Sinds een paar jaar rolt er een verrassende lawine aan kleine muziektheaterproducties over Nederland. Vooral in het afgelopen seizoen 2014-2015 was de kwaliteit van deze kleine operaproducties onwaarschijnlijk hoog, dikwijls tegen de verdrukking in. Theaters tonen weinig belangstelling, maar makers zijn creatief genoeg om andere locaties te betrekken.

Van Dordrecht tot Nijetrijne worden in elektriciteitscentrales, leegstaande forten en andere bijzondere locaties verrassende operaproducties van de grond gebracht, vaak door makers met mooie verhalen. Op kleine schaal meestal, met jonge mensen die vaak niet zoveel betaald krijgen, soms alleen met een piano als begeleiding, soms met een harmonica, wat blaasinstrumenten en veel slagwerk. En altijd met hartstocht, oorspronkelijkheid en een schandalige hoeveelheid talent.

Het opmerkelijkste verhaal vind ik dat van de opera Polen in Plan Zuid, over een joodse jongen die in de oorlog moest onderduiken en na de oorlog opgroeit in Amsterdam-Zuid. Sopraan Julia Bronkhorst gaf het gelijknamige boek, door haar overleden echtgenoot onder het pseudoniem Daniel Vermeulen geschreven, in eigen beheer uit. Het werd een behoorlijk succes, vooral na een goede recensie in NRC Handelsblad. Componiste Caroline Ansink wilde er een opera van maken en vroeg dramaturg en psychoanalyticus Olaf Mulder het libretto te schrijven. Dat ging allemaal in nauw overleg met Bronkhorst, die zelf ook een rol kreeg: de combinatie van een aantal jonge meisjes, die het tamelijk sombere verhaal een wat vrolijker wending geeft. Caroline Ansink schreef lichte muziek voor fluit, cello, accordeon en klarinet, met een tikje Klezmer. Het eenvoudige decor van Jos Hermelink bestaat uit een grote foto van een lege straat in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Bariton Hans de Vries speelt Daniel als jongen en als volwassen man, alt-mezzo Myra Kroese speelt zijn overbezorgde moeder en een paar andere vrouwenrollen.

Deze voorstelling is eenvoudig maar bijzonder mooi, herkenbaar en ontroerend. Julia Bronkhorst wist haar met hulp van vele anderen voor elkaar te krijgen, dankzij wat subsidies en crowdfunding. Het hielp dat de voorstellingen bijna allemaal uitverkocht waren, maar ze werden nauwelijks in reguliere zalen gespeeld, wel in een synagoge, een stadsarchief, een vakbondsmuseum en een kerkgebouw – locaties waarvoor Bronkhorst had gekozen omdat ze in haar ogen een historische toevoeging gaven. Voor haarzelf was het bijzonder een rol te kunnen spelen in een opera over haar overleden man, die het ongetwijfeld heel indrukwekkend had gevonden dat zijn verhaal, op zo’n liefdevolle en gemotiveerde manier uitgevoerd, een groter publiek kon bereiken.

Toevallig is het ook zo’n beetje mijn persoonlijke verhaal. Ik had er graag veel meer familieleden mee naartoe willen nemen dan nu mogelijk was omdat alle voorstellingen uitverkocht waren. Ik hoop dat het hernomen kan worden en dat er bijvoorbeeld in het Amsterdamse Compagnietheater nog eens een serie voorstellingen van kan worden gespeeld.

Maria Nuñez

Ik noem het Compagnietheater niet toevallig. Twee jaar geleden zag ik daar de onofficiële première van Maria Nuñez van librettist Frans Lavell en componist Patricio Wang, ook al een parel van een voorstelling, ook al zo onwaarschijnlijk tot stand gekomen.

Frans Lavell stuitte in de joodse wijk de Marais in Parijs op een boekje Être juif à Amsterdam au temps de Spinoza, waarin kort over Maria Nuñez wordt verteld. Deze jonge joodse vrouw vluchtte eind zestiende eeuw met haar geliefde uit Portugal en trouwde met hem in Amsterdam. Hoewel het verhaal in buitenlandse boeken over joden in Nederland vaak voorkomt, was in Nederland nagenoeg vergeten.

Lavell besloot er een muziektheaterproductie over te maken, mede geïnspireerd door een cd met Sefardische muziek uit dezelfde tijd die hij van zijn dochter kreeg. Hij nam een stichting over, vond een componist in de Nederlands-Chileense Patricio Wang en kreeg 200.000 euro subsidie van het Fonds Podiumkunsten en enkele andere fondsen.

De voorpremière vond plaats in het Compagnietheater, de productie werd verder opgevoerd in de Amsterdamse Liberale Synagoge en op andere vreemde plekken, zoals de Werkplaats van Kees Boeke. Theaters keken er raar naar, ze vonden de makers te onbekend en het genre onduidelijk: was het een musical, wereldmuziek of toch een opera?

Ik vond het Compagnietheater schitterend voor deze vorm van theater. En dat gold ook voor een kleine uitvoering door het Nieuw Nederlands Operafront van een moderne bewerking van Puccini’s La Bohème in de regie van Lotte de Beer tijdens het Grachtenfestival. Maar dat blijven incidenten.

Schitterende locatie

Of het nu is omdat reguliere theaters geen eer denken te kunnen behalen aan opera’s, of ze deze producties te duur vinden of te onbekend, of menen dat er geen publiek voor is; feit is dat dit soort kleinschalige opera’s opmerkelijk vaak op locatie worden gespeeld. Voor de theaters een gemiste kans, maar het effect is wel vaak schitterend.

Zo speelt het in Amersfoort gevestigde Holland Opera vaak bij Fort Rijnauwen in Utrecht, een prachtige plek. Deze zomer brachten ze daar The Day After, het verhaal van de jonge Phaëton, die in zijn overmoed ongewild de hele wereld in brand zet door met de zonnewagen van zijn vader Phoebus uit rijden te gaan – een treffende metafoor voor wat er ook nu in de wereld gebeurt. Holland Opera gaf niemand minder dan de Britse componist Jonathan Dove opdracht voor de muziek; voor het Engelstalige libretto werd dramaturge April de Angelis gevraagd. Het verhaal wordt verteld door enkele vrouwen die zijn overgebleven na de grote ramp en het wordt zeer spectaculair vormgegeven met danseressen, circusartiesten, een roestige raket en heel veel vuur. Regisseur Joke Hoolboom en dirigent Niek Idelenburg vormen samen hart en ziel van Holland Opera, dat een proces begon tegen het Fonds Podiumkunsten om zijn subsidie te behouden en dit twee maanden geleden, naar mijn idee volkomen terecht, won.

Friesland

Is het produceren van kleine operaproducties op locatie besmettelijk of alleen maar aanstekelijk? In Friesland kunnen liefhebbers elke zomer op fietsafstand van elkaar, in Spanga en in Nijetrijne, de eigenzinnigste theaterproducties genieten. Twee jaar geleden zag ik ze allebei. Een weergaloze Romeo en Julia in een tent in Spanga, waarvoor componist Floris van Bergeijk muziek van acht componisten bewerkte voor blaasorkest, en die werd gebracht in vijf talen in een tegelijk hilarische en ontroerende Friese multiculturele setting – natuurlijk geregisseerd door Spanga-koningin Corina van Eijk, die ook een kei is in het combineren van film en toneel. Dit jaar maakte Floris van Bergeijk een volkomen nieuwe en eigentijdse bewerking van Mozarts Toverfluit: The Electric Flute.

In Nijetrijne zag ik in de open lucht een muzikale Knecht van twee meesters van Goldoni, door Vaughan Schlepp samengesteld uit het werk van Mozart en gezet in de vroege jaren zestig tijdens de komst van gastarbeiders en pizza’s naar ons land. Vorig jaar was er onder de titel Opera passé een sterk geactualiseerde versie van de parodistische L’opera seria van Florian Gassman uit 1769. Hier in de Friese zomer zijn de locatie, de buitenlucht en een halfopen tent zelfs bijna een principe geworden.

Elektriciteitscentrales

Ook elders worden nieuwe speelplekken gezocht. Muziektheater Hollands Diep heeft in Dordrecht de beschikking over een schitterende locatie, het Energiehuis, een verlaten en verbouwde elektriciteitscentrale. Ik zag vorig jaar in het Korzo Theater in Den Haag een heel mooie voorstelling van hen: Klaagliedjes: gedichten van Judith Herzberg, op muziek gezet door Boudewijn Tarenskeen en a capella gezongen door zes grandioze zangeressen.

In Haarlem verscheen vorig jaar zomaar een heel nieuw operagezelschap met de grappige naam The Fat Lady, onder leiding van de Israëlische dirigent en pianist Tamir Chasson en met de hulp van vele vrijwilligers. Ze maakten tot nu toe eigenzinnige bewerkingen van oude opera’s: Orfeo ed Euridice van Gluck en Dido and Aeneas van Purcell, ook in zo’n verlaten elektriciteitscentrale, de Lichtfabriek.

In Zwolle is er sinds twee jaar het Kameroperahuis, een productiehuis voor kleinschalige opera en muziektheater. Ik zag (overigens ook weer in het Amsterdamse Compagnietheater) een ingenieuze, originele, enigszins ongrijpbare De Poolse Minnaar, waarin een Nederlands meisje in Polen op zoek gaat naar haar verdwenen vriendin (tekst Annemarie Slotboom, muziek Thomas Myrmel, vormgeving Lars Unger).

In Amsterdam maakte de Diamantfabriek, een productiekern voor hedendaags muziektheater, twee jaar geleden Conversations with my Mother, op teksten van zeven schrijvers, verzuchtingen over zoons en hun moeders, met muziek van Benedict Weisser en geregisseerd door Matthias Mooij (die in 2014 helaas overleed). Dit jaar maakte De Diamantfabriek Sisters, naar de gruwelijke Griekse mythe over de zusjes Procne en Philomela, met uiterst originele muziek op saxofoons en allerlei vormen van slagwerk van de jonge Russische componiste Anna Mikhailova. Ook zag ik een grappige Händel Revue, muzikale lessen van Barokopera Amsterdam.

En dan heb ik een van de hoogtepunten van het seizoen nog niet genoemd: Daral Shaga, op de Operadagen Rotterdam, een samenwerking van de Belgische componist Kris Defoort, het Belgische circusgezelschap Feria Musica, het Franse Opera Limoges en het Nederlandse zangersensemble Silbersee, bij elkaar een wonderlijke en aangrijpende circusopera over een van de dringendste problemen van deze tijd: het lot van al die illegale migranten.

Inspiratie

Heel af en toe komt een kleine operaproductie tot stand op initiatief van of in samenwerking met een grotere instelling, zoals de operabewerking van het aangrijpende Anne en Zef van toneelschrijver Ad de Bont door het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Nederlands Kamerorkest, met levendige muziek van Monique Krüs en effectief geregisseerd door Corina van Eijk van Opera Spanga.

De Nederlandse Reisopera hielp de flamboyante mezzosopraan Tania Kross met haar interessante en baanbrekende slavenopera Katibu di Shon; Slaaf en Meester (libretto Carel de Haseth, muziek Randalf Corsen, directie Ed Spanjaard, regie Monique Wagemakers).

Ik weet niet goed wat voor conclusies uit dit alles te trekken zijn. Dat er ondanks de bezuinigingen gelukkig toch nog wat geld beschikbaar is? Of dat door de bezuinigingen musici, zangers en theatermakers datgene doen waar werkelijk hun hart ligt? Wat nergens ontbreekt is hartstocht; hartstocht om muziektheater en opera te maken, als het moet op kleinere schaal, in bewerkingen of met geheel nieuw werk, en dat nooit over onbenulligheden gaat, maar altijd over onderwerpen die ertoe doen. Voor de makers hiervan lijkt het geen probleem dat de theaters weigeren ze te programmeren; ze spelen net zo lief in de buitenlucht of op bizarre plaatsen, met hulp van vele vrijwilligers. Hooguit is het jammer voor de toeschouwers, die ze moeilijker kunnen vinden, er niet of niet op tijd over horen en die gebaat zouden zijn bij wat langere speelperiodes.

De aller-, allernieuwste groep heet B.O.O.M. (Bold Opera On the Move), piepjonge zangers met prachtige stemmen die opera’s uit het grote repertoire op huiskamerformaat willen brengen en die na een klein beetje crowdfunding net van start zijn gegaan met een sterk verkorte en vereenvoudigde versie van Mozarts Le Nozze di Figaro. Ik kijk er al naar uit.

foto: The Electric Flute, Dinand van der Wal