Een gelukkige jeugd is de grootste leugen die er bestaat, zo luidde de overtuiging van Suzanne van Lohuizen. De toneelstukken die ze schreef, waren altijd een handreiking aan het kind in gevecht met de wereld om zich heen.

Een dierbaar beeld: zomer 2014. Suzanne zit op een krukje tussen wild bloeiend onkruid op de helling van de tuin van haar schrijvershuis in Piemonte. Ik ben haar eerste gast en schrijf de hele dag in haar bibliotheek. Suzanne lijdt sinds korte tijd aan onverklaarbare klachten, vermoeidheid, geheugenverlies en een bijna totaal gebrek aan daadkracht. Die middag trekt ze stengels onkruid uit, in een onuitstaanbaar traag tempo, maar haar enthousiasme over de droom van de moestuin die daar ooit moet verrijzen, is groot. Dat enthousiasme, tegen de klippen op, dat was Suzanne.

Op 5 januari 2019 stierf ze aan wat pas na haar dood herkend zou worden als een auto-immuunziekte (GPA) die vreemd genoeg vooral haar hersenen aantastte. Ze laat een veelzijdig oeuvre na.

Suzanne van Lohuizen begon als actrice bij Proloog, was betrokken bij de ontwikkeling van het vrouwentheater in de jaren zeventig en werd in de jaren tachtig gevraagd een stuk voor kinderen te schrijven. Vanaf dat moment was dat wat ze deed. Totdat ze niet meer kon.

Het ging haar nooit makkelijk af. ‘Het schrijven van een stuk’, zo schrijft ze aan een collega, ‘is een daad die ik op een grote en destructieve zelfcensuur moet bevechten.’ Van die terugkerende worsteling is in het eindresultaat niets te merken. Haar stukken zijn vitaal, muzikaal, geestig, origineel, vol tragiek, zelfspot, ontroering en humor. Elk stuk is anders van vorm, perspectief, van stijl en idioom. Elk stuk schittert van eigenheid.

Altijd kiest Suzanne onvoorwaardelijk voor het kind. ‘Want’, zo zegt ze in 1992 in een interview met Lex Bohlmeijer in ToneelTheatraal, ‘een gelukkige jeugd is de grootste leugen die er bestaat. Zelfs met speeltuinen en liefhebbende ouders. Het gevecht van een kind tegen de wereld om zich heen is een zwaar gevecht. Ik schrijf voor kinderen niet uit zendingsdrang, maar omdat ik me daar nog steeds emotioneel mee verbind. Als handreiking.’

Ze hield werkboeken bij. Intensieve verslagen van wat haar bezighield tijdens het schrijven. Ze onderzoekt daarin de thema’s, de constructie, ze maakt haarscherpe analyses en ze drijft de spot met zichzelf en met die altijd weer aanwezige boosaardige twijfel, de steeds terugkerende vraag: wat heb ik te vertellen? Wie ben ik? En heb ik het recht er te zijn?

Die vragen zijn terug te voeren op haar vroege jeugd, waarin ze het gevoel had anders te zijn dan haar vier zussen en haar broer. Ze leerde op haar zeventiende in een geneticales dat bruine ogen dominant zijn dat wil zeggen dat een kind van twee ouders met blauwe ogen geen bruine ogen kan hebben. Daarna openbaarde haar moeder iets dat Suzanne tot dan toe niet had geweten: dat ze het resultaat was van een kortstondige buitenechtelijke affaire.

In Het huis van het leven schrijft ze:

De vader: Ik had je gezegd de blinddoek niet af te doen.
Frederik: Wat is de straf?
De vader: De straf is alles wat je gezien hebt. De zwarte harten van de mensen. De pijn van de liefde. De wens om te sterven. Dat alles te weten, dat is de straf.
Frederik: Ik ben blij dat ik het weet.

Wij moeten verder zonder die flamboyante, intelligente, chaotische, enthousiaste moeder, vriendin en collega. De schrijfster die langzaam leek te verdwijnen in een verraderlijke mist, is nu voorgoed gegaan. Wat is het jammer dat ze niet meer heeft kunnen schrijven en dat ze niet altijd de erkenning heeft gehad die ze misschien had verdiend. Maar gelukkig hebben we haar stukken nog. En die worden nog veel gespeeld, in binnen- en buitenland.

Ik koester het beeld van haar, op dat krukje in haar schrijversparadijs. Zo vol van en enthousiast over die moestuin die misschien nooit echt zou bestaan, maar die in haar en mijn verbeelding de mooiste moestuin was die je je kon wensen.

Foto: Roel Bogaards

Dossiers

Theaterjaarboek 2018/2019