Nicolas Mansfield, directeur van de Nederlandse Reisopera, wil best open praten over zijn operagezelschap dat van 93 naar negentien werknemers is teruggebracht, maar hij hoopt dat het geen klaagverhaal wordt. We hadden er immers ook mee kunnen ophouden, benadrukt hij. Dat lag voor de hand, na zo’n bezuiniging. ‘Maar we zijn doorgegaan, gedreven door ambitie en liefde voor opera. Ik hoop dat u dat ook opschrijft.’

Door Persis Bekkering, foto Marco Borggreve

Noem Mansfield, een energieke Britse zanger en koordirigent die 27 jaar geleden voor de muziek naar Nederland verhuisde, een opbouwdirecteur. Hij begon op 1 januari 2013 als artistiek en algemeen directeur van de Nederlandse (toen Nationale) Reisopera, kort nadat het tweede operagezelschap van Nederland meer dan zestig procent van zijn subsidie verloor. Voorganger Guus Mostart moest 75 werknemers ontslaan, Mansfield zou het gezelschap opnieuw inrichten.

De rentree verraste iedereen. ‘Reisopera herrijst majestueus uit de puinhopen van Rutte I,’ schreef dagblad Trouw bij de eerste productie onder zijn leiding, Wagners Tristan und Isolde.

En toegegeven, het gaat goed met het reizende BIS-gezelschap uit Enschede. Ja, de rijkssubsidie kromp van 8,5 miljoen naar 3,5 miljoen euro, waarmee de Reisopera relatief een van de zwaarst getroffen culturele instellingen van Nederland is. De vijf grote jaarlijkse producties moesten worden teruggebracht tot drie. ‘Maar de bezoekersaantallen zijn gestegen van vijftienduizend tot meer dan vijftigduizend per jaar,’ zegt Mansfield, ‘en onze eigen inkomsten zijn gestegen. We zijn gebeld door mensen die zó geraakt waren door onze Orphée et Eurydicee dat ze ons een grote donatie aanboden.’

Hij noemt meer successen: een verbeterde marketingstrategie voor een laagdrempeliger imago, de twee Opera of the Year-awards van online operamagazine Place de l’Opera. Allemaal waar. Toch: de rek is er nu wel uit. Het tekort op de begroting bedroeg de afgelopen jaren steeds een half miljoen euro. Tot nu toe kon dat opgevangen worden door de eigen financiële reserves, maar dat kan in de toekomst niet meer. In de subsidieaanvraag voor de culturele basisinfrastructuur 2017-2020 vraagt de Reisopera dan ook om 0,4 miljoen extra van het rijk. De aanvragers schrijven: ‘De herpositionering heeft een wissel getrokken op de kleine interne organisatie.’

Waar doelt u met die uitdrukking op, hoe staat de organisatie ervoor?

‘Veel van mijn mensen werken meer uren dan ze ervoor betaald krijgen. Het hoofd van de kostuumafdeling heeft een aanstelling van vijftig procent, evenals het hoofd van de belichting en de kap en grime, terwijl hun verantwoordelijkheid honderd procent blijft. Sommigen werken meer dan fulltime. Maar er vallen nog geen mensen om. Het ziekteverzuim vertoont een dalende trend.’

Hoe is dat mogelijk?

‘Er zijn er minder mensen om ziek te worden, dat heeft uiteraard effect op de statistiek. Ik denk vooral dat het gevoel leeft dat het belangrijk is wat we doen, iedereen is enorm gedreven. Maar we kunnen niet eeuwig zo doorgaan. Je kunt niet lang op één been dansen. De situatie is eigenlijk zorgwekkender dan in 2012.’

Wanneer er geen gedeeltelijke reparatie komt van de subsidie denkt de Reisopera te moeten inleveren op het aantal voorstellingen en speelsteden, en dus op de zichtbaarheid. In de subsidieaanvraag wordt daarbij voorgerekend dat er met nog minder middelen een voorstelling zal moeten worden geproduceerd, waardoor het operagezelschap minder aantrekkelijk zal zijn voor goede zangers en regisseurs, en het publiek als gevolg daarvan ‘onvermijdelijk’ een verschil in kwaliteit zal zien.

Sinds de korting op de subsidie heeft de Reisopera al zwaar gesnoeid in de productiekosten; decors zijn dermate versimpeld dat de opbouw geen extra dag meer kost en ook de kostuums worden spotgoedkoop geproduceerd. Heeft dat dan geen invloed gehad op de artistieke kwaliteit?

‘Nee, dat heeft geen enkel effect gehad, sterker nog, die is vaak zelfs beter geworden. Ik ben, afhankelijk van de productie, een voorstander van een minimalistische scenografie. Het toneel bij opera is vaak te vol, waardoor de voorstelling onder te veel lagen bedolven raakt.’

Ook het eigen koor, dat u jarenlang heeft gedirigeerd, is wegbezuinigd.

‘Dat is geen nadeel voor de Reisopera. Het bedrijf was te klein om zich zo veel mensen in vaste dienst te kunnen veroorloven, en het was ook niet noodzakelijk. Nu huren we een freelance koor in en zijn we minder dan de helft van het geld kwijt. Een vast koor past beter bij een instelling met de omvang van De Nationale Opera.’

U lijkt geen moeite te hebben toe te geven dat er ook goede dingen uit de subsidiekorting zijn voortgekomen. Is dat wel verstandig, als u juist meer geld wilt uit Den Haag?

‘Ik ben apolitiek hè, ik mag in dit land niet eens stemmen. En ja, het heeft ons gedwongen scherpere keuzes te maken en dat is goed geweest voor het bedrijf, maar we kunnen niet nóg verder gaan. Dat is mijn boodschap aan de politiek. Politici vragen me: kan het niet een onsje minder? Maar we hebben het nu over kilo’s. Elk uur van de productietijd wordt bij het plannen tien keer afgewogen op efficiëntie. Als we deze tijd nog meer moeten verkorten, gaat het wel degelijk ten koste van de kwaliteit. En dat juist nu opera in de lift zit. Er is meer vraag van het publiek dan voor de bezuinigingen, dat merkt De Nationale Opera ook. Mijn voorganger Guus Mostart zei: “Misschien is opera sleets geworden.” Wij wilden laten zien dat dat niet zo is.’

En als om zijn spreekvrijheid te benadrukken, merkt hij op: ‘Ik gun De Nationale Opera twee keer zo veel geld als ze nu krijgen, maar de verdeling van de subsidie [De Nationale Opera krijgt ruim 24 miljoen, red.] is natuurlijk merkwaardig. Wíj hebben een landelijke spreidingsopdracht.’

Uit de beleidsstukken van de Reisopera blijkt dat er ook aan een andere kant sprake is van uitholling: de theaters schuiven het risico in toenemende mate af op de gezelschappen. Partage-overeenkomsten zijn eerder regel dan uitzondering geworden.

‘Het risico op kaartverkoop ligt in toenemende mate bij ons, inderdaad. Daarom vind ik het jammer dat de afstand tot ons publiek groot is. Als je een kaartje wilt kopen voor een voorstelling van de Reisopera krijg je te maken met een lange inlogprocedure. Elk theater hanteert zijn eigen systeem. Wij weten niet wie onze bezoekers zijn, de theaters willen geen informatie aan ons doorgeven. Zij verschuilen zich achter de privacywetgeving. Dan wordt het voor ons onmogelijk om een goed prijsbeleid te voeren. Het rijk vraagt ons ondernemers te zijn, maar de afnemers mogen tegelijkertijd worden afgeschermd. Ik zou me graag meer in ons publiek verdiepen.’

Het gaat financieel zeer slecht met het Orkest van het Oosten, dat regelmatig producties van de Reisopera begeleidt. Heeft die malaise gevolgen voor u?

‘Mogelijk vallen er veel ontslagen in het orkest. Als de vaste kern van musici te klein wordt, kunnen we geen grote opera’s meer opvoeren met het orkest. Ik heb het de afgelopen seizoenen bewust de kleinere producties gegeven, dat kan, maar ik maak me wel zorgen. Het Noord Nederlands Orkest inhuren is duurder, want er zijn vervoer- en verblijfskosten die niet nodig zijn bij een orkest uit onze eigen stad. Ik vind het belangrijk dat er in het oosten een culturele randstad wordt ontwikkeld, daarom verstevigen we de relaties met onder andere het Wilminktheater en het Gelders Orkest. Ook daarom hoop ik dat het Orkest van het Oosten erbovenop komt. Overigens zou een deel van ons begrotingstekort opgelost kunnen worden als de afspraken met orkesten eindelijk eens goed geregeld worden. Bij de verdeling van subsidies werd gezegd dat orkesten verplicht zijn een opera per seizoen “om niet” te begeleiden. In de praktijk komt het erop neer dat we alleen de musici zelf niet betalen, alle overige kosten zijn wel voor ons. Dat kan per productie oplopen tot wel 100.000 euro.’

In maart ging Il Matrimonio Segreto in première, de allereerste coproductie van Nationale Opera, Opera Zuid en de Reisopera. Ik heb het idee dat er nu beter wordt samengewerkt tussen instellingen dan aan het begin van deze kunstenperiode; aanvankelijk wilde iedereen zijn eigen hachje redden. Hoe ziet u dat?

‘De Reisopera heeft in moeilijke jaren meteen andere partijen opgezocht, denk aan onze samenwerking met Paul Koek. Coproducties met buitenlandse operagezelschappen ervaar ik altijd als zeer inspirerend, dat zou ik ook graag blijven doen als er voldoende geld was. Want ik praat nu over ons als bedrijf, maar we hebben het toch over een kunstvorm. Dit gaat over kunst, dat is nogal wat! Culturele instellingen hebben een gezamenlijk belang.’

En toch is er iets verloren gegaan, erkent Mansfield. ‘Iedereen is druk met overleven, waardoor er weinig tijd meer is om zonder concreet doel met elkaar te praten, om ideeën en kennis te delen. Het voelt soms alsof iedereen aan het rennen is. Terwijl verbeelding ruimte nodig heeft.’