De jonge Franse auteur Édouard Louis is bijzonder geliefd in het theater: zijn drie boeken zijn in korte tijd wereldwijd al bijna veertig keer bewerkt. Wat maakt zijn werk zo geschikt voor het podium? Theatermaker vraagt het aan drie regisseurs en een toneelschrijver. ‘Elke versie verlicht de pijn en de last van het verhaal.’

‘Dat ik jullie nu alles vertel, is niet zoals je misschien denkt bedoeld als een onwaarschijnlijk coming-of-age verhaal, of als catharsis. Ik vertel jullie alles omdat ik wil tonen wat we niet zien.’

Er lijkt een golf van spanning door het publiek te trekken. De voorstelling is een uur op weg, en tot zover was Weg met Eddy Bellegueule een meeslepende polyfonie; regisseur Eline Arbo koos ervoor om het personage niet door één acteur te laten vertolken, maar vier. Gaat een van die Eddy’s nu echt de voorstelling uitleggen? Dat is toch didactisch, dat is toch een hoofdzonde in het theater?

De monoloog gaat verder. Eddy, in trainingspak, sprekend tot het publiek, gebruikt ineens een heel ander register dan we van hem gewend waren. Hij heeft het over ‘een gewelddadig systeem’, over schuldige ‘instituties’. ‘Iedereen schiet tekort en schaamt zich: ze internaliseren een harteloze norm, gevoed door een blind onrechtvaardig systeem. Dat falen, die schaamte, die wanhoop: dat is het ware geweld.’

Het is doodstil. Dan verlost een stem het publiek van de knoop in zijn maag. ‘Bedankt, meneer Bellegueule, u hoort nog van ons.’ De monoloog blijkt een auditie voor de theateropleiding.

Gelukkig, het is theater-in-het-theater. En toch is de inhoud van de monoloog de kern van de voorstelling. Regisseur Eline Arbo, die bij Toneelschuur Producties een toneelbewerking maakte van Édouard Louis’ debuutroman Weg met Eddy Bellegueule, baseerde de monoloog op de woorden van de schrijver zelf. Die komen niet letterlijk uit de roman, maar verzamelde ze uit interviews en andere gepubliceerde teksten van de jonge Franse auteur. Ze vat hiermee zijn grote thema samen: het geweld dat we elkaar aandoen is een gevolg van het geweld dat het politieke systeem ons aandoet.

In zijn debuut beschrijft Édouard Louis (1992), geboren Eddy Bellegueule – ‘mooibekkie’ – hoe hij in de jaren negentig als homoseksuele jongen opgroeit in een uitzichtloos arbeidersmilieu in Noord-Frankrijk. De mensen zijn werkeloos of doen loodzwaar werk in de fabriek of supermarkt, de huizen zijn armoedig en vuil. De ellende wordt op elkaar afgereageerd, thuis en in de kroeg heerst geweld. Voor Eddy is het leven nog veel zwaarder, want al vanaf jonge leeftijd valt op dat hij anders is. Hij voldoet niet aan het extreme masculiene ideaal dat de arbeiders hooghouden. Hij is gevoelig, zacht, en zijn lichaam gedraagt zich anders dan dat van anderen, hij beweegt zwieriger, wat als vrouwelijk wordt gezien. Eddy is geen vechter zoals zijn vader en broer. Op school wordt hij elke dag afgetuigd, thuis vernedert zijn vader hem.

Uit alle macht probeert Eddy om zichzelf te veranderen, om erbij te horen. In de voorstelling heeft hij een mantra, ‘vandaag word ik een vechter’, dat stoer en strijdlustig begint, vanzelf campy wordt, en daarna steeds hopelozer klinkt. Uiteindelijk begrijpt Eddy dat hij nooit zal worden geaccepteerd en lukt het hem te ontsnappen. Dankzij die auditie voor de theaterschool: de docent die Eddy onderbreekt redt niet alleen het publiek, maar ook Eddy zelf. Hij vertrekt naar Amiens, woont in een internaat, en kan later naar de universiteit, waar hij in aanraking komt met het werk van onder anderen Pierre Bourdieu.

Op 22-jarige leeftijd, in 2014, overdondert hij de Franse literaire wereld. Zijn debuut, shockerend, eerlijk, en tegelijkertijd geraffineerd literair geconstrueerd, wordt een groot succes en is in vele talen vertaald. Later volgen de al even succesvolle boeken Geschiedenis van geweld en Ze hebben mijn vader vermoord, waarin hij wederom naar zichzelf en zijn familie kijkt om een groter verhaal over de onderklasse te vertellen. Zijn werk heeft een sterke thematische eenheid: hij schrijft over de verwoestende uitwerking van staatskapitalisme op de lichamen van arbeiders en gemarginaliseerden. Hij wil de verhalen vertellen van de mensen wier stemmen nooit worden gehoord. Deze overtuiging brengt hem ook tot activisme; Louis is een van de bekendste verdedigers van de gele-hesjesbeweging.

Opvallend is hoe geliefd zijn werk is in de podiumkunsten. Het precieze aantal is moeilijk te achterhalen, maar volgens Ivo van Hove, persoonlijke vriend van Louis, zijn de rechten zo’n dertig tot veertig keer aan de bühne verkocht. In Nederland was Weg met Eddy Bellegueule van Eline Arbo de eerste, en een hit bij publiek en pers. In mei werd bij ITA Van Hoves Ze hebben mijn vader vermoord verwacht, een monoloog gespeeld door Hans Kesting, maar deze is vanwege de pandemie uitgesteld voor onbekende tijd. In januari was in Brussel Thomas Ostermeiers regie van Geschiedenis van geweld te zien, door de Schaubühne. Ostermeier werkt momenteel ook aan Ze hebben mijn vader vermoord, met Louis zelf als enige acteur. Marcus Azzini heeft schrijver Nick Bruckman de opdracht gegeven Geschiedenis van geweld te bewerken voor een productie bij Oostpool, gepland voor het najaar.

Arbo, die eerder Het lijden van de jonge Werther voor toneel bewerkte, vond de roman struinend in een boekhandel en was getroffen door de urgentie van het verhaal. Net als Werther gaat Weg met Eddy over opgroeien, en over het idealisme en de kracht van jonge mensen, zegt ze. Hoewel het niet eenvoudig was het boek te bewerken – de uitdaging was vooral de juiste balans tussen de re-enactment van Eddy’s jeugd en de vertellerstekst van Édouard – heeft zijn werk volgens Arbo een sterke theatrale kwaliteit. ‘Voor Eddy was het theater letterlijk zijn ontsnapping.’ Niet alleen omdat hij dankzij de theateropleiding kan doorstuderen in een andere stad. ‘Ik zie in die monoloog het moment van zijn coming-of-age. Door de oefening in inlevingsvermogen van het spel kan hij zichzelf leren begrijpen. Hij vindt zijn identiteit, en kan er daardoor ook afstand van doen. Hij beseft op dat moment zijn politieke kracht.’

Die kracht heeft ze in haar voorstelling sterker aangezet dan in het boek gebeurt. ‘Daarin vind ik Louis best wel hard over zijn familie en milieu. Je voelt de woede over wat ze hem hebben aangedaan. Terwijl dezelfde schrijver later voor de gele hesjes de barricaden opgaat en veel explicieter wordt in zijn maatschappijkritiek, vooral in Ze hebben mijn vader vermoord. Ik wilde laten zien dat hij beseft dat hij het slachtoffer is van de slachtoffers van het politieke systeem. Anders vond ik het te kritisch.’

‘Wat zo krachtig is aan zijn boeken, is de manier waarop de persoonlijke ervaring in verband wordt gebracht met een breed palet aan ideeën over de wereld’, zegt Nick Bruckman. ‘Het is tegelijk sterk zintuiglijk, scherp psychologisch, en sociologisch solide onderbouwd. Louis kan een gebeurtenis indringend beschrijven, terwijl je als lezer vertrouwt dat dat moment culmineert in een interessante vraag: wat zijn de machtsstructuren die bepalen hoe wij de dingen ervaren?’

Maar wordt die vraag niet ook al direct door Louis beantwoord? Laat hij wel genoeg open voor een interessante, niet-didactische voorstelling? ‘Geschiedenis van geweld hangt thematisch hecht samen, maar de verhaalstructuur is fragmentarisch en meerstemmig. De vorm heeft meer diepte dan zijn andere boeken. Theater werkt goed om al die perspectieven te onderzoeken.’ En wat de politieke boodschap betreft: ‘Ik zou het niet willen bewerken als ik er niet in mee kan gaan.’

Thomas Ostermeier leerde Louis kennen via het werk van socioloog Didier Eribon (1953), ooit Louis’ scriptiebegeleider en inmiddels boezemvriend. Eribon is van een oudere generatie, maar komt net als Louis uit de arbeidersklasse van Noord-Frankrijk, en is ook homoseksueel. Ostermeier maakte eerst een voorstelling over diens autobiografische boek Terug naar Reims. Zo leerde hij Louis kennen. Ostermeier was een van zijn helden: het eerste toneelstuk dat hij ooit zag was diens Hedda Gabler.

Op de vraag of de boeken een theatrale kwaliteit hebben, antwoordt de regisseur ontkennend. ‘Dat Eddy in Weg met Eddy in aanraking komt met het theater, maakt het boek niet meteen geschikt voor toneel.’ Hij benadrukt dat het hem om de thematiek van Louis’ oeuvre te doen is. ‘Didier [Eribon] en Édouard [Louis] hebben klasse tot hun belangrijkste onderwerp gemaakt’, vertelt hij. ‘Het discours ging daar lange tijd niet over en zij brachten het terug op de agenda. Dat vind ik zo belangrijk aan wat ze doen, en dat heeft ons samengebracht, hun marxistische kijk op klasse en identiteit.’ Hij verwijst naar zijn regie van Shopping and Fucking in 1998, waarin deze thema’s al centraal stonden. ‘Veel mensen herkennen zich in de ervaring die Louis beschrijft, de ervaring van een homoseksuele jonge man in een gemarginaliseerde groep. En toch wordt dat verhaal niet vaak verteld in het theater. We hebben Billy Elliot, en dat is het wel. Homofobie is een gevoelig onderwerp in de bourgeoisie, zij pretendeert tolerant te zijn, terwijl de haat in de arbeidersklasse open en bloot ligt. Édouard geeft een stem aan deze realiteit.’

Geschiedenis van geweld is het meest complex van de drie romans. Het is een fragmentarisch opgebouwde vertelling over de nacht waarin Louis verkracht en bijna vermoord wordt door een jonge Kabyl, Reda, die hij oppikt op straat. De gebeurtenis wordt door Louis’ zus aan haar man verteld en van commentaar voorzien; de auteur luistert het gesprek af door de muur. Ook wordt de geschiedenis gereconstrueerd via herhaalde politieverhoren. Op meerdere manieren wordt Louis van zijn eigen verhaal beroofd: door de vreemde vragen en homofobe en racistische vooroordelen van de politie, door de visie van zijn zus. Louis, die weigert aangifte te doen omdat hij Reda ook als slachtoffer van het systeem herkent, wordt zelf beschuldigd. Want waarom heeft hij eigenlijk een vreemde in huis gehaald?

Ostermeier: ‘Het boek stelt vragen als: wie vertelt een verhaal, en hoe verandert het verhaal wanneer iemand anders het verhaal vertelt. Behalve over het trauma van seksueel geweld is het een boek over de traumatisering wanneer iemand anders zich jouw verhaal toe-eigent. Deze vragen worden meestal gesteld in de context van gender-gerelateerd geweld, geweld tegen vrouwen.’ De narratieve structuur trof hem: de gefragmenteerde wijze van vertellen met verschillende stemmen die verschillende opvattingen hebben over goed en fout. Dat vormde de basis voor zijn regie. ‘De werkelijkheid gezien in een spiegel waarin een steen is gesmeten.’

Is een theatrale bewerking niet opnieuw een toe-eigening van het verhaal van een slachtoffer van verkrachting? Ostermeier zegt stellig: ‘Louis verwerpt deze visie. Hij zegt dat hij juist geluk heeft, omdat elke theaterversie de pijn en de last van het verhaal voor hem verlicht. Dat herhaalt hij overal waar hij komt: het is een opluchting om dit verhaal op het toneel te zien.’

Nick Bruckman denkt ook over deze vraag na. De scène waarin de verkrachting plaatsvindt lijkt hem het moeilijkst om te bewerken. ‘Je wilt niet voor de shock gaan, maar moet wel laten zien hoe heftig de verkrachting is voor het personage. Het is de gebeurtenis waar het hele stuk om draait.’ Concreet kan hij nog niet vertellen hoe hij dat vorm gaat geven, want hij heeft nog niet veel op papier. In grote lijnen: ‘Ik probeer de ruimte te vinden tussen hem als schrijver, en als personage van het verhaal. Hij bevraagt als schrijver zijn rol in zijn eigen verhaal.’

Édouard Louis houdt door en door van theater, zegt Ivo van Hove. ‘Hij begrijpt dat theater een levende kunstvorm is. Hij zegt nooit: dít is de definitieve versie.’ Die liefde maakt dat Louis genereus is met de rechten van de boeken. Een praktische reden waarom er zoveel bewerkingen zijn.

Van Hove las Louis’ debuut op aanraden van zijn dramaturg en werd getroffen door de beschrijving van het arbeidersmilieu. ‘Het was een feest der herkenning. Ik groeide op in een klein Vlaams dorp van mijnwerkers en boeren. Hoewel mijn jeugd niet zo heftig was als dat van Édouard, wilde ik ook zo snel mogelijk weg.’ Het is een universeel verhaal waarin mensen zich kunnen herkennen, zegt hij.

Wat hem ook opviel aan Weg met Eddy Bellegueule: de taal is bijzonder. ‘Toegankelijk, maar nooit banaal, het is nèt poëtisch. En je ziet dat hij in scènes denkt, dat is voor het theater belangrijk.’

Van Hove noemt Geschiedenis van geweld zijn favoriete boek, maar bij de verschijning van Ze hebben mijn vader vermoord (in het Frans Qui a tué mon père?, ‘Wie heeft mijn vader vermoord?’) wist hij dat dat het moment was om iets met Louis te doen. ‘Een boek over zijn vader, die in Weg met Eddy Bellegueule werd beschreven als racistisch en homofoob. Na lange tijd klopt de zoon aan bij zijn vader, die inmiddels vijftig is en fysiek en mentaal volledig gesloopt door een fabrieksongeluk. ‘Zijn leven lang veroordeeld tot de dood’, schrijft Édouard. Onverwacht voelt hij empathie voor zijn vader, hij begint te begrijpen wie hij is. Hij schrijft een politieke aanklacht waarin hij Franse ministers en presidenten verantwoordelijk stelt voor zijn vaders lijden. Het verhaal van zijn vader is een metafoor voor iets groters, voor klassenstrijd. Dat moet verteld worden, vind ik.’

De context is niet specifiek voor Frankrijk, denkt van Hove. ‘Ik heb met zijn toestemming de meeste namen eruit gehaald en geanonimiseerd, en een aantal namen behouden, zoals die van Macron. Het verhaal is net zo relevant voor Nederland of België, of voor Amerika. We moeten niet onderschatten dat er hier evengoed armoede is, al zie je het niet altijd. Het is verdekt, blijft binnen de muren. Armoede kent vele gedaanten. Dat is precies waarom Édouard schrijft, om dat zichtbaar te maken.’

Foto Sanne Peper