Zware deuren, hoge balies, personeel dat je even aan de kant zet of juist voortdurend vraagt of je nog iets nodig hebt; ondanks goede wil is er nog een hoop te verbeteren als het gaat om de toegankelijkheid van een theaterbezoek voor mensen met een fysieke beperking.

Eind februari kreeg Het Nationale Theater de Toegankelijkheidsplaquette van de Zonnebloem, een vereniging die zich inzet voor mensen met een lichamelijke beperking. De plaquettes worden uitgereikt aan locaties die tonen dat ze zich actief inzetten om hun gebouw zo toegankelijk mogelijk te maken. De Zonnebloem focust daarbij op drie aspecten: fysieke toegankelijkheid, bewustzijn en gastvrijheid van het personeel.

Voorafgaand kreeg het theater een uitgebreide technische keuring, werden de Koninklijke Schouwburg en Theater aan het Spui bezocht door mystery guests en kreeg het personeel een workshop omtrent gastvrijheid richting bezoekers met een fysieke beperking. Het onderzoek is gefinancierd vanuit het VSBFonds, dat een lijst van acht theaters samenstelde die in 2019 op toegankelijkheid werden getoetst.

Hoe is het doorgaans gesteld met die toegankelijkheid theaters? Volgens Rob Verberne, projectleider Onbeperkt Eropuit bij de Zonnebloem, is er ondanks een hoop goede wil, nog veel winst te behalen. ‘Toegankelijkheid gaat veel verder dan simpelweg het theater binnen geraken’, legt hij uit. ‘Je wordt nu gedurende je bezoek nog te vaak geconfronteerd met je handicap.’

Hoe kun je daar als theater op inspelen? Een belangrijke realisatie is dat de reis naar het theater voor iemand met een beperking veel eerder begint dan voor mensen zonder beperking. Verberne: ‘Je kan niet zomaar in de auto stappen en een uurtje later in de zaal zitten. Het begint al thuis: bij het bekijken van de website. Welke informatie over de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de locatie staat al online? Zo kun je vooraf al veel onzekerheid wegnemen.’

HNT heeft naar aanleiding van het traject bijvoorbeeld een aparte pagina over toegankelijkheid op de website aangemaakt. Daarop kun je per locatie meer informatie vinden, bijvoorbeeld waar de aangepaste toiletten zich bevinden en hoe je de rolstoelplekken in de zaal kunt bereiken. ‘De Koninklijke Schouwburg is een monumentaal pand met veel haken en ogen’, legt Willemijn Haasken (projectleider HNTonbeperkt) uit. ‘Openheid daarover is cruciaal. Dan kan de bezoeker zelf inschatten of het gebouw toegankelijk genoeg is.’

Fysieke toegankelijkheid

Eenmaal bij de locatie beland, zijn er doorgaans nog veel aspecten die het theaterbezoek onnodig bemoeilijken, volgens Verberne. ‘Dat begint al bij het binnenkomen zelf. Theaters hebben soms zware deuren, die vaak ook nog eens voorzien zijn van een drempel. Juist die combinatie maakt het moeilijk. Vervolgens beland je bij de balie om je kaartje af te halen. Er zijn in Nederland bijna geen theaters met verlaagde balies. Als bezoeker kun je dan geen oogcontact met de medewerker maken. Bovendien hebben de pinautomaten op die balies meestal een kort snoer, waardoor je niet veilig kan pinnen.’

Het is volgens Verberne een grote misvatting om dan als theatermedewerker te denken: je hebt toch een begeleider bij je? ‘Voor mensen met een fysieke beperking is juist zelfredzaamheid heel belangrijk voor hoe je het bezoek ervaart. Sowieso willen we wegblijven van het afstandelijke woord ‘begeleider’, want dat is meestal een partner, vriend of familielid.’

Zo kun je nog voordat de voorstelling begonnen is, al veel obstakels tegenkomen. Het gaat vaak om relatief kleine aanpassingen die veel impact op de beleving hebben, volgens Haasken: ‘We hadden natuurlijk al aangepaste toiletten, maar die bleken lang niet zo rolstoeltoegankelijk te zijn als we dachten. Er stonden bijvoorbeeld pedaalemmers en de handdoeken hingen te hoog. Dat is inmiddels allemaal aangepast.’

Een ander voorbeeld: ‘Bij Theater aan het Spui moet je een trapje af om in het zitgedeelte van de foyer te komen, maar die treden zijn allemaal zwart. Door daar met contrasterende kleuren te gaan werken, wordt het beter begaanbaar voor mensen met een visuele beperking.’

Eenmaal in de theaterzaal, maakt het nog veel uit hoe de rolstoelplekken ingericht zijn. Verberne: ‘Vaak word je vóór een reguliere stoel neergezet, omdat de stoelen er in de zaal niet altijd uit kunnen. Maar daardoor zit je niet naast je gezelschap, maar er schuin voor. Het doet veel met je theaterbezoek als je niet het gevoel hebt dat je samen van een voorstelling kunt genieten.’

Bewustzijn en gastvrijheid

Het is op zich niet erg als er tijdens een theaterbezoek nog hier en daar fysieke obstakels te overbruggen zijn, benadrukt Verberne. Zeker oude gebouwen – waar veel theaters in gevestigd zijn – kunnen hun locatie niet altijd even makkelijk aanpassen. Daarom zijn het bewustzijn en de gastvrijheid van het theaterpersoneel minstens zo belangrijk. Hoe ga je om met een bezoeker in een rolstoel, en ook: wanneer laat je iemand juist eventjes met rust?

In dat kader biedt de Zonnebloem, behalve de technische keuring, ook een workshop aan. Verberne: ‘Daarin laten we de theatermedewerkers zelf ervaren hoe het is om een handicap te hebben. We hebben bijvoorbeeld rolstoelen bij ons, maar ook een ‘beperkingenpak’, ontwikkeld door de TU in Delft. Daar kun je allerlei dingen mee simuleren: er zitten gewichten aan om bijvoorbeeld de benen te verzwaren, je kan de stramheid reguleren. Daarnaast hebben we brillen waarmee we visuele beperkingen kunnen nabootsen.

Tijdens zo’n workshop vragen we de werknemers met zo’n pak in de rolstoel plaats te nemen en bijvoorbeeld een kaartje te kopen, naar het toilet te gaan of een drankje te bestellen. Door het ze zelf te laten ervaren hopen we meer bewustzijn te creëren.’

Waar een theaterbezoek zich volgens Verberne van een ander cultureel uitje in onderscheidt, zijn de piekmomenten. ‘Je begeeft je als bezoeker eigenlijk vrijwel voortdurend in de drukte: als je binnenkomt stuit je op een wachtende menigte, bij de garderobe is het dringen, in de pauze moet je in de rij.’

Aan dat gegeven kun je niet veel doen, maar daarin valt een hoop te compenseren met gastvrijheid. ‘Een veelgemaakte fout is bijvoorbeeld dat je als theatermedewerker gaat praten met degene met wie de persoon in de rolstoel is gekomen. En pak ook niet de handvatten van de rolstoel vast om iemand aan de kant te zetten, want in principe zijn dat gewoon de benen van iemand in de rolstoel.’

Het is volgens Verberne bovendien belangrijk om iemand niet meteen te willen helpen, maar een bezoeker met een fysieke beperking even de tijd te geven. ‘We noemen dat de driesecondenregel. Duik er niet meteen bovenop als er iemand in een rolstoel binnenkomt. Soms komt er iemand in een rolstoel binnen en dan zijn de medewerkers daar zo op gefocust, dat ze er meteen op afspringen. Dan krijg je bijna een persoonlijke chaperonne tot je beschikking, die je continu volgt en andere mensen voortdurend vraagt om aan de kant te gaan. Maar je wil niet constant die aandacht op je gevestigd hebben: net als de rest van de bezoekers wil je opgaan in de menigte en genieten van een avondje uit.’