Nederland kent een flink aantal MBO theateropleidingen. Onderling verschillen ze enorm. Hoe is zo’n opleiding opgebouwd, op welke manier profileren de verschillende instellingen zich en vooral: waar komen studenten na hun afstuderen terecht?

In 2002 startte Louis Lemaire de eerste MBO theateropleiding in samenwerking met het regionale opleidingencentrum (ROC) in Rotterdam. Hij kon in eerste instantie op behoorlijk wat weerstand rekenen. Niet alleen van de bestaande toneelscholen binnen het HBO, ook de VSCD zette vraagtekens, herinnert Peter van der Linden, teamcoördinator bij de opleiding Artiest | Theater aan het ROC in Tilburg, zich. ‘Die kritiek aan het begin was natuurlijk niet geheel onterecht. Je moet je voorstellen dat er ineens tien scholen met afstudeerklassen bijkwamen, terwijl het voor de bestaande toneelscholen natuurlijk al lastig genoeg was om hun studenten aan het werk te krijgen.’

Met ruim vijftien opleidingen tot acteur en vijf musicalopleidingen zijn de MBO theaterscholen inmiddels niet meer weg te denken uit het beroepsonderwijs. Het verschil in aanpak met de HBO’s zit hem vooral in de didactiek, stelt Anneke Vorselaars, ook werkzaam aan het ROC in Tilburg. ‘De aanpak is concreter. In het HBO stel ik een vraag en in het MBO geef ik het antwoord. Als hier verwarring is, leidt dat tot een bepaalde paniek of onzekerheid, terwijl ik die verwarring in het HBO juist gezond vind. Die instelling is van invloed op je lessen: in het HBO is het leren door te vragen en te bevragen, hier is het leren door te doen.’

‘In het HBO maak je een scène waarbij twee spelers op de vloer staan en de rest er anderhalf uur naar kijkt en er van alles van vindt. Die concentratie heb je in het MBO niet; daar ga je met z’n allen anderhalf uur de vloer op, en proberen we daarna dezelfde conclusies te trekken.’

Opbouw

De MBO theateropleidingen duren drie jaar. Alle MBO studenten krijgen algemeen vormend onderwijs als Nederlands, Engels en rekenen. De opleidingspecifieke structuur valt uiteen in drie delen: een basisdeel, profieldeel en keuzedeel.

Het merendeel van de acteursopleidingen heeft een soortgelijk Basisdeel. In samenwerking met Bureau ICE – een onafhankelijke specialist in toetsing en examinering – hebben vijftien scholen die de opleiding MBO Artiest uitvoeren deze examens gezamenlijk ontwikkeld. Het bestaat uit een viertal onderdelen die aan het eind van de opleiding (of in sommige gevallen al halverwege) met een landelijk vastgesteld examen getoetst worden: Bewijs van Ontwikkeling en Reflectie, Cultureel Ondernemen, Workshop en Artistiek Profiel.

In het Profieldeel staat het vakspecifieke kwalificatiedossier centraal; bij de acteursopleidingen heet dat bijvoorbeeld De Acteur aan het Werk. Dat examen is weer uitgesplitst in drie onderdelen: het maken (en spelen) van een solo of act, het bijwonen van een repetitiefase, het uitvoeren van de voorstelling (naar aanleiding van de repetitiefase en/of de solo).

Het Keuzedeel verschilt per instelling. Dat biedt opleidingen de mogelijkheid om zich te onderscheiden en hun studenten te laten specialiseren in bijvoorbeeld cultureel ondernemen, trainingsacteren, theatervormgeving of podiumteksten schrijven.

Allround

Op de opleiding Artiest | Theater aan het ROC in Tilburg hebben ze leerlijnen in spel, zang en dans. Die lopen door alle drie de leerjaren heen, vertelt Vorselaars. ‘We vinden het belangrijk dat studenten allround opgeleid worden, dat ze niet bang zijn te bewegen of te zingen. Je hoeft helemaal geen topdanser te worden, maar fysiek bewustzijn kun je heel goed trainen met dans – en zeker voor de entertainmentmarkt ben je erg inzetbaar als je een dansje op kan pikken en dat op kwaliteit kan uitvoeren. Hetzelfde geldt voor zang: je hoeft geen solist te worden, maar als je een stevige zanglijn kan volgen in een achtergrondkoor of een stukje solo kan zingen, verhoogt dat de kans op de arbeidsmarkt.’

40 Procent van de opleiding in Tilburg speelt zich af in de praktijk, door middel van stages en externe projecten. Dat is ook om de banden met de regionale beroepspraktijk al stevig aan te halen. ‘We werken bijvoorbeeld uitgebreid samen met de Beekse Bergen. Er zijn daar iedere dag shows en kinderactiviteiten waar onze studenten aan meewerken.’

Zeker 75 procent van de alumni stroomt door naar een HBO (variërend van een theatergerelateerde opleiding, tot aan bijvoorbeeld een PABO of Culturele Maatschappelijke Vorming). Daarnaast gaat er een aantal als zelfstandig beroepsbeoefenaar aan het werk. Een klein gedeelte komt in de entertainmentindustrie terecht.

Doorstroming naar het HBO

Op de Acteur / Theateropleiding aan het Koning Willem I College in Den Bosch zit dat anders – die profileert zich expliciet als vooropleiding voor het HBO. ‘Er zijn weinig studenten die na de opleiding in het vak gaan werken. De meerderheid belandt op een docent-theateropleiding’, vertelt afdelingsleider Raoul Op ’t Hoog. ‘En je ziet ook dat studenten naar opleidingen als de PABO of Creatieve Therapie doorstromen.’ 

De opleiding bestaat uit drie leerlijnen. ‘Allereerst heb je de disciplineleerlijn, dat is waar de studenten echt voor komen.’ Daarin zitten natuurlijk spel- en maaklessen ­– waarbij behoorlijk wordt ingezet op samenwerken en multidisciplinaire projecten – maar ook flink wat theatertheorie, juist om die doorstroming te bevorderen. ‘We willen ze theoretische bagage meegeven om straks een HBO aan te kunnen. Denk bijvoorbeeld aan theatergeschiedenis, het analyseren van een voorstelling of het uitwerken van een concept.’

Daarnaast is er een persoonlijke leerlijn met vakken als communicatie en studieloopbaanbegeleiding, en is er het algemeen vormend onderwijs, met de vakken die het MBO landelijk verplicht.

De stages lopen via een bijzondere constructie: via een impresariaat van het Koning Willem I College, dat daarvoor samenwerkt met E5Cultplein, een organisatie die culturele activiteiten voor het college organiseert en daarbij nauw samenwerkt met regionale partners. Daar komen aanvragen binnen van instellingen als de GGD, als die bijvoorbeeld een educatieve voorstelling wil over seksualiteit of verslaving, zegt Op ’t Hoog. ‘En dan gaan de studenten in gesprek met die instellingen en maken ze in een groep zo’n voorstelling. Uit die stages komen vrijwel altijd voorstellingen met een maatschappelijke relevantie. Juist ook om te leren hoe je dat op een interessante, artistieke manier kan overbrengen.’

Makende spelers, spelende makers

In tegenstelling tot de opleiding in Den Bosch, worden de studenten op de opleiding Theater aan het Pact+ in Amsterdam niet alleen voor het HBO onderwijs, maar ook voor het werkveld opgeleid. Studenten worden echt getraind als makende spelers of spelende makers. Docent Annette de Ruiter: ‘Een acteur wordt in het werkveld tegenwoordig steeds meer aangesproken op zijn makende kwaliteiten. We vinden het belangrijk dat ze niet alleen maar aanwijzingen van een regisseur op kunnen volgen, maar zichzelf in zo’n makend proces echt kunnen redden.’

De opleiding onderhoudt nauwe banden met zowel het werkveld als de verschillende HBO opleidingen in het land. Doordat er een relatief klein team aan vaste docenten is, is er veel ruimte om te werken met gastdocenten: theatermakers uit het veld en samenwerkingsverbanden vanuit de HBO’s, bijvoorbeeld de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

Ondanks dat de opleiding zich niet per definitie als vooropleiding profileert zoals in Den Bosch, is die doorstroming wel vaak de realiteit, stelt De Ruiter. Een groot deel van de alumni gaat door naar een HBO. Om een goede aansluiting van MBO naar HBO te ondersteunen, worden er ook vakken als dramaturgie en theateroriëntatie aangeboden.

Bovendien zijn de studenten een substantieel deel van de opleiding in het werkveld aan de slag, oplopend van tweehonderd uur in het eerste jaar, vierhonderd uur in het tweede jaar tot zeshonderd in het afstudeerjaar. De banden met het regionale culturele veld, met name op Amsterdam gericht, zijn daarin stevig ingebed. ‘We werken veel samen met Theater Na de Dam, DEGASTEN en de Tolhuistuin. Er zitten er ook tussen die bij animatieteams belanden, maar dan moeten ze daarbinnen wel daadwerkelijk een voorstelling spelen.’

Het examen waarin ze een eigen act moeten maken, onderdeel van het Profieldeel De Acteur aan het Werk, valt weer uiteen in drie onderdelen. ‘Het eerste is dat je een regieconcept schrijft, het tweede is dat je dat concept pitcht en het laatste is dat je die solo daadwerkelijk maakt en uitvoert voor publiek. Al die onderdelen worden geëxamineerd door de programmeur van Frascati, Kiki Rosingh.’

‘Onze insteek is: ga ontdekken of je verder wilt in dit vakgebied,’ licht Son Koper, artistiek leider van de opleiding, toe. ‘Wij zijn géén HBO toneelopleiding en die pretentie hebben we ook helemaal niet.’ Een belangrijk deel van de opleiding bestaat natuurlijk ook uit de algemene vormende vakken – dat is een groot verschil met de HBO’s. ‘Er wordt niet alleen maar toneelgespeeld of theater gemaakt – die specialisatie is HBO niveau en daar moeten wij van afblijven.’

‘Het is pure bildung. En daarvoor, voor je ontwikkeling als mens, is een theateropleiding natuurlijk een uitgelezen opleiding. En sommigen komen erachter dat ze helemaal niet naar een HBO willen, die vinden een segment van het werkveld bijzonder: een vaste aanstelling bij de The Amsterdam Dungeon bijvoorbeeld, of bij 1,2..8 Entertainment. Dat is prima.’

Het grote verschil met studenten van de HBO’s zit hem volgens Koper niet zo zeer in de intelligentie, maar in de leeftijd. ‘We zijn heel erg bezig met afspraken nakomen. Studenten zijn meestal 16 of 17 als ze komen. We hebben te maken met echte pubers, dus we proberen ze te leren dat ze iets sneller door dat puberale gedrag van ze, waar ze natuurlijk ook recht op hebben, heen moeten als ze naar dat HBO willen.’

Internationaal georiënteerd

‘Als je het over musical hebt, is de kern natuurlijk zang, dans en spel’, zegt Jan Willem Hoekstra van de opleiding Musical Artist aan het DAPA in Den Haag. Dus daar worden studenten drie jaar lang getraind in al die disciplines, in allerlei variaties. ‘Denk aan privézanglessen, maar ook zanginterpretatie en koor. We hebben verschillende dansvakken zoals song and dance, jazz, ballet, musicaldans. Bij drama hetzelfde: we bieden allerlei varianten op het vak.’

‘Al die vakken zitten in de eerste drie periodes. En elke vierde periode, de laatste tien weken van het schooljaar, hebben we de eindvoorstellingenperiode. Die geldt voor alle drie de leerjaren en bestaat puur uit repeteren en een voorstelling maken.’

Halverwege wordt er in de opleiding een scheiding gemaakt. De opleiding splitst zich in een muziektheaterkant en een musicalkant – deels eigen keuze van de student, deels op advies van de docenten. ‘Sommigen zijn als ze hier aankomen gek op producties als Beauty and the Beast, maar komen er gaandeweg achter dat dat hele afgeregisseerde toch niet hun ding is. Dat ze het leuker vinden om hun eigen vorm aan iets te geven, en misschien een meer Orkater-achtige richting op te gaan.’

Meer nog dan bij de andere ROC’s is het praktijkgedeelte van deze opleiding landelijk georiënteerd. ‘De stages bevinden zich veel in de evenementenindustrie. We werken met veel grote partners samen, bijvoorbeeld met de landelijke Uitmarkt, waarvoor we het Sing-a-Long koor leveren. We doen veel met Dechesne & Boertje, een van de grotere marketing- en evenementenbureaus in Nederland. Bijna altijd als zij een opening voor een bedrijfsfeest of een lancering van een product organiseren, vragen ze ons om de show te ontwikkelen. Dat doen we dan samen met ons partnerbedrijf, NME events – dat is een evenementenbureau én een erkend leerbedrijf. Zo kunnen onze studenten stagelopen in die grote setting en komen ze van Ahoy tot Carré.’

Belangrijk speerpunt van de opleiding is de internationale oriëntatie. ‘We gaan ieder jaar minimaal een week met de hele school naar het buitenland. Dat is een hele intensieve studiereis, variërend van werken met castingdirectors aldaar tot het bezoeken van theaters. Duitsland is bijvoorbeeld een grote werkgever voor Nederlandse artiesten. Afgelopen jaar zijn we naar Hamburg gegaan. Daar zijn we onder meer naar de school van Stage Entertainment geweest, maar ook naar het hoofdkantoor van AIDA cruises.’

Fysiek performer

Richard Molenschot is curriculumleider van de Academie voor Circus- en Theaterperformance aan het ROC Midden Nederland in Utrecht. De opleiding is anderhalf jaar geleden opgericht en heeft dus nog geen alumni. Hij weet dus nog niet wat de afzetmarkt wordt, maar hoopt op veel doorstroming. ‘Daar is de opleiding wel op gebouwd. Je hebt twee circusartiestenopleidingen in het HBO, in Tilburg en Rotterdam, het zou mooi zijn als een deel van de studenten daarheen gaat. En we gokken een beetje op opleidingen zoals de mime in Amsterdam, omdat we een heel fysieke spelopleiding zijn.’

‘Ze krijgen bij ons zowel circus als acteren. Onder circus vallen vakken als acrobatiek, freerunning, clownerie en algemene circusvakken zoals trapeze en jongleren. In het acteerdeel zit veel mime, maar ook poppenspel en maskerspel, kortom: alle fysieke speelstijlen komen langs. De combinatie van beide vakken maakt dat de studenten tot veelzijdig fysiek performer worden opgeleid.’

‘Uiteindelijk is de markt voor een MBO artiest niet de allerbeste markt die er is’, erkent hij. ‘Daar moet je reëel over zijn. Als je werk zoekt direct na je MBO, moet je denken aan instellingen als 1,2..8, een entertainmentbedrijf dat gaat over sinterklaasoptochten of winkelcentra die je inhuren voor acts. Je kan ook zelf acts maken en die in de markt zetten, daar is in het festivalcircuit veel vraag naar. Er is werk, maar je moet er hard voor vechten.’

Doorstromen naar het HBO kunstvakonderwijs vergroot je kansen aanzienlijk, stelt hij. ‘Daar maken wij onze studenten vanaf de auditie bewust van. Maar ondanks de schaarste op de markt, helpen wij de student om een zo groot mogelijk deel van zijn droom te verwezenlijken.’

 

foto Raoul Op ’t Hoog, infographic Herman van Bostelen