Liliane Brakema’s jonge oeuvre kenmerkt zich door verscheidenheid. Haar voorstellingen zijn altijd gebaseerd op een bestaande tekst, maar Brakema maakt opvallend eclectische keuzes: van klassiek repertoire tot filmbewerking, van psychologisch drama tot absurdisme. Daarbij valt de sterke fysieke component in het werk op: de dialoog tussen taal en beweging (of stilstand) vormt het hart van het werk. ‘Ik maak theater op basis van wat er in de wereld ontbreekt.’

Liliane Brakema (1987) begon haar studieloopbaan met een bachelor Economie en Bedrijfskunde. ‘Ik wist van tevoren dat ik het theater in wilde, maar ik wilde onafhankelijk zijn. Tijdens die studie speelde ik al wel in voorstellingen en wat toen het meest indruk op me heeft gemaakt is een theaterproject voor een NGO over Israël en Palestina, waarvoor we ter plaatse onderzoek hebben gedaan. Dat project heeft me echt overtuigd van de zeggingskracht van theater, dat je met kunst een veel breder perspectief kan bieden doordat je mensen kan raken en er dan over in discussie kan gaan. Toen ik aan de regieopleiding in Maastricht begon, wilde ik eigenlijk alleen maar voorstellingen over Israël en Palestina maken.’

Op de Toneelacademie merkte Brakema dat ze ‘meer teweeg kon brengen’ door kleinschaliger verhalen te vertellen, met een focus op de binnenwereld van de personages. Toen ze na twee jaar overstapte naar de regieopleiding in Amsterdam kwam ze daar nog veel sterker met klassiek repertoire in aanraking. ‘De opleiding stond toen nog volledig in het teken van vakmanschap – wat ik supersaai vond, maar wat wel goed voor me was, ik heb er veel van geleerd. Ik werd verliefd op de teksten van Tsjechov en ging vanaf dan op zoek naar een mengvorm tussen het beeldend-intuïtieve theater van Maastricht en de schoonheid van repertoireteksten.’

Dat klinkt als een grote stap, van expliciet politiek theater naar een op repertoire gebaseerde praktijk met een focus op de binnenwereld van de personages.

‘Ik vind dat ik nog steeds politiek theater maak. Voor mij zit dat in het feit dat ik er de tijd voor neem. Ik maak ruimte voor de trage aanpak om werkelijk iets te ‘vinden’ en het publiek de tijd te geven om ook werkelijk iets op een diepere manier te ervaren (door de tijd op het toneel bijvoorbeeld te vertragen). Ik wil bij het publiek een dieper weten teweegbrengen, vanwaaruit je ook kan handelen. Ik heb sterk het gevoel dat we in een tijd leven waarin je continu overspoeld wordt door informatie en indrukken, en dat we daarmee alleen nog reactief handelen. Ik wil juist ruimte maken zodat je jezelf weer kan horen denken. Ik geef het publiek de tijd om ergens op een verdiepende manier op in te zoomen – idealiter word je de volgende dag wakker en ben je erachter gekomen wat echt belangrijk voor je is. Als ik iets op het toneel breng, moet het de potentie hebben om mensen helemaal te veranderen, ik wil niet aan iets beginnen waarvan ik die potentie niet voel.’

Wat trekt je aan in repertoire? Waar kies je de teksten op uit?

‘Meestal weet ik eerder wat ik wil gaan maken dan welke tekst daarbij past. Het begint bij mij altijd bij een beeld. Ik kies de tekst daarbij op gevoel – er moet een menselijke worsteling in zitten die ik interessant vind. Ik kies de tekst eigenlijk nooit om dat verhaal te vertellen, het verhaal interesseert me niet. Ik ga aan van een tekst die ruimte laat, die eigenlijk gaat over wat er niet staat. Ik vind het belangrijk dat er niet over een thema gepraat wordt, maar dat het voelbaar wordt gemaakt.’

‘Ik ga nu Oom Wanja maken bij het Noord Nederlands Toneel. Het onvermogen van de personages om met de grootschalige maatschappelijke veranderingen van hun tijd om te gaan, uit zich in het feit dat ze zich steeds verliezen in hun eigen microdrama’s. Daartegenover zet ik een beeldtaal die juist iets groters over de wereld vertelt. Ik vind Oom Wanja erg goed bij deze tijd passen, bij hoe we ons kop in het zand steken ten opzichte van de klimaatcrisis.’

‘Als ik iets heb geleerd de afgelopen vijf jaar, is het om op mijn eigen intuïtie te vertrouwen en schaamteloos risico te nemen, dan blijft het ook leuk. Ik heb dan heel veel aan een tekst als kapstok, een die houvast biedt waardoor ik er daarna van alles tegenover kan zetten. Maar de tekst wordt nooit de primaire betekenisdrager: ik ervaar vaak dat het verbale niet de realiteit is, dat het soms zelfs geen enkele relatie met de realiteit aangaat. Em dat zegt dan misschien ook weer iets over onze tijd.’

Die dubbele verhouding tot tekst is vaak zichtbaar in Brakema’s spelregie. In haar toneelversie van de film Face to Face (2017) dienen alle teksten van het hoofdpersonage er slechts toe om haar diepe existentiële leegte te verhullen, en in voorstellingen als De kale zangeres (2017), Er zal iemand komen (2019) en haar in Bochum gemaakte bewerking van Leonce und Lena (2019) ontstaat een mengvorm tussen toneel, mime en dans, waar zowel de tekst als de choreografie de personages gevangen lijkt te houden.

‘Bij Er zal iemand komen heb ik genadeloos veel van de acteurs gevraagd maar ook zo veel van ze gekregen. Ik wilde niet dat ze een rol gingen spelen, en ik wilde dat ze pas gingen spreken als de stilte hun echt te veel werd. Het stuk gaat er voor mij over hoe die twee mensen een gevangenis voor zichzelf bouwen met hun woorden, als ze hun mond hadden gehouden was er niets aan de hand geweest.’

De choreografie onderstreept dat: het is een vaste cyclus van geweld, aantrekken en afstoten die eindeloos wordt herhaald. ‘Het was echt een uitputtingsslag. Wendell [Jaspers] en Joost [Bolt] zijn kilo’s afgevallen en hebben echt spieren gekweekt. Maar juist door die fysieke afmatting komt de tekst steeds dichter bij een waarheid en wordt hij ontdaan van alle opsmuk.’

‘Dat is altijd mijn overkoepelende fascinatie: hoe verhoudt het lichaam zich tot taal? Bij mijn onderzoeksproject De kale zangeres raakte het me dat de taal volledig is losgezongen van de betekenis, de personages zijn volledig de weg kwijt maar hebben de woorden nodig om niet om te vallen. Ook daar wijst de choreografie op het gevangenschap van de personages: ze wisselen van positie maar komen steeds weer bij hun beginpunt uit. Ze zitten zo ook existentieel vast: ze zijn zich ervan bewust dat ze niet uit hun vorm kunnen breken maar kunnen zich daar ook niet bij neerleggen.’

Hoe verhoudt die mengvorm tussen tekst en beweging zich tot je missie om ‘mensen helemaal te veranderen’? Welke ervaring hoop je te bewerkstelligen?

‘Voor mij is het lichaam als muziek, het kan de toeschouwer op een directer, intuïtiever niveau raken dan de tekst. Ik ben op zoek naar een soort ‘belichaamd denken’: een denken waarin rede en gevoel bij elkaar komen. Juist door jou, de toeschouwer, ruimte te geven om los te komen van alle prikkels, druk, codes en regels van het normale leven, leer je je eigen intrinsieke behoeftes kennen en sta je uiteindelijk ook meer open voor anderen, en kun je makkelijker je eigen keuzes maken. Ik geloof daarom dat theater een emanciperende werking kan hebben.’

Daar schuilt een heel optimistisch mensbeeld onder, je lijkt te zeggen dat de mens inherent goed is als hij maar genoeg ruimte voor zichzelf krijgt.

‘Ik geloof ook wel in mensen. Ik zie slechte daden vooral als onmacht. Als die persoon tijd zou hebben om rustig op een boot te zitten en naar de zee te kijken zouden daar mooie dingen uitkomen. (lacht) Het hoeft overigens niet per se de zee te zijn, ik heb zelf meteen die associatie omdat ik aan het strand ben opgegroeid.’

Je meest recente Duitse voorstelling, Leonce und Lena bij Schauspielhaus Bochum, lijkt vanwege de groteske speelstijl en de verwijzingen naar de klimaatcrisis weer explicieter politiek te zijn dan je eerdere werk.

‘Wat meteen opvalt als je het stuk leest, is dat het hele korte scènes zijn, en ik raakte meteen geboeid door de ruimtes tussen de scènes. Het voelde alsof de personages steeds handelen omdat ze de stilte niet goed aankunnen. Ik vind dat dat ook iets over deze tijd blootlegt, dat we nooit stilstaan en de hele tijd maar handelen en praten, vanuit een angst voor de leegte maar ook vanuit alles wat we weten over wat er mis is in de wereld en vanuit de wil om daar iets aan te doen. Die stiltes tussen de scènes voelen als een soort zwart gat waar de personages zo snel mogelijk weer uit willen en dus geven ze zich maar al te graag over aan de plotverwikkelingen in het stuk. In het tweede bedrijf gaat het dan alleen maar door, doorpompen zodat je maar niet hoeft na te denken. Wat voor mij heel erg naar voren kwam, was het beeld van de stuntelende mens in het aangezicht van de ondergang van alles.’

‘De absurditeit van de tekst leidde tot een weerbarstige speelstijl, ik heb de spelers hun worsteling met de tekst als het ware mee laten nemen de scène op. Met Anne (Rietmeijer), de actrice die Lena speelt, heb ik ook lang over die rol gepraat: wat betekent het om anno nu nog een prinses te spelen, hoe ontsnap je aan die clichés, terwijl je je toch ook aan het lekkere van die fantasie overgeeft? Anne wordt in haar spel eigenlijk tussen die twee uitersten heen en weer getrokken.’

‘Ik denk dat mijn werk altijd een reactie op de wereld is: als de wereld anders was zou ik ook hele andere voorstellingen maken. Als ik niet het gevoel had dat we overspoeld worden door prikkels, indrukken en meningen, zou ik me in mijn werk niet zo richten op het creëren van rust en ruimte. Daar komt mijn engagement vandaan: ik maak theater op basis van wat er in de wereld ontbreekt. Dat is dus ook een ‘ruimte’, en ik hoop dat dat mensen de kans biedt om weer opener en rijker naar hun eigen leven te kijken en te voelen wat ze echt belangrijk vinden. En op basis daarvan hun keuzes te maken.’

foto Eva Roefs