In zijn recente enscenering van Tony Kushners Angels in America speelt Marcus Azzini nadrukkelijk met het onderscheid tussen mannen- en vrouwenrollen. Guy Cassiers en Ivo van Hove deden dat in hun eerdere versies niet. Toch bedacht Azzini het niet zelf; toneelschrijver Kushner liet in zijn voorgestelde rolverdeling elke acteur verschillende rollen spelen, zowel mannelijke als vrouwelijke. Een bewuste strategie om levens en verhalen met elkaar te laten vervloeien.

Hoe ziet een engel er eigenlijk uit? Wie zich waagt aan een opvoering van Angels in America moet een antwoord geven op die vraag. Zelf heeft de schrijver van het toneelepos daar uitgesproken ideeën over. Van de dertig personages in het kaleidoscopische stuk is er maar één die Tony Kushner in zijn karige regie-aanwijzingen een wenselijke verschijningsvorm meegeeft. De engel die zich openbaart aan Prior, een met aids besmette jongeman die de dood in de ogen kijkt, zou op het toneel best voor wat spektakel mogen zorgen. Als het aan Kushner ligt, klinkt bij de entrée van het hemelse wezen ‘tumulteus geluid’ en schijnt er verblindend licht. Uit de hoogte van het theater komt een acteur afgedaald; het kunst- en vliegwerk dat daarvoor nodig is mag worden getoond, inclusief de toneelknechten die in de coulissen de vliegkabels bedienen. En de acteur die naar beneden wordt gehesen, is voorzien van een stel imposante, gespreide vleugels in de kleur grijs-zilver.

Kijk je naar de foto’s van de eerste opvoering in Londen en van de Amerikaanse Broadway-producties die daarop volgden, dan valt op dat de theatermakers zich braaf aan de voorgeschreven klassieke iconografie hielden. In Nederland zijn we daar blijkbaar niet zo van. De drie regisseurs die Kushners stuk hier inmiddels hebben opgevoerd laten het kunst- en vliegwerk achterwege. Ze laten het hemelse wezen gewoon het toneel op wandelen, het verschijnt letterlijk onder de mensen.R

Bovenaardse versterking

Guy Cassiers, die in 1995 Angels in America in ons land introduceerde met een zeven uur durende voorstelling bij het Ro Theater, gaf de engel een paar bescheiden vleugeltjes en wat begeleidende entrée-muziek maar daar hield het spektakel op. In de Toneelgroep Amsterdam-versie uit 2009 benoemde Ivo van Hove de verpleger uit het stuk tot engel; volledig in het wit gekleed, dat wel, maar dan in een witkatoenen ziekenhuisuniform. Geen tumultuous geluid als hij opkomt, al is hij wel de enige op het toneel die eigenhandig de plaatjes mag opzetten met de muziek van David Bowie waarmee Van Hove zijn voorstelling lardeert – hij kiest passend voor Space Oddity bij zijn eerste opkomst.

In de recente enscenering van Toneelgroep Oostpool geeft regisseur Marcus Azzini de engel een modieuzer, maar even eenvoudig aanzien. Kirsten Mulder draagt een simpel wit jurkje van glanzend kunstleer, dat mooi rijmt met haar lichtblonde haren. Net als de andere spelers loopt zij op blote voeten, maar de engel is de enige in de intieme kleinezaalvoorstelling met een zendmicrofoontje, wat de omineuze teksten die het wezen uitspreekt een bovenaardse versterking geeft. Bijzonder is het moment dat deze engel aan het eind van een scène naar achteren afloopt en in de spiegelende achterwand haar eigen beeltenis ziet. Na een korte, goedkeurende inspectie pakt Mulder héél even de borsten vast die het lijfje van haar jurk doen welven, en glimlacht tevreden.

Het is een knipoog naar het plezier van het spélen, wat Mulders engel lichtvoetiger maakt dan de serieuze verpleger/engel van Alwin Pulinckx in de voorstelling van Toneelgroep Amsterdam. Die is dreigender, zeker als hij Prior ineens overmeestert en met hem worstelt, zoals Jacob met de engel uit het Bijbelverhaal dat Kushner in zijn stuk aanhaalt. Mulders spiegelmoment zegt ook iets over het wonder van de materialisatie; alsof het etherische wezen pas bij de afdaling naar de aarde een menselijk lichaam heeft gekregen. Een lichaam dat zo fysiek is dat het Prior elke keer als zij verschijnt geil maakt van opwinding. Bovendien benadrukt het gebaar voor de spiegel het geslacht van deze engel: zij is onmiskenbaar een vrouw.

Sekse-overschrijdende casting

Vergeleken met de twee eerdere Nederlandse opvoeringen wordt in de voorstelling van Oostpool nadrukkelijker een spel met de sekse gespeeld. In Kushners toneelstuk is de vraag wat typisch mannelijk of vrouwelijk is een belangrijk thema, dat in één van de eerste scènes al wordt geïntroduceerd. Senator Roy Cohn, een van de bestaande personen die Kushner opvoert, is een autoritaire macho die bij zijn opkomst een demonstratie telefonisch delegeren geeft. Een persoon die hij uit de wachtstand haalt spreekt hij aan met ‘meneer Holland’, maar dat blijkt een vergissing: ‘Mevróuw Holland! Neem me niet kwalijk mevrouw, wat een mooie diepe stem heeft u.’ Waarop hij de man die naast zijn bureau staat te wachten in één adem toevoegt: ‘Stem als een dokwerker, dat wijf. En haar man is net Dolly Parton. Heel verwarrend.’

In de keur van homoseksuele personages die Angels in America dragen, speelt Kushner die verwarring uit. Naast Prior, een zachtmoedige jongen die zich in een droomscène opmaakt als een vrouw, is er de alphaman Roy Cohn, die zichzelf omschrijft als ‘een hetero die rondneukt met jongens’. En naast de keurige Mormoon Joe, die uit alle macht een toegewijde, kerkelijke echtgenoot probeert te zijn, is er de Afro-Amerikaanse flamboyante drag-queen Belize.

Maar de casting van de Oostpool-versie zorgt voor een extra laag in het verglijdende palet tussen mannelijk en vrouwelijk. Bianca van der Schoot speelt naast twee vrouwenrollen ook Henry, de arts van Roy Cohn die hem probeert duidelijk te maken dat ook hij aids heeft, wat in de jaren tachtig, waarin Angels in America zich afspeelt, nog een doodsvonnis was. En ook Martin Heller, een politieke strijdmakker van Roy Cohn, wordt door Van der Schoot gespeeld.

Toch is die sekse-overschrijdende casting geen eigen toevoegsel van Marcus Azzini. En wie er een voorbeeld in ziet van het gemak waarmee Nederlandse theatermakers omgaan met de scheidslijn tussen acteur en actrice heeft in dit geval geen punt. Het is Tony Kushner zelf die in zijn verdeling van de ruim dertig personages over acht acteurs de grenzen doorbrak tussen de mannen- en de vrouwenrollen. Hij gaf elk van de acht spelers voor wie hij Angels in America schreef naast een dragend personage één of meer dubbelrollen, zodat de acteurs ook in hun spel een variëteit van verschijningen en gedragingen konden laten zien. De actrice die Joe’s aan pillen verslaafde echtgenote Harper neerzet kreeg van Kushner ook Martin Heller toegewezen. De vertolkster van Hannah, de moeder van Priors liefdespartner Louis, is in Kushners verdeling ook dokter Henry. En Louis, die het hele stuk lang worstelt met zijn angst en afkeer voor de oprukkende ziekte van zijn geliefde Prior, wordt door dezelfde acteur gespeeld als de grootmoeder van Louis, die in een hemeltafereel verschijnt.

Korte metten

Het was Brecht die Kushner inspireerde tot deze – zeker voor Amerikaanse begrippen – vrijmoedige rolbezetting. Zoals Brecht ook de inspiratie was voor het tonen van de ‘achterkant’ bij het neertakelen van de engel en voor het door elkaar monteren van scènes die zich afspelen op totaal verschillende plekken. Hij gaf er de tijd en de ruimte iets vloeibaars mee, zoals hij ook de verschillende personages die door dezelfde acteur gespeeld moesten worden liet vervloeien. De engel, die bij Kushner ook een vrouw is, wordt door de dubbeling met de rol van een verpleegster een exponent van een zorgverlener, en andersom. En dat Louis zijn eigen grootmoeder speelt, vertelt iets over zijn connectie met zijn (Joodse) familiegeschiedenis.

De gender-bendende casting die Kushner voor ogen had hebben we in de Nederlandse opvoeringen nog niet in de volle omvang kunnen meekrijgen. Van Hove en Azzini brachten in hun bewerkingen, die dan ook geen zeven uur toneel beslaan, het kaleidoscopische stuk terug tot de kern. Ze schrapten een hele hoop bijfiguren, waaronder historische figuren die komen vertellen over de pestepidemieën waaraan ze bezweken zijn en het veelvoud aan engelen dat Kushner opvoert in hemelscènes waar ze somberen over de toekomst van de mensheid nu God de hemel heeft verlaten.

Guy Cassiers toonde het stuk wél in z’n geheel, maar hij ging opmerkelijk genoeg niet mee in Kushners sekse-overschrijdende rolverdeling. Hij liet de mannelijke personages door acteurs spelen en de vrouwelijke door actrices. Misschien omdat hij het epos al ingewikkeld genoeg vond, er komen zó veel thema’s langs: de geschiedenis van het dolende Joodse volk, de worsteling van homoseksuelen met hun identiteit die door het opdoemen van een angstaanjagende ‘homo-ziekte’ op scherp werd gezet, de onderdrukking van Afro-Amerikanen, de historische vervolging van Ethel Rosenberg door communistenjagers als Roy Cohn (Rosenberg doemt als een wraakfiguur op in zijn hallucinaties), en dan al die engelen in de hemel, die met elkaar aardse rampen als Tsjernobyl en de aardbeving in San Francisco bespreken – het stuk bevat een duizelingwekkende hoeveelheid informatie en verwijzingen. De brutale bewerkingen van Ivo van Hove en Marcus Azzini maken daar korte metten mee. Ze laten de hemel voor wat-ie is, houden het bij één engel en concentreren zich op de hoofdfiguren met hun aardse beslommeringen.

Tapijt van aarde

Intussen is er wel degelijk een aspect waarin de Nederlandse opvoeringen verder gaan dan de Engelse en Amerikaanse. In de geest van Brecht vraagt Kushner om een minimaal gebruik van decor. Wisselingen zouden in het volle licht moeten plaatsvinden, zonder donkerslagen. Maar op de foto’s van de Londense oerversie en de latere Broadway-productie zie je een grote hoeveelheid requisieten: bedden, tafels, snuisterijen om interieurs mee aan te kleden. Bij de drie Nederlandse voorstellingen is de flexibele ruimte die Kushner verlangde vertaald in een leeg toneel waarin de acteurs kunnen floreren, én de verbeelding. Geen requisieten, behalve een enkele infuusstandaard (Toneelgroep Amsterdam) en twee ouderwetse draadtelefoons (Oostpool).

Guy Cassiers schakelde videast Walter Verdin in, die in Amerika foto’s maakte van de verschillende locaties waar Angels in America zich afspeelt, en van objecten die een plek suggereren zoals een stethoscoop voor een scène bij de dokter. Die beelden werden als dia’s op de achterwand geprojecteerd. Vond er in het stuk een transitie plaats tussen droomvisioen en realiteit, dan liet Verdin een subtiele rimpeling door de stilstaande beelden trekken. De nadruk in zijn regie lag op een zo helder mogelijke vertelling van het omvangrijke stuk.

Bij de voorstelling van Toneelgroep Amsterdam werden ook projecties gebruikt op de enorme achterwand van het schouwburgtoneel, die bedekt is met een majestueuze, glanzende plankenvloer. In het eerste deel worden er videobeelden van New York vertoond uit de tijd dat de Twin Towers nog overeind stonden, na de pauze panoramische landschapsbeelden, alsof een engel de schoonheid van de aarde beziet.

In de versie van Oostpool bevestigt het toneelbeeld de ‘aardsheid’ van Azzini’s bewerking: met hun blote voeten lopen de acteurs op een tapijt van aarde; de aarde waarin de vele jonggestorvenen uit het begin van het aidstijdperk begraven zijn, maar ook de aarde van de oude wereld die de immigrantenkinderen die Amerika bevolken met zich meedragen, aldus de rabbijn uit de allereerste scène van het stuk.

Kushners stuk komt hier nog dichterbij dan in de enscenering van Ivo van Hove, waar de acteurs op de uitgestrekte plankenvlakte een fikse afstand moeten overbruggen om bij elkaar en bij het publiek te komen. Azzini, die met zijn gezelschap ook de grote zalen bespeelt, koos hier bewust voor de kleine zaal, waar iedereen vlak op elkaar zit en de stemmen onversterkt kunnen klinken. Het acteren is minder gezwollen dan bij Toneelgroep Amsterdam, de personages staan nóg dichter bij de acteurs. De rabbi uit het begin bijvoorbeeld is bij Toneelgroep Amsterdam Marieke Heebink als een stram, oud dametje. Bij Oostpool is het Kirsten Mulder zonder zendmicrofoon. De spiegelende achterwand, waar het publiek zichzelf kan zien zitten, benadrukt de intimiteit van de voorstelling. Het roept een gevoel van gemeenschap op: we zijn hier onder elkaar, en we zijn het begin van het aidstijdperk nog niet vergeten, het is ook óns verhaal.

Maar dat bij alledrie de ensceneringen het toneel zo leeg is, komt Kushners stuk geweldig ten goede. ‘Dit is een toevluchtsoord,’ laat Kushner een van zijn droomfiguren zeggen over de ruimte waarin hij de hallucinerende Harper ontmoet. ‘Dit hier. Dat er helemaal niks is.’ Het is zó mooi als deze zin wordt uitgesproken in een ruimte waarin inderdaad niks is. Een transformatieruimte, waarin fantasie en werkelijkheid, innerlijke beelden en uiterlijke verschijningsvorm kunnen verglijden. Waar de locaties waar het stuk zich afspeelt niet zijn afgebakend, zodat de personages elkaars woning kunnen betreden zoals ze elkaars dromen bevolken. En waar ieder moment een engel kan binnenwandelen, als een vrouw zonder vleugels maar mét borsten, waar zelfs een homoseksuele man bloedjegeil van wordt.

foto Sanne Peper