Jarenlang heb ik erover gezwegen. Ik wilde niet horkerig lijken te midden van al die positieve gesprekken over verbinding en gezamenlijkheid – begrippen met inmiddels een haast heilige bijklank. Daar blijf je liever vanaf.

Evenzogoed ben ik nu best blij dat ik het hier na al die tijd even kwijt kan: ik vind theater-met-eten verschrikkelijk. Laat niemand zich er iets van aantrekken, voor mij is het bijna reden om af te haken. Al is de voorstelling de mooiste en belangwekkendste van het seizoen, één die je niet gemist mag hebben, uitverkoren en genomineerd: ik wil liever niet. Eten. Niet daar. Niet tijdens de scènes of er tussendoor, aan lange tafels met een polsbandje om waaruit meteen mag blijken dat je hebt betaald voor het gebodene.

Nee. Driewerf nee tegen de trend van theater als totaalbeleving met koffie, lunch, diner. Ik ben dol op theatermarathons, het kan me niet lang genoeg duren, maar laat dat riekende gewriemel in de pauze toch in ’s hemelsnaam niet aan de orde zijn. Daarvoor zijn we hier toch niet? En nee, geen geklets tussendoor over iets wat nog helemaal niet is af-gezien, laat staan ‘verteerd’ – alsjeblieft.

Ik voelde dat niet altijd zo heftig. Ik herinner me het drieluik Marius, Fanny en César van De Onderneming (het latere Comp. Marius), een matinee op locatie in de haven van Gent. De slimme tribune was door de spelers zelf ontwikkeld, we kregen zonnebrillen om op te zetten zodra het avond werd bij Marcel Pagnol, en op een bepaald moment kwamen de Vlamingen met wat ik mij herinner als door henzelf gesmeerde ‘boerenboterhammen’. Ik was volmaakt gelukkig. Hetzelfde gebeurde later nog eens bij ‘t Barre Land, in Frascati. We hadden een waanzinnige avond met Elias Canetti, het werd laat, en daar stonden spelers met witte puntjes met worst. Wat lief vond ik dat.

Maar langzaamaan werd het steeds gangbaarder (en meer een verkoopding). En zo begon de frisse tegenzin denk ik met Tantalusvan De Appel. Om elf uur ’s morgens het Appeltheater in, rond elf uur ’s avonds er weer uit. Grieks epos, grootse kostuums, niks mis mee, maar al dat getafel. Het gedoe om een plek (ach, Heleen kan er net niet meer bij aan deze kant!), de moeizame conversatie, twee behulpzame collega’s met een pan soep. Voor de zieltogende Appel werd het experiment redding en zelfs selling point.

Alleen was het al snel niet meer uniek.

Theaterkok André Amaro zag ik voor het eerst bij Het Zuidelijk Toneel – leuk met die bandana – maar daarna was hij opeens overal, zelfs naast Jeroen Willems en Paul Koek. All inclusive zou er gegeten worden tussen de tulpen, op het Almeerse stadslandgoed van Suburbia (oké, vóór de voorstelling, dus daar kon je nog onderuit), in een Zaanse cacaoloods (inderdaad, veel chocola), aan zee tijdens Genesis, en natuurlijk bij Borgen, waar de lunchboxen door de rijen gingen en de acteurs even inhielden om speels wat met de zaal te communiceren. Gezellig, zei mijn buurvrouw op rechts. Nou, reuze.

Tja, wat is er nu zo erg aan? Natuurlijk heeft het te maken met mijn eenkennigheid. Ik kan niet leuk meedoen, ik ben niet van de participatie of het delen van een fysieke ervaring-ter-plekke, al moet ik zonder meer toegeven dat er theatermakers zijn (Dries Verhoeven, Adelheid Roosen) die me iets hebben laten doen waar ik achteraf blij verrast over was. En ik hou heus van de verbondenheid die theater schept, van de gezamenlijke ervaring in de zaal, op het podium, erachter of ervoor en op locatie, in die niet te overtreffen magie van het moment.

Maar precies die wordt wreed verstoord door de banaliteit van een gulzig genuttigde gemeenschappelijke dis. Dus neem mijn portie maar. Ik ga even een luchtje scheppen. Alleen.