Het vlakkevloercircuit bevindt zich in een diepe systeemcrisis, concludeerde Theatermaker in een artikel afgelopen juni. Theaters vallen om en er ontstaat een gevaarlijke samenloop van omstandigheden voor de overige theaters en kleine theatergroepen. Als vervolg op de grote lijnen die in juni geschetst werden, zoomen we de komende maanden in op de locale dynamiek in verschillende Nederlandse steden. Deze maand: ’s-Hertogenbosch.

Door Robbert van Heuven en Heske van den Ende, foto Karin Jonkers

Den Bosch is een echte theaterstad. Het telt een van de grootste theaterfestivals van het land (Boulevard), een festival voor jong theatertalent (Cement), een groot jeugdtheatergezelschap (Artemis) en twee uit de kluiten gewassen theaters: Theater aan de Parade, de grote schouwburg aan het pittoreske stadsplein onder de Sint Jan, en de Verkadefabriek, een modern filmhuis/restaurant/theater aan de rand van het centrum met een grote en een kleine theaterzaal. Daarmee beschikt de stad over een interessant palet aan zalen van groot tot klein, al lijkt op dit moment een echte middenzaal te ontbreken van rond de vierhonderd stoelen.

Jeroen Boschjaar

Mede om die redenen besloot de stad, na vijftien jaar wikken en wegen, een nieuw Theater aan de Parade te bouwen en het oude, weinig uitnodigende gebouw uit de jaren zeventig te slopen. Daarmee krijgt het theater meer flexibiliteit om te programmeren. Theater aan de Parade geeft van oudsher al veel ruimte aan festivals, amateurverenigingen en stadsactiviteiten, zoals die rond carnaval. Nu gaat dat nog ten koste van de reguliere programmering. Met een goed geoutilleerde middenzaal kunnen activiteiten beter over het gebouw worden gespreid, zegt de directie. De grote zaal wordt in het nieuwe gebouw niet veel groter dan ze nu al is. Gemeente en theaterdirectie zagen gelukkig in dat de tijd van supersize-schouwburgen voorbij is. Wel wordt het toneel groter, zodat grotere decors makkelijker passen.

De gemeente steekt incidenteel geld in de nieuwbouw; de schouwburg krijgt geen extra programmeringsbudget. Een andere grote, eveneens incidentele investering vanuit de gemeente is die voor het Jeroen Boschjaar. Minstens 8 miljoen euro wordt geïnvesteerd om het vijfhonderdste sterfjaar van de schilder in 2016 heuglijk te vieren. En ten slotte reserveert Den Bosch eenmalig 1,65 miljoen euro om nieuwe cultureel ondernemende initiatieven aan te jagen.

Cultuurfonds

Maar tegenover deze eenmalige feestelijkheden staat een forse afname van de Bossche cultuurbegroting in de afgelopen jaren, van ongeveer 17 miljoen voor de grote cultuurbezuinigingen van 2012 tot 13 miljoen vanaf 2017. Het zichtbaarste slachtoffer in de komende subsidieronde is de Verkadefabriek, die als het aan de gemeente ligt 350.000 euro van haar structurele subsidie van 900.000 euro kwijtraakt. Het geld blijft op de cultuurbegroting staan, als bijdrage aan een op te richten cultuurfonds waarmee kleinere artistieke initiatieven kunnen worden gefinancierd. Ook kan de gemeente zo de festivals een steviger rol geven binnen het kunstenlandschap, omdat ze, volgens de gemeente, een steeds belangrijker rol spelen in het samenbrengen van kunst en publiek.

De Verkadefabriek kan die drieënhalve ton korting best dragen, denkt de gemeente. Op een jaarlijkse omzet van 3,5 miljoen is het een fors bedrag, maar niet gigantisch. Maar wordt de Verkadefabriek niet gestraft voor haar eigen succes? Sinds de oude koekjesfabriek in 2002 een culturele bestemming kreeg timmert het podium flink aan de weg. De Verkadefabriek heeft een winstgevende horecapoot, exploiteert haar eigen parkeerterrein en overweegt ook een hotelfunctie. Met de winst die de organisatie daarmee maakt, wordt een deel van de artistieke kernfunctie betaald. Dezelfde winst is de reden waarom de gemeente zich afvraagt of er dan wel zo veel subsidie nodig is. Vanuit de politiek een begrijpelijke legitimiteitsvraag, maar voor de Verkadefabriek een bevestiging van het inzicht dat overheidssubsidie inmiddels een vorm van bedrijfsrisico geworden is. Het theater zoekt een model met een beter gespreide – en dus stabielere – mix van inkomsten, waarin bedrijfsleven en particulieren een grote rol spelen.

Lokale ondersteuning

Door de Verkadefabriek te korten en dat geld te gebruiken als flexibeler cultuurgeld krijgt de gemeente meer sturingsmiddelen in handen voor lokaal cultuurbeleid. Daarmee komt de gemeente terug op het besluit van het vorige college (met deels dezelfde politieke partijen) om de toen bestaande flexibele gelden weg te bezuinigen. De gemeente hoopt op die manier extra cultuurgeld voor Den Bosch te genereren. Met lokale ondersteuning is het voor kunstenaars makkelijker om geld bij de landelijke en private fondsen aan te vragen.

Daarnaast ambieert de gemeente een lokaal BIS-systeem met een grote rol voor de festivals. De festivals zijn de plekken waar artistieke ontwikkeling plaatsvindt en onbekend aanbod het publiek bereikt. Want hoewel de gemeente nadrukkelijk niet de artistieke koers wil bepalen, kan het wel het aanbod sturen door te bepalen wie geld uit het fonds krijgt of door te eisen dat aanvragers streven naar zo veel mogelijk bezoekers.

Door de nieuwbouw van Theater aan de Parade en de verschuiving van middelen binnen de cultuurbegroting lijkt de gemeente een meer afgewogen theaterlandschap te willen organiseren. Op papier ziet dat er inderdaad aantrekkelijk uit. Aan de onderkant is er flexibel geld voor kunstenaars die terechtkunnen bij Festival Cement of misschien wel bij Boulevard. Ook het vernieuwde Theater aan de Parade heeft straks meer ruimte om lokaal talent te programmeren. De Verkadefabriek heeft nog steeds twee zalen voor kleiner theater- en dansaanbod. De middenzaal van Theater aan de Parade biedt straks ruimte voor middelgroot theateraanbod en de grote zaal is er voor het grote werk. De festivals, die niet worden gekort, zorgen voor een interessant stadsprofiel en brengen het aanbod naar een breder publiek.

Festivalsetting

De vraag is echter of het allemaal zo simpel is. Voor dat afgewogen landschap is bijvoorbeeld een grote mate van afstemming nodig tussen de verschillende podia om optimaal gebruik te maken van het diverse palet aan theaterzalen: wie doet wat en waar staat welk aanbod? Op het gebied van het kleinschalige theateraanbod speelt de Verkadefabriek de belangrijkste rol in de stad. Toch toont het theater dat aanbod steeds minder, vooral omdat daarvoor de bezoekerscijfers al jaren teruglopen. Die teruglopende bezoekersaantallen zijn, zegt de Verkadefabriek zelf, een grotere bedreiging voor het kleine aanbod dan de bezuinigingen van de gemeente. Terwijl op Boulevard de tribunes vol zitten, komt op vergelijkbaar aanbod in de Verkadefabriek een stuk minder publiek af. Dit is een landelijke trend. Binnen een festivalsetting durft het publiek blijkbaar meer risico te nemen. De Verkadefabriek overweegt daarom het kleine aanbod meer te gaan ‘cureren’; een programmeur maakt dan een clustering op basis van maatschappelijke thema’s of rondom één gezelschap. Dat betekent scherpere keuzes in de programmering. Het theater overweegt langere speelreeksen met een beperkter aantal gezelschappen.

De aangekondigde bezuinigingsmaatregel verkleint echter de denkruimte voor dit soort creatieve nieuwe plannen. Zo leidt de beslissing van de gemeente om middelen bij het podium weg te halen en te besteden aan festivals en lokale makers tot verdere verzwakking van het landelijke netwerk van vlakke vloeren, het circuit waarvan bijvoorbeeld de door het Fonds Podiumkunsten meerjarig gesubsidieerde groepen afhankelijk zijn voor hun speelbeurten en eigen inkomsten.

Zo tekent zich een aantal dynamieken af die een lokaal theaterlandschap beïnvloeden, met gevolgen voor de in juni geschetste landelijke ontwikkelingen. De eerste is een veranderende opvatting over taak en rol van cultuursubsidies. Zowel de gemeente als de theaters willen dat instellingen minder afhankelijk worden van de overheid voor hun financiering. De eerste om te kunnen bezuinigen, de laatste om minder bevattelijk te zijn voor de wispelturigheid van de overheid – naast meer ideële motieven als een betere verankering van de kunsten in de samenleving. Maar wordt bij  al dat culturele ondernemerschap de druk op inherent verliesgevende activiteiten als kunst maken niet al te groot?

Ten tweede wordt er een grotere verantwoordelijkheid voor het tonen van het kleinschalige gesubsidieerde aanbod neergelegd bij de festivals. Publiek vindt zijn weg naar de vlakkevloertheaters steeds minder en bezoekt wel in groten getale de festivals. Dit lijkt een vicieuze cirkel te worden, die dreigt te eindigen in een totale verbrokkeling van het landelijke circuit van geïnstitutionaliseerde vlakkevloertheaters. Dit wordt versterkt door een groeiende lokale oriëntatie van het theater. Wellicht is een levend toneelklimaat op dit moment gediend bij meer anarchie en minder vaste plekken voor het gesubsidieerde kleinschalige aanbod. Maar wat of wie gaat dan de brugfunctie vervullen naar een landelijk geörienteerd circuit?

Deze vragen en ontwikkelingen vergen echter een verandering van de infrastructuur. De gemeente Den Bosch probeert dat in te zetten. Willen de plannen voor een afgewogen theaterlandschap slagen, dan moet er een constructief gesprek plaatsvinden tussen de instellingen die dat landschap moeten vormen. Podia in eenzelfde stad zouden in ieder geval geen concurrenten van elkaar moeten zijn. Op het gebied van cabaret hebben de theaters in Den Bosch inmiddels een stadsprogrammeur aangetrokken die voor een juiste afstemming van het aanbod zorgt. Wellicht zou een stadstheaterprogrammeur geen slecht idee zijn.

Met dank aan: Jan van der Putten en Anneke van der Linden (Verkadefabriek), Harry Vermeulen (Theater aan de Parade), Huib van Olden (wethouder cultuur ‘s-Hertogenbosch, CDA) en Ad van Niekerk (hoofd Cultuur ‘s-Hertogenbosch)

Dossiers

Theatermaker december 2015