Sinds ze in 1990 Theater Sonnevanck oprichtte, maakte het Enschedese gezelschap onder artistieke leiding van Flora Verbrugge meer dan honderdvijftig voorstellingen, waarvan er meerdere in de prijzen vielen. Bij een groot deel daarvan was Verbrugge als regisseur of dramaturg verbonden, maar ook vele jonge makers kregen bij haar de kans een eigen stem te vinden en zich verder te ontwikkelen. Volgend jaar wordt zij opgevolgd door Daniël van Klaveren, met wie zij nu al intensief samenwerkt.

Het theater ontploft. Als bezetenen rammen de zesjarigen in de zaal op de stemkastjes die zij bij aanvang hebben gekregen. Dit is niet langer spel, het is menens: welke cavia is de leukste, de stoerste en de grappigste? Het is kenmerkend voor het jeugdtheater dat Flora Verbrugge (1956) al dertig jaar voor en met Theater Sonnevanck maakt. ‘Het publiek uitdagen, opstoken, wild maken, dat vind ik fijn. Dat ze er van alles van vinden en roepen dat ze het er niet mee eens zijn, daar geniet ik van.’

Niet voor niets noemt Verbrugge Cavia (2014) een van haar lievelingsvoorstellingen. In deze voorstelling kon zij haar grote liefdes opera en jeugdtheater met elkaar vermengen. Cavia ontstond bovendien uit gesprekken met leerkrachten en is nadrukkelijk gemaakt voor kinderen van zes en zeven jaar. ‘Ik denk soms bij voorstellingen die ik zie: hartstikke mooi, maar dit is theater voor volwassenen óver kinderen, dit is geen theater vóór kinderen. Ik denk dat we daar in het jeugdtheater nog wel eens een steekje laten vallen.’

Dat besef resulteert vaak ook in het bevragen van de eigen motieven om een voorstelling te maken. Als voorbeeld geeft Verbrugge Orfeo (2018), geregisseerd en geschreven door Daniël van Klaveren. ‘De drang bij ons om die voorstelling te maken was heel sterk: wij wilden de prachtige muziek van Monteverdi laten horen, dat vonden wij belangrijk. Maar dat wil dus niet meteen zeggen dat kinderen graag Monteverdi willen horen. Daar gaan onze gesprekken dan over: hoe maken we dit verhaal zo dat kinderen dit willen zien.’

Vanuit de beleidsmakers is bij cultuureducatie de vraag van de school ontzettend belangrijk. ‘Ik praat graag en veel met leerkrachten. Die zitten ook met enorme hang ups en vragen altijd om voorstellingen over pesten. Dan denk ik: ál onze voorstellingen gaan over de vraag: hoe kunnen we samenleven? – en dus gaan ook over de mechanismen achter pesten. Als theatergezelschap word je natuurlijk een beetje zenuwachtig als de minister zegt: je moet aan de vraag van de school beantwoorden. Je kunt immers niet voor iedere school een project op maat maken, dat kan financieel en logistiek niet. Maar wat is nou precies, concreet de vraag van die school? Het blijft soms een abstracte formule. Dus ben ik schooldirecteuren en leraren gaan vragen wat hun doel is met cultuureducatie. Is dat er überhaupt? Waar wil je jouw school, jouw klas aan het einde van het jaar gebracht hebben? Welke rol kunnen wij daarin vervullen?’

In die gesprekken viel het Verbrugge op dat veel leerkrachten van groep vier zeiden dat die kinderen zo ‘krengig’ tegen elkaar deden en dat zeiden de leerkrachten van groep drie en vijf niet. ‘Die kinderen zijn net kleuter af. Als je een kleuter bent, dan sukkel je gewoon met de groep mee, maar als je het eerste echte jaar op de basisschool erop hebt zitten en je gaat naar groep vier, dan ben je een individu, maar je bent nog niet heel bedreven in het zijn van een individu te midden van de anderen. Kinderen realiseren zich dan: jij hebt andere eigenschappen dan ik, maar het ik is de maat der dingen, dus jij bent gewoon fout. Iets daarvan blijft denk ik altijd bij ons. Cavia ging voor 100 procent daarover: over het niet verdragen van het anders zijn van de ander.’ 

Reflectie op het nu
Haar voorstellingen zijn altijd een reflectie op het nu, op de samenleving van vandaag. Hoe voelt een mens, een kind, een jongere van nu zich in de samenleving. Welke vragen en dilemma’s hebben we allemaal? ‘Dan heb ik het bijvoorbeeld over de neiging die we allemaal hebben om mensen te framen, en anderzijds de drang die we allemaal óók hebben: om juist in vrijheid je eigen identiteit vorm te geven. Die thematiek speelde bijvoorbeeld in Lev, dat ik voorjaar 2019 maakte. En op een heel andere manier in Princess.’ Die voorstelling uit 2018 confronteerde veertienjarigen met de vraag wanneer naakt functioneel is in een voorstelling. En waar trek je de grens? Zeker in het theater uiterst actuele vragen na de schandalen rond Harvey Weinstein, Job Gosschalk en de misstanden op toneelscholen. Maar ook relevant voor pubers, want hoe ver ga je bijvoorbeeld in de foto die je naar je vriendje stuurt?

De actualiteit is daarom een belangrijke bron voor Verbrugge en aan gastregisseurs vraagt zij altijd maar één ding: ‘Kijk om je heen naar de wereld van nu, wat houdt jou bezig? En welke van die dingen zou je met kinderen willen delen?’ Een andere inspiratiebron is het publiek, de kinderen en jongeren voor wie de voorstellingen gemaakt worden. ‘Ik vind het belangrijk dat wij heel recht op het doel afgaan, dat kinderen binnen vijf minuten denken: hé wacht, ik moet nu even opletten, want dit gaat over mij.’ 

Sprookjes
Sprookjes vormden eveneens een inspiratiebron, van Hans en Grietje (2001) tot Roodkapje (2007) en Sneeuwwitje (2008), van Het lelijke jonge eendje (2005) tot het op een Turks sprookje gebaseerde Kereltje (2015). ‘Die verhalen zijn geslepen door de tijd, de ruis is eruit. Ik word echt gegrepen door die archaïsche confrontaties tussen mensen, bijvoorbeeld tussen Sneeuwwitje en die stiefmoeder. De botsing tussen vernieuwing, de drang naar voren, en veiligheid, te houden wat je hebt, fascineert me.’

‘Als ik het over mocht doen, dan zou ik wel de sprookjesvoorstellingen die ik gemaakt heb andere titels geven. Ik dacht destijds: Sneeuwwitje dat is een perfecte titel, daar wil iedereen met zijn kind naartoe want je weet wat het is. En dat is zo, maar het heeft mij in de theaterwereld een effect gebracht dat ik totaal niet voorzag. Mensen dachten Floor doet sprookjes, dat is stoffig en oubollig. Terwijl wij altijd hele nieuwe frisse bewerkingen hebben gedaan.’

Verbrugge is in die tijd ook wel verweten moralistisch te zijn, maar daar heeft zij zich altijd heftig tegen verzet. ‘Er is een enorm verschil tussen het aanroeren van morele vraagstukken en moralistisch zijn. Het eerste: ja, dat wil ik. Het tweede doe ik volgens mij niet. Mijn voorstellingen zijn altijd een poging om de knoop van gedachten en gevoelens rondom zo’n moreel thema te ontrafelen. Om te begrijpen waar de heftige emoties vandaan komen, welke gedachten die emoties voeden. En welke emoties de gedachten voeden.’

‘Daarom houd ik van personages die met elkaar botsen. Die personages moeten dan zo gespeeld worden dat je met iedereen meeleeft, dat iedereen je uitnodigt om je mee te identificeren, ook al staan ze onderling recht tegenover elkaar. Juist omdat ze recht tegenover elkaar staan. Zodat jij in het publiek merkt dat al die verschillende visies op de werkelijkheid in jou zitten, dat er geen eenduidigheid bestaat, zelfs niet in jouzelf. Ik vind het mooi om te zien hoe acteurs hun personages spelen, een ander dan degene die zij zelf zijn. Natuurlijk speel je altijd voor een deel jezelf. Je kan alleen maar laten zien hoe iets voelt, hoe iets werkt in een mens, als je zelf weet hoe het werkt en hoe het voelt. Maar juist omdat je een ander speelt dan je zelf bent,  heb je net  genoeg afstand om met mededogen te laten zien hoe het werkt in iemands hart en hoofd.’

Verbrugge wil kinderen en ouders altijd vertellen dat veel dingen simpel lijken maar het niet zijn.  ‘In die zin ben ik echt een missionaris. Ik vind ook dat in de tijd waarin we nu leven het nodiger is dan ooit om iedereen er voortdurend aan te herinneren dat een verhaal altijd twee kanten heeft. Minstens. Zo niet zesendertig. Dat wil ik in al mijn voorstellingen laten zien.’

‘Ik zal nooit vergeten dat tijdens Kogelvrij glas (1999) halverwege de voorstelling een jongetje zei: o nou weet nog niet wie de goeien en wie de slechten zijn. Toen dacht ik yes, mission accomplished. Dat is echt mijn doel. Je moet niet op het toneel de vraag oplossen wie de goeden en de slechten zijn, dat moet in de zaal gebeuren. Je moet dat dilemma in het hoofd van het publiek stoppen. Vertellen dit is goed en dit verkeerd, dat is moralistisch. Als je dat wilt, moet je een pamflet schrijven, dat is het medium om waarheden te verkondigen. Theater is het medium om te verkondigen dat alles heel complex ligt.’

Trailers
Hoewel Verbrugge ook meerdere voorstellingen voor de grote zaal geeft gemaakt, hebben haar ambities nooit daar gelegen. ‘Ik heb het altijd te veel zwembad gevonden. Al die kleine kinderen in die enorme ruimte. Ik zeg niet dat het niet kan, er worden fantastische voorstellingen voor de grote zaal gemaakt, maar ik vind het zelf minder interessant. Ik ga vaak mee naar mijn eigen voorstellingen, keer op keer. Daar leer je ontzettend veel van. Zien hoe de voorstelling die je van haver tot gort kent, aankomt bij de kinderen. In de grote zaal heb ik zelf te vaak gedacht: als ik nu een beetje achterin zit, dan is het fysiek gewoon te ver weg.’ Een wens om ook voorstellingen voor volwassenen te regisseren heeft Verbrugge evenmin. ‘Het jeugdtheater dat ik maak is ook voor volwassenen. Ik houd  bovendien heel erg van het kleine, van de speellokalen, van de trailervoorstellingen.

Voor de trailervoorstellingen werkt Sonnevanck samen met Toneelgroep Oostpool. ‘Voordat wij samenwerkten met Oostpool, deden wij incidenteel iets voor de brug- en tweede klas, maar het lukte ons productioneel niet om daar een jaarlijks aanbod van te maken. En als je geen jaarlijks aanbod hebt, wordt de verkoop heel lastig. Door de samenwerking met Oostpool doen wij nu twee producties per jaar, een 12+, een 14+. Dat betekent dat wij jongeren als publieksgroep  er bij hebben gekregen en dat vind ik een enorme verrijking.’

De vraag naar de trailervoorstellingen door scholen is inmiddels groter dan het aantal voorstellingen dat Sonnevanck en Oostpool kunnen realiseren. Complexe verhalen en gevoelige onderwerpen worden daarbij absoluut niet vermeden. Seksualiteit en gender staan centraal in het genoemde Princess, maar ook in Bromance (2016) en Gender (2017). It’s my mouth I can say what I want to (2017) en De witte kamer (2019) behandelen vooroordelen en alledaags racisme. KIDS (2018) focust op verveling, experimenteren en opzoeken van eigen en maatschappelijke grenzen, en het aangrijpende GAME OVER (2019) is een transparante voorstelling over zelfdoding onder jongeren. Stuk voor stuk voorstellingen die – mede door nabijheid van de spelers – naar de strot grijpen. ‘De kinderen zitten als het ware met hun knieën op het toneel. Het is ook een besloten bak en dat heeft van zichzelf al iets broeierigs.’

Regelmatig wordt aan Verbrugge gevraagd waarom de trailervoorstellingen voor jongeren zo anders zijn dan die voor kinderen. Haar antwoord is eenvoudig: ‘Omdat het kinderen en jongeren zijn. Als je zelf kinderen hebt, maak je dat ook mee. Tot en met groep acht heb je een kind en dan gaat het naar de middelbare school en dan blijk je in de herfstvakantie opeens een heel ander kind te hebben, met een heel ander kapsel, hele andere kleren en hele andere manieren om jou te benaderen. Kinderen tot tien willen in principe wel mee met een verhaal, daarna willen ze gewoon de harde realiteit. Die willen zeker dat het over nu en hier gaat. Bij pubers is het belangrijk dat ze voelen dat wat ze zien een directe band heeft met hun eigen leven. Maar dat wil niet zeggen dat je voor pubers geen sprookjes kunt vertellen. Er zijn volksstammen dol op fantasy, maar ook dat grijpt altijd terug op iets wat ze heel erg herkennen.’ Een ander type acteurs vergt de trailer niet. ‘Het vergt goede acteurs, allebei. Er zijn geen spelers waarvan ik denk: die zou ik wel voor een kindervoorstelling  vragen, maar niet voor jongeren of omgekeerd.’

Erkenning
Het Nederlands jeugdtheater wordt internationaal geroemd en voorstellingen van onder andere Het Filiaal, Maas Theater en Dans en Artemis reizen de hele wereld rond. Terecht, vindt Verbrugge. ‘Ik heb een tijd ook heel veel in Duitsland gedaan en kende het Duitse aanbod redelijk goed. Het Nederlands jeugdtheater is, nog steeds, brutaler. Het durft meer buiten de lijntjes te kleuren. Ik denk dat dit voor een deel ook te maken heeft met onze botheid en met onze weerzin tegen traditie.’

Tegelijkertijd is het zo, dat ondanks alle waardering, de aandacht voor jeugdtheater in de media achterblijft. ‘Ik wil daar niet dramatisch over doen. Ja, het is bij wijze van spreken vechten om een bespreking in de landelijke dagbladen te krijgen. Dat ligt echt niet aan de journalisten, die willen wel, maar er is maar beperkt ruimte en theater voor volwassenen trekt nou eenmaal meer de aandacht. Aan de andere kant spelen we natuurlijk ontzettend veel op scholen en zijn we daardoor ook veel minder zichtbaar.’

Van verschillende kanten, onder andere door de Raad voor Cultuur, is bepleit het grote verschil in subsidiebedragen voor regulier en jeugdtheater te verkleinen, maar ook in het volgende kunstenplan zal dat niet veranderen. Verbrugge betreurt dit. ‘Het is wonderlijk dat waar wij voorstellingen maken met een bepaald aantal mensen op een bepaald aantal vierkante meters, volwassentheater met precies hetzelfde aantal mensen op diezelfde vierkante meters veel meer subsidiegeld krijgt.’

Toch heeft Verbrugge het gevoel dat het jeugdtheater in het geheel nog altijd in de lift zit, dat het steeds beter gaat en zij meer gezien en gerespecteerd worden. ‘Heel veel spelers én regisseurs werken,  nu meer dan twintig, vijfentwintig jaar geleden, met ontzettend veel plezier afwisselend in het volwassen- en jeugdtheater. Vroeger zal je als regisseur min of meer opgesloten in het jeugdtheater; als je daar eenmaal in zat, kwam je er ook niet meer uit. Dat is nu niet meer zo.’

Als een sector meer aanzien krijgt, willen meer mannen daar ook werken. Dat lijkt het geval in het jeugdtheater nu  Liesbeth Coltof bij De Toneelmakerij is opgevolgd door Paul Knieriem, René Geerlings Moniek Merkx opvolgt bij Maas en Van Klaveren Verbrugge bij Sonnevanck. Maar die vlieger gaat volgens Verbrugge niet helemaal op. ‘Het niet zo dat er nu opeens allemaal mannen jeugdtheater willen maken. Sterker: er zijn lange periodes geweest dat Liesbeth, Monique Corvers en ik juist de enige vrouwen waren.’

Wandelende grabbelton
Van spelers, regisseurs en musici hoort Verbrugge vaak dat ze het heel fijn vinden bij Sonnevanck. ‘Mensen komen graag terug. Daar zit een bedrijfsmatige component aan. De invoering van de Fair Practice Code is prima, dat doen wij altijd al en daar zijn we trots op. Maar er zit ook een artistieke component aan en ik vind het fantastisch om als artistiek leider inmiddels ervaren te zijn. Als jij als nieuwe gastregisseur bij Sonnevanck binnenkomt, dan weet ik natuurlijk dat als ik aan jou vraag wat wil je doen, met welke spelers wil je gaan werken, welk verhaal wil je vertellen, wie gaat het schrijven, jij denkt: mens, get off my back, dit is mijn voorstelling! Ik ben steeds bedrevener in te laten merken dat ik graag wil dat gastregisseurs hun eigen voorstelling maken. Niet: je moet op deze manier doen, want anders vind ik het niet goed. Dat had ik dan al eerder had moeten doen; ik ben heel zorgvuldig in wie ik vraag. Ik hoop altijd dat ik als een soort wandelende grabbelton aan ervaring makers suggesties kan doen.’

Die rust heeft Verbrugge ook als regisseur. ‘Ik denk dat ik zo langzamerhand wel echt goed ben in het echt met elkaar laten vervloeien van disciplines, van acteren en muziek maken, met zowel zingende acteurs als acterende zangers. Dat is heel technisch werk waar ik ontzetten van geniet. Maar soms is die zekerheid opeens ook weer even helemaal weg en denk je ik kan het niet, ik kan het niet, wie zei dat ik het kon?! Dat gaat nooit over.’

Echt mislukt noemt zij geen van haar voorstellingen. ‘Als iets mislukt, dan haal je het weg, dan ga je het niet spelen. Dat hebben wij nog nooit gedaan. Maar ik heb in 2000 de voorstelling Geld gemaakt. Ik had de acteurs gevraagd om nachtmerries van faalangst en ambitie in beeldende improvisaties neer te zetten. Ik vond die voorstelling zelf heel erg goed gelukt, maar hij was verkocht vanaf acht jaar en bij die voorstelling heb ik met harde hand geleerd dat de kinderen van groep zeven en acht daar geen behoefte aan hadden.’ Lachend: ‘Misschien was dat eigenlijk wel mijn voorstelling voor volwassenen.’

foto Agnes Booijink