veel tijd en energie gekost om me los te worstelen van de ideeën over lichamelijkheid, kinesthetiek en schoonheidsidealen die daarmee gepaard gaan, ik heb mezelf in die zin moeten dekoloniseren, iets waar ik tot de dag van vandaag mee bezig ben. Toen ik zelf ging choreograferen was het een mengelmoes van de balletstijl die ik op de academie had aangeleerd en andere invloeden die ik zelf binnenbracht, maar het is gewoon lastig om aan de dwingendheid van die esthtiek te ontsnappen – ook omdat ballet als vorm in Nederland nog zo veel hoger wordt gewaardeerd dan andere dansvormen. Dat vond ik wel mooi aan die scène en de voorstelling in het algemeen: dat het een beeld geeft van vastzitten in je lijf vanwege sociale codes, terwijl je naar vrijheid snakt.’

Lems: ‘In een latere scène zetten Bart en Scholten karikaturen van ‘provinciale’ Nederlanders neer. Ik vond dat wat ongemakkelijk: ook in eerder werk van Wunderbaum (bij voorbeeld in Venlo) zat de manier waarop ze stereotypen maken van mensen uit ‘de provincie’ tegen het smakeloze aan. Maar wat ik wel interessant vond was de manier waarop getoond wordt dat de aggressieve manier waarop de personages uit de band springen misschien een overcompensatie voor hun normale `stijfheid’ is.’

Duurvoort: ‘Ik kan in ieder geval zeggen dat je als maker een probleem had gehad als je van zwarte mensen zo’n karikatuur had gemaakt. Maar over die aggressie: ik vond het wel een sterke zet dat ze dat later met gabber verbinden. Dat is nou echt een dansstijl die in Nederland is bedacht, en zelfs die dansstijl is stijf en aggressief! Maar aan de andere kant heeft gabber ook iets ritualistisch, er zit iets bezwerends in de herhaling van de bewegingen, je raakt in een fysieke trance.

Maar er gebeurde tijdens die scène ook iets anders met me: vanwege de aggressie van de spelers voelde ik me plotseling heel sterk de enige zwarte vrouw in het publiek. Dat heeft ook te maken met het feit dat ik een keer naar een gabberfeest ben geweest en me daar toen ook heel onveilig voelde: doordat iedereen daar (een volledig witte mensenmassa) zo aggressief uit zijn ogen staarde, voelde het alsof het ieder moment tot een massaal gevecht kon leiden. En nu in de voorstelling voelde het oncomfortabel omdat die massale witte aggressie nu opeens aanwezig was in een omgeving waarin ik me normaal veilig voel: de stad, de theaterzaal. Dat voelde heel unheimisch.’

Lems: ‘Ja, het voelt echt als een voorstelling die voor een wit publiek is gemaakt, om ons een spiegel voor te houden. Er lijkt in de voorstelling ook helemaal geen wereld buiten die witheid te bestaan – zelfs de ballroomdansers die even kwamen laten zien hoe het wèl moet, waren wit.’

Duurvoort: `Het lijkt me wel spannend om de voorstelling met een gemengd publiek te zien. Je merkt nu echt dat ze spelen op herkenbaarheid en ontroering over de eigen absurditeit.’

Lems: ‘Ja, misschien zit het daar wel in. Het wordt er een best geestige, maar wel nogal softe voorstelling van, omdat ze de clichés gewoon reproduceren zodat we om onszelf kunnen lachen. Terwijl de premisse van de voorstelling ook heel veel andere vragen oproept. Hoe zet een culturele identiteit zich vast in ons lichaam? Welke rol speelt de gedeelde geschiedenis van een bevolkingsgroep in de manier waarop die groep beweegt? Zit er een link tussen de stijfheid van ons lichaam en de stijfheid van onze geest? Ze komen nu niet veel verder dan een lijn met klompen en folklorisme.’

Duurvoort: ‘Ja, ik vond het zeker een hele leuke, onderhoudende voorstelling, maar ik weet niet of ze de vragen die ze zichzelf stellen ook beantwoorden. Niet in de laatste plaats de vraag `namens wie spreken we eigenlijk als we het hebben over ‘Nederlanderschap’.’

foto: Sofie-Knijff