Hij bleef altijd formeel en op een afstandje, Eric Alexander. Maar de directeur van het Toneelmuseum had hart voor de zaak en zette zijn instituut op de kaart. ‘Meneer Klöters’ gedenkt hem met warmte, en hij niet alleen.

Ik wil een paar informele herinneringen ophalen aan meneer Alexander, mijn directeur van het Toneelmuseum in Amsterdam. In mijn ogen een oude man, ook toen hij jong was. Eind jaren zestig was het museum nog klein, er werkte een man of tien in vaste dienst en wat vrijwilligers. Er was weinig geld en er hing een sfeer van liefhebbers onder elkaar. We hadden veel ontzag voor onze directeur die op de meest ongewenste momenten kon binnenstormen en die altijd zeer formeel bleef, behalve als je met hem op reis was. Ook onze vergaderingen waren heel formeel.
‘Ja, dat ophalen van die schenking moet meneer Krens dinsdag maar doen.’
Krens? O, hij bedoelt Fredje!
Meneer Alexander bleef altijd U zeggen. Hij had te maken met het bestuur, met het ministerie, de gemeente en vooral met andere musea. Echte theatermensen zagen we weinig, dat kwam later pas onder Steve Austen.
Meneer Alexander zat in allerlei internationale besturen en commissies, meestal als secretaris. Die doen het werk. De buitenlanders noemden hem wel bij zijn voornaam. ‘Hello, Eric!’ Ik keek er van op dat Alexander een voornaam hàd, die had hij toch eigenlijk niet nodig?
Om half zes fietste ik wel met hem op naar huis. Als hij rechtsaf sloeg, de Van Eeghenstraat in, zei hij: ‘Sterkte, meneer Klöters’, en ik zei: ‘Veel plezier, meneer Alexander.’ Er zat nogal wat verdriet, zwaartillendheid en verantwoordelijkheidsgevoel bij de man die al jong weduwnaar was geworden met twee opgroeiende kinderen.
Alexander zette het museum op de kaart, Steve Austen maakte het groot en Henk Scholten maakte het rijp voor de sloop. Steve werd als mededirecteur naast meneer Alexander geplaatst toen het Toneelmuseum het Theaterinstituut werd, en hij overvleugelde hem vanaf dag één.
‘We hebben als directie besloten wat informeler met elkaar om te gaan’, zei meneer Alexander. ‘We willen dat we elkaar bij de voornaam aanspreken. Ik heet Eric.’
Dat was wat. Het kostte me de grootste moeite en na een paar maanden zei ik tijdens onze fietstocht naar huis: ‘Eric, zou je mij een genoegen willen doen? Zou je me weer meneer Klöters willen noemen? In ieder geval buiten het museum? Dan noem ik je weer meneer Alexander.’ Waarom? Er is niemand nog die me meneer Klöters noemt, helemaal niemand en ik mis het. Ik vond dat we zo’n voorname omgang hadden met elkaar.

Vanaf die dag waren we weer meneren totdat ik hem jaren later – hij was allang weg bij het Theater Instituut – wekelijks tegenkwam in de sportschool in een korte broek. Tegen een man met lange witte blote benen die zich in het zweet trapt, zeg je geen U.

Eric Alexander leek een oude man toen hij jong was, maar toen hij echt oud was, leek hij jonger te worden. Hij is het afgelopen jaar gestorven en hij is onder zeer grote belangstelling begraven. Er waren veel oud-personeelsleden die hem nog na twintig jaar de laatste eer wilden bewijzen.