Na de stopzetting van de subsidiëring van productiehuizen voor theater en dans in 2013 viel er een groot gat op het gebied van talentontwikkeling en -ondersteuning in de podiumkunsten. Daarop ontstonden er nieuwe initiatieven waarin talentontwikkeling door verschillende instellingen als netwerk wordt ingevuld. Theatermaker spreekt betrokkenen bij Station Noord in Groningen.

Binnen Station Noord hebben veertien gezelschappen, podia en festivals zich verenigd om samen de jonge makers in de drie noordelijke provincies te ondersteunen. Omdat middelen hier sowieso al schaars zijn, wordt er van oudsher al samengewerkt bij het stimuleren van jong podiumkunsttalent. Grand Theatre werkte structureel samen met noordelijke instellingen als het NNT, Tryater, NNO en De Citadel. Toen door de bezuinigingen in het seizoen 2014-2015 het Grand sloot, kwam er een einde aan de productiehuisfunctie en vielen er gaten in de keten.

Bij de doorstart van het Grand Theatre – nu bijna drie jaar geleden – werd Station Noord opgezet. De structuur strekt zich over de drie provincies uit, en ontwikkelde zich in korte tijd tot een eigentijdse hub waar jonge makers zich niet alleen kunnen bekwamen in het maken, maar ook in het produceren en organiseren van hun artistieke werk binnen de huidige context van het noordelijke veld. Het leren samenwerken, ook met maatschappelijke partners, is in de trajecten dan ook een kernelement.

Niek vom Bruch, directeur van Grand Theatre: ‘Ik ben er trots op dat wij vanuit de organisaties hebben gezegd: het moet doorgaan. Want in het Noorden kan niemand in z’n eentje op een goede manier talentontwikkeling organiseren. Oerol heeft een atelier, NNT en PeerGrouP hebben altijd wel nieuwe makers onder zich, maar daartussen ligt een heel gebied waar eigenlijk niemand iets deed.

Bij de doorstart vonden we vrij snel de noordelijke overheden als partners. Zij waren ook zelf al bezig met een samenwerkingsverband, wat uitmondde in We The North als cultureel regioprofiel. Zij hebben ons idee omarmd en toen kwam er ook geld van hen.We wilden geen verplichting om bepaalde aantallen speelbeurten af te leveren en ook geen eis van zoveel in Drenthe, zoveel in Friesland, zoveel in Groningen. Daar hebben we hard tegen gestreden in het begin. Wij zijn een bottom-up initiatief, je kunt ons niet top-down allerlei beleidsdoelen opleggen.’

Mark Fischer, coördinator van Station Noord: ‘Wat we bereikt hebben na twee jaar: er staan echt weer makers die hier in het Noorden werkzaam zijn, er zijn al mooie projecten uit voortgekomen. Er komen hier weer kansen voor autonome beginnende makers, en voor allerlei beginnende mensen daar omheen, bijvoorbeeld producenten zoals ik.’

Is er een vast traject waar makers bij jullie in terechtkomen?
Marianne Hoekstra, zakelijk leider a.i. van PeerGrouP: ‘In de oude vorm bood die noordelijke talentontwikkeling makers een jaartraject met vaste afspraken: eerst zoveel tijd bij dit gezelschap, dan zoveel tijd op een andere plek en tenslotte een eigen eindvoorstelling in het Grand.

De gedachte was indertijd: wij moeten zorgen dat die maker hier of daar komt te spelen. Nu is dat echt andersom. Een maker komt zelf met een vraag of een wens: hier wil ik aan werken de komende periode, of dit is waar ik heen wil, kunnen jullie mij daarbij helpen?’

Fischer van Station Noord: ‘Daaromheen geven wij een traject vorm met telkens verschillende partners. Minimaal drie, maar het mogen er ook meer zijn. We prikkelen wel, en kijken waar een maker terecht kan met welk deel van de vraag, wat hij of zij aan coaching en begeleiding nodig heeft. Maar het is aan de maker zelf om naar partners toe te stappen en te zeggen: ik denk dat jij hierbij past, wil je meedoen?’

Vom Bruch (Grand Theatre): ‘We hadden bijvoorbeeld een maker die na een project vroeg: ‘Oké, welk project kan ik nu voor jullie gaan doen?’ Toen zeiden wij: ‘Als je nu geen vraag of project meer formuleert, is er geen vervolg.’ Dat was echt een clash in het denken voor die maker. En dat vind ik ook de kracht van Station Noord, het is best hard. Als je de kar zelf niet trekt gebeurt er niks. Maar zodra je dat wel doet, mag je zoveel risico nemen als je wil.’

Agnese Fiocchi, creatief producent van het jonge gezelschap Teddy’s Last Ride: ‘Tot nu toe werkt dit voor ons heel fijn, de deur staat altijd open. De instellingen zien je graag groeien, dat vind ik bijzonder. Het helpt dat je je gesteund voelt, maar ook dat iemand soms zegt dat er de volgende keer wel een tandje bij moet. Je moet leren jezelf binnen een realistische omgeving te zien.’

Fischer: ‘We creëren een vertrouwde maar kritische omgeving. Wij beginnen open aan zo’n traject, op basis van vertrouwen in artistieke, zakelijke en persoonlijke kwaliteit. Die manier van werken creëert mogelijkheden om niet meteen in resultaten te denken, het levert flexibiliteit op. Ook als het gaat om budgetten. Er is altijd per maker een startbedrag, maar pas gaandeweg wordt helder wat het traject eigenlijk nodig heeft. Het is ontwikkelgeld, maar voor projecten is er altijd aanvullend productiegeld nodig. Of het nu van coproducenten komt, of van fondsen, er moet altijd geld bij.’

Hoekstra: ‘Die open structuur maakt ook dat de makers uiteindelijk beter toegerust zijn voor datgene waar ze naartoe werken. Over het algemeen zijn het geen makers die als droom hebben om bij dit of dat gezelschap terecht te komen, ze zijn autonoom. Zij gaan zelf hun eigen structuur neerzetten. Dus moet je vanaf aanvang die heel basale vragen stellen.’

Vom Bruch: ‘Ze moeten toch leren – of nou ja, dat klinkt wel heel schools, maar toch – dat er zeker in het Noorden echt weinig geld is, en heel weinig plekken waar je wat kunt doen. Dus moet je heel veel partners zoeken, maatschappelijk én cultureel. Want in je eentje krijg je niks van de grond. En dat is een andere manier van werken dan in Amsterdam waar je naar het AFK kunt bijvoorbeeld.’

Help je makers om hun eigen productiestructuur te vormen?
Fischer: ‘We werken met een pool van jonge producers, de Mad Hatters. Dat is een ontwikkeltraject op zichzelf. We proberen hen te koppelen aan makers binnen Station Noord, zodat ook de organisatiekant kan groeien. Voor veel makers werkt dit heel goed, en ontstaan er nu al teams en duo’s. Dit is ook echt een doel op zich, om te zorgen dat er hier meer producenten komen.’

Fiocchi: ‘Ikzelf heb een carrièreswitch gemaakt. Eerst danste ik en toen besloot ik me in die wereld van excelschema’s te storten. Ik overwoog daar een opleiding voor te volgen, maar als je dat doet, stap je uit je netwerk. Door het producentschap binnen het netwerk te leren, heb je als voordeel dat je je nieuwe vaardigheden eigen maakt en ondertussen door kan gaan met je praktijk. Met de Mad Hatters spreken we elke paar weken af, bespreken onze casussen en leggen elkaar vraagstukken voor, en daarnaast hebben we heidagen waarop we mensen uit het veld uitnodigen om hun kennis met ons te delen, en soms gaan we op werkbezoek, bijvoorbeeld naar festivals.’

Hoe zit het met de doorstroming? Zijn jullie makers al klaar om uit te vliegen, ligt er een kansrijk werkveld voor ze?
Fischer: ‘Dat is een belangrijke kwestie. Nu, in het derde jaar, staan we op een punt waarop we zien dat makers klaar zijn om een stap te zetten, maar er is eigenlijk niets om naartoe te gaan. Dus is de vraag: hoe bereiden we ze hierop voor en wat kunnen wij hieraan doen?’

Vom Bruch: ‘We storten uitstromende makers eigenlijk in een situatie van survival of the fittest: en nu rennen maar! Terwijl we weten dat het heel moeilijk, zo niet onmogelijk is om hun projecten gefinancierd te krijgen. Met geld uit de regio krijg je hooguit 10 duizend euro, dan nog wat private fondsen erbij, dan kom je misschien op het dubbele. Maar daarmee financier je geen project.

Een probleem met de doorontwikkeling is ook dat noordelijke makers onvoldoende zichtbaar zijn om kans te maken bij het Fonds Podiumkunsten. Dat zien we ook aan de statistieken: één op de vijf aanvragen uit het Noorden bij het Fonds wordt gehonoreerd, tegen één op de drie uit de rest van het land. Daarom is het nodig om Grand Theatre terug in de Basisinfrastructuur te krijgen, voor productiegeld na die eerste fase. Nu lukt die doorstroming niet of nauwelijks. Als we makers blijven begeleiden naar de leegte, kunnen we daar beter mee ophouden. Er zijn wel mogelijkheden, zoals festivals waar nieuwe productiemogelijkheden ontstaan, maar lokale overheden moeten veel meer investeren en er is meer rijksgeld voor nodig.’

Hoekstra: ‘Het advies van de Raad voor Cultuur noemt een voorziening die rekening houdt met spreiding, maar die zie je niet terugkomen in de plannen van de minister. Er komt voor theater juist een flinke korting op het Fonds Podiumkunsten. Er is nog veel mis met het systeem.’

En Fair Practice wordt subsidievoorwaarde; kun je daaraan voldoen?
Fischer: ‘Het kan, maar het is een lastige spreidstand, je wil iets mogelijk maken maar als je daar niet voor kan betalen – moet je dan nee zeggen? Als je Fair Practice Code strikt volgt mag je een groep die zichzelf niet betaalt niet eens een repetitieruimte geven.’

Hoekstra: ‘Dat is ook een belangrijk gesprek met makers, dat je die vragen stelt – als je het zo gaat doen, waar ga je dan van leven? Het is een mooie bijvangst: we werken aan talentontwikkeling, aan het artistieke klimaat van het Noorden, maar we zijn ook vooral veel met elkaar in gesprek. We leren van elkaar, maken gebruik van elkaar en voeren onderling een goed artistiek gesprek. Het is fijn dat er ook onderling verrassende verbanden ontstaan. Zo werkt het twee kanten op: jonge makers leren van ons en wij leren van het werken met hen.’

Foto: Thirst van Teddy’s last ride, Lex Vesseur