Klassieke balletwaarden, gebrek aan rolmodellen, onbekendheid met het genre; het zijn slechts enkele van de mogelijke redenen waarom het ballet achterloopt als het gaat om diversiteit. Wat is er aan de hand en wat moet er gebeuren?

Door Sander Hiskemuller, foto Bill Cooper

In 1998 deed zich een relletje voor bij Het Nationale Ballet (HNB). Monique Duurvoort, lid van het corps de ballet, was herhaaldelijk verzocht haar donkere huid lichter te schminken omdat ze uit de toon zou vallen als zwart zwaantje tussen alle andere witte in Het Zwanenmeer. Ze had alle keren pertinent geweigerd, totdat ze door een lid van de artistieke staf, tijdens de pauze na afloop van de witte akte, gesommeerd werd de wittepoederkwast ter hand te nemen. Ze deed het niet. Dit werd gezien als werkweigering en er werd gedreigd met ontslag. De volgende dag diende ze een klacht in bij de directie en ondernemingsraad van HNB. Het liep met een sisser af.

Monique Duurvoort: ‘De motivatie was: de witte akte in een romantisch ballet is nou eenmaal synchroon en uniform, iedereen moet er hetzelfde uitzien. Ik was me ervan bewust dat de bleek- of witgemaakte huid in het academische ballet gelijk stond aan schoonheid, puurheid, onschuld en reinheid. Maar ik kon me er niet in vinden de vertaling van zulke waarden in het heden aan te houden.’

Het was Duurvoort steeds hoger komen te zitten: eerder had ze ook voor Balanchine-balletten het verzoek gehad zich lichter te schminken. En ze had al een paar keer gezien hoe solisten met een niet-westers uiterlijk uit solistenrollen waren gezet nadat de rechthebbenden van het desbetreffende ballet naar Het Muziektheater waren gekomen om de puntjes op de i te zetten.

Duurvoort: ‘Iemand met een niet puur westers uiterlijk kón volgens hen simpelweg geen Giselle of Aurora dansen. Het zou esthetisch niet passen. Wat ik schokkend vond, was dat niemand destijds begreep waar ik zo moeilijk over deed, maar mijn punt was: mijn huidskleur wordt gezien als een storend element. Met mijn relatief licht-donkere huid vroeg ik de leiding: wat doen jullie als er ooit een donkerder danseres aantreedt? Vragen jullie haar zich helemaal wit te schminken voor een romantisch ballet? Het was antwoord was: ja, dat gaan we haar vragen.’

Klassieke waarden

Inmiddels zijn we bijna twintig jaar verder en ís er een donkerder ballerina bij Het Nationale Ballet in dienst gekomen: Michaela DePrince, die afgelopen december een in de media breed uitgemeten debuut beleefde als solist in het sprookjesballet Notenkraker en Muizenkoning. En zij danste daarin ‘gewoon’ een zwarte Clara. Nog een opmerkelijk feit: tijdens de première van diezelfde oer-Hollandse versie van Notenkraker in 1997 liet HNB een zwarte danser de rol van Zwarte Piet dansen, maar nu trad de knecht van Sinterklaas voor het eerst niet ‘zo zwart als roet’ aan.

Volgens artistiek directeur Ted Brandsen, tevens artistiek adviseur van de Nationale Balletacademie, is dat geen politiek correcte keuze in het licht van de zwartepietendiscussie, eerder een sign of the times. ‘Als balletgezelschap moet je begrijpen wat er in de samenleving gebeurt, en als iets kwetsend is voor mensen moet je dat aanpassen. Een donkere huid lichter schminken in de witte aktes doen we niet meer. Een zwart zwaantje hoort er gewoon bij. Er wordt tegenwoordig flexibeler omgegaan met klassieke balletwaarden. Dat moet ook wel; een culturele instelling moet ernaar streven een afspiegeling te zijn van de maatschappij, je kunt niet eenvormig zijn. Bij ons gezelschap dansen 27 nationaliteiten, er zijn vele gradaties in kleur.’

Opzienbarend

Klassieke waarden als synchroniciteit en uniformiteit worden volgens Brandsen niet meer stringent gehanteerd in het ballet, feit blijft wel dat balletdansers van niet-westerse origine zijn ondervertegenwoordigd. Niet alleen in Nederland, in de hele westerse wereld is ballet grotendeels zo wit als de tutu van de eerder genoemde balletprotagonistes.

De jongste cijfers van het CBS laten zien dat er meer dan twee miljoen allochtonen met een niet-westerse achtergrond in Nederland wonen op een bevolking van zeventien miljoen. Daarbij steken de meeste Nederlandse dansgroepen en –vakopleidingen magertjes af wanneer het gaat om maatschappelijke representatie.

De discussie over hoe dat komt, en wat eraan kan worden gedaan, is vorig jaar aangezwengeld vanuit de Verenigde Staten, nadat er voor het eerst een zwarte danseres tot solist was gepromoveerd bij het prestigieuze American Ballet Theatre: Misty Copeland. Zúlk een opzienbarend nieuwsfeit, ook in Nederland, dat er geen krant was die er niet over berichtte. Copeland en DePrince hebben gemeen dat het een wonder mag heten dat ze tot het balletbastion wisten door te dringen. DePrince, een wees uit Sierra Leone, die uit de puinhopen van de burgeroorlog een foto opviste van een ballerina en dacht: dat wil ik óók. Misty Copeland, kind uit een gebroken gezin, wonend in een daklozenmotel in een buitenwijk van Los Angeles. Haar grote talent werd ontdekt toen ze videoclips van Mariah Carey nadeed.

Beiden hebben een autobiografie uitgebracht waarin ze ingaan op de vooroordelen die ze op hun pad zijn tegengekomen nadat ze eenmaal hadden besloten om van ballet hun beroep te maken. DePrince schrijft: ‘Als enige zwarte meisje zou ik de esthetiek van de groep kunnen verpesten, werd mij verteld door balletdocenten.’ Copeland: ‘Zwarte meisjes zijn te gespierd, schreven critici doodleuk, ze zouden niet soepel genoeg zijn en bovendien platvoeten hebben.’

Rolmodellen

Cassa Pancho richtte in 2001 in Groot-Brittannië Ballet Black op, een balletgezelschap dat louter bestaat uit gekleurde dansers. Pancho: ‘In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw waren er nog steeds mensen in het klassieke ballet die openlijk zeiden dat zwarten fysiek ongeschikt zijn voor ballet. Wat natuurlijk idioot en totaal onacceptabel is. Gekleurde mensen zijn door hardnekkige vooroordelen nooit gestimuleerd om bij de grote balletgezelschappen te auditeren, terwijl er ongelooflijk veel zwart talent rondloopt. Met Ballet Black wilde ik voor deze dansers een plek creëren en dat is succesvol gebleken: Ballet Black won in 2009 de Engelse prijs van de kritiek voor beste dansgezelschap, en in 2012 nog eentje voor beste onafhankelijke gezelschap.’

Behalve een haven bieden voor gekleurde dansers had Pancho nog een doel voor ogen: voorzien in rolmodellen voor aankomend gekleurd danstalent. ‘In 2001 waren er weinig gekleurde mannen en geen enkele gekleurde vrouw verbonden aan de Engelse balletgezelschappen. Maar rolmodellen zijn noodzakelijk. Als je je met niemand kunt identificeren, kom je ook niet op het idee dat het iets voor jou kan zijn.’

Zo lijkt het gebrek aan diversiteit in het ballet zichzelf in stand te hebben gehouden. Zien doet volgen, maar als er niet zo veel is te zien, wordt er dientengevolge bar weinig nagevolgd. Ted Brandsen erkent het probleem: ‘Bij de selectie van dansers speelt kleur geen enkele rol. Met die instelling krijg je, als het goed is, een mix die recht doet aan de diverse samenleving. Maar er melden zich gewoonweg niet veel dansers met een niet-westerse achtergrond aan. Dansers uit Aziatische landen vormen een uitzondering, omdat het ballet bij hen in de culturele beleving is ingebed.’

Brandsen denkt dat kinderen van huis uit eerder met muziek en dans van hun eigen culturele achtergrond in aanraking komen; daar hoort ballet, maar ook klassieke muziek, niet vanzelfsprekend bij. ‘Daarnaast wordt ballet door mensen met een niet-westerse achtergrond nog altijd geassocieerd met de hogere klasse. Het idee is dat meisjes van gegoede komaf op ballet gaan, omdat het bij hun opvoeding hoort. Het beeld bestaat nog altijd dat ballet ontoegankelijk is voor kinderen die niet tot de hogere sociaaleconomische bevolkingsgroepen behoren. En dat beeld klopt helaas ten dele.’

Geld en magie

Want voor de professionele beoefening van ballet is, naast talent, een aantal randvoorwaarden nodig. De eerste is geld; een balletopleiding vergt een flinke financiële investering. Kinderen met niet-westerse roots groeien in Nederland volgens het CBS nog altijd op in gezinnen met een economische achterstand; gemiddeld is er een derde minder te besteden.

Jan Linkens, directeur van de dansvakopleiding aan het Koninklijk Conservatorium: ‘Met ballet moet je vroeg beginnen, wil je er later je beroep van kunnen maken. Als kind moet je dus al heel vroeg balletaspiraties hebben en daarin vanaf groep zeven worden begeleid. Anders ben je te laat. Niet elk gezin kan het zich permitteren om een aantal jaren het geld daarvoor op te hoesten; de reiskosten van en naar onze vooropleiding zijn vaak het struikelblok. Logeren bij een gastgezin wordt dikwijls niet als wenselijk gezien. Het is jammer dat ouders van een kind met ballettalent niet weten dat er, weliswaar beperkte, fondsen zijn om hun in de kosten tegemoet te komen.’ Hoopgevend nieuws is ook dat de regering afgelopen december een motie heeft aangenomen om de reiskosten van kinderen naar een school met een dans- en muziekregeling (DAMU) te vergoeden met een gratis ov-kaart.

Linkens noemde al de tweede randvoorwaarde voor de professionele beoefening van ballet: het vroege instappunt. En daarvoor moet er op nóg jongere leeftijd een begeestering optreden, zoals Monique Duurvoort die op zesjarige leeftijd had. ‘Ik zag rond de kerst een ballet op tv, Notenkraker denk ik, en raakte betoverd. De manier waarop de ballerina in haar tutu met kroontje van glitters en pailletten van de grond leek los te komen … Magisch vond ik dat.’

En juist die essentiële betovering die een kind kan ervaren dat naar ballet kijkt, is de afgelopen jaren steeds meer onder druk komen te staan, blijkt uit navraag bij scholen en balletopleidingen. Dansvakdocenten op de basisscholen zijn grotendeels wegbezuinigd. Schoolvoorstellingen: óók afgeschaft. Zoals de oudere generaties nog weten ging het Scapino Ballet, destijds een jeugddansgezelschap, in de jaren zeventig en tachtig vrijwel bij alle lagere scholen langs – een traditie die niet meer bestaat. Brandsen: ‘Bovendien is er nauwelijks serieuze dans te zien op televisie. Ja, de danstalentenjachten zijn populair. Maar we zien dat die populariteit geen enorm effect heeft op de instroom naar balletopleidingen.’

Zo kan het gebeuren dat veel kinderen pas tijdens de ckv-lessen in het middelbaar onderwijs voor het eerst met ballet in aanraking komen. En dan zijn er nauwelijks nog mogelijkheden om in te stromen.

Uit navraag blijkt dat er mooie initiatieven zijn in Nederland: de zaterdagtrainingen van Boysaction in Arnhem, verbonden aan Artez, probeert groepen te bereiken die niet of nauwelijks met dans in aanraking komen. Of de 5 o’clock-lessen die aan de Amsterdamse Theaterschool worden gegeven en waarvoor de scouting en audities in Amsterdam-Zuidoost plaatsvinden. De doorstroom van dergelijke initiatieven naar hbo-dansvakopleidingen is groot: zo’n zeventig procent. Dan gaat het vooral om de meer op theaterdans of showmusical georiënteerde opleidingen, die dansers leveren voor de jeugddans- of de op eclectische stijlen gerichte gezelschappen als Conny Janssen Danst. Bij de op klassieke balletleest geschoeide groepen zullen ze wegens de technische vereisten zelden emplooi vinden.

Scouten

Hoe krijg je niet-westers danstalent op jonge leeftijd naar de balletstudio? Lastig, erkennen de geïnterviewden. Zoals de vooropleidingen in Nederland niet separaat worden gefinancierd maar uit de algemene opleidingspot worden betaald, zo is er eigenlijk ook geen geld om te scouten. Laat staan dat er speciale programma’s worden ontwikkeld zoals in de Verenigde Staten momenteel gebeurt. Daar wordt het zogeheten Plié-programma voor zwart talent gefinancierd uit private fondsen. Nog een voorbeeld: in Brazilië bestaan speciale programma’s die balletlessen in de favela’s brengen; twee dansers van HNB zijn zo ooit met ballet begonnen.

In Nederland zijn er volgens Ted Brandsen simpelweg geen financiële middelen om specifieke programma’s op te tuigen. ‘Daarom wordt er gescout op plekken waarvan je als opleiding kunt verwachten dat er potentieel talent rondloopt.’ Scouten voor de vooropleidingen gebeurt in Nederland dus al jaren grotendeels op dezelfde wijze: via lokale balletscholen. Jan Linkens van het Koninklijk Conservatorium ziet in dat dát geen diverser ballet zal opleveren. ‘We gaan ons daarom meer richten op het basisonderwijs. Een actieplan daarvoor is in de maak.’

Dat vindt Monique Duurvoort een goed idee. ‘Op de traditionele lokale balletscholen vind je geen zwart talent. Daarvoor moet je naar plekken waar toekomstig talent zich nú ophoudt, de wijk in, naar het jeugdcentrum bijvoorbeeld.’

Ted Brandsen: ‘Er ligt een verantwoordelijkheid bij de educatieve afdelingen van de dansgezelschappen om jonge kinderen al op de basisschool met ballet in aanraking te brengen. Die taak is erbij gekomen en we doen dat met liefde, maar er is geen extra subsidiegeld voor ter beschikking gekomen. Het voelt toch een beetje als een spagaat. Het Nationale Ballet heeft daarnaast projecten als Bijlmermeer/Zwanenmeer geïnitieerd in samenwerking met de urban dansgroep Don’t Hit Mama, of laatst nog met ISH van Marco Gerris, en dansers doen projecten in buurten in Amsterdam-Nieuw-West, waar relatief veel kinderen van niet-westerse origine wonen.’

Goedbedoelde maar cosmetische oplossingen, vindt Monique Duurvoort. ‘Feit is dat er heden ten dage nóg minder dansers met een kleurtje bij de groepen dansen dan in mijn tijd. Dat vind ik pijnlijk. Er gebeurt gewoon te weinig om diversiteit te bevorderen. Dansgezelschappen moeten ervoor gaan stáán. De hand in eigen boezem steken kan geen kwaad: hoe divers zijn ze eigenlijk als organisatie zélf samengesteld? De meeste zijn zo wit als wat.’

Cassa Pancho van Ballet Black zegt een goede formule te hebben gevonden voor het bevorderen van diversiteit, vergelijkbaar met Duurvoorts ideeën om meer kinderen van niet-westerse origine te scouten. Pancho: ‘We treden op in buurttheaters in achterstandswijken, tegen kleine vergoedingen. Kinderen met een niet-westerse achtergrond zien ons daar en komen erachter dat het wel degelijk mogelijk is om als kleurling op topniveau te dansen. Daarnaast is er aan Ballet Black een kleine school gelieerd, gevestigd in West-Londen, niet ergens op een chique campus dus, maar in een bijgebouw van een kerk. Via de kerk komen kinderen met ons in aanraking en velen blijven hangen als ze ons eenmaal hebben leren kennen.’ De grootste slag valt volgens Pancho te maken door het ballet letterlijk een diverser aanblik te geven. ‘Groepen moeten dansers van andere etnische achtergronden in een prominenter positie plaatsen. Dat geldt ook voor de academies. Zet ze ook eens met een foto in de studiegids op of de website. Als je de websites van de meeste dansvakopleidingen bekijkt, denk je dat de wereld louter uit witte meisjes met knotjes bestaat.’

Lange adem

We moeten geduld hebben, vervolgt Pancho: ‘De training van een balletdanser duurt vijftien jaar. Je moet dus beleid ontwikkelen op de lange adem. En dan duurt het nog eens vijf jaar voordat je daadwerkelijk een verandering zult zien. De balletwereld zal wel moeten; Amerikaans onderzoek wijst uit dat als een theater- of balletgroep divers is samengesteld, zich dat na verloop van tijd vertaalt in de publiekssamenstelling. En dat is goud waard in een tijd waarin het grotendeels witte publiek vergrijst.’

Om met een hoopgevende ontwikkeling af te sluiten: Ted Brandsen van Het Nationale Ballet ziet reeds een voorzichtige verandering in de publiekssamenstelling. ‘Met de schoolvoorstellingen van onze Junior Company bereiken we veel scholieren, en dat lijkt zich uit te munten. Bij de grote balletten zien we steeds vaker vriendinnengroepen van meisjes met hoofddoeken en Indiase of Surinaamse families in het publiek. Ballet hoort er meer bij, heb ik het idee, als iets wat je gewoonweg gezien moet hebben.’