De kunsten en het theater staan onder druk, horen we al jaren: de bezoekcijfers lopen terug en daarmee het draagvlak voor subsidiëring. Maar welk deel van de kunst bedoelen we dan eigenlijk? ‘Als je bestaande cijfers bekijkt, dan participeert 90 procent van de Nederlandse bevolking op een of ander manier in de populaire cultuur’, stelt hoogleraar cultuurparticipatie Evert Bisschop Boele in een interview in dit Theaterjaarboek.

‘Dat is ongeveer het hoogste percentage cultuurdeelnemers in Europa. De vraag naar de niet-bezoeker komt niet voort uit ongerustheid over de 10 procent die niet participeert; die vraag gaat veel meer over de bezoekcijfers van de gecanoniseerde cultuur, over het formele circuit.’

Dat formele circuit vormt de basis voor de productiedatabase van de Theatercollectie (voorheen TIN). Daarin worden gegevens verzameld over professionele, openbare theatervoorstellingen in Nederland. Dit is het deel van het theater dat besproken wordt door recensenten, geteld wordt door statistici, beschreven wordt door beleidsadviseurs, aan bod komt in Theatermaker en opgenomen kan worden in de Theatercollectie.

Vanuit een nieuwsgierigheid naar niet-gecanoniseerde, informele theatervormen onderzoeken we in dit Theaterjaarboek het veld voorbij het bekende, verkavelde, geasfalteerde theater. We noemen dit enorme veld voor de gelegenheid: off road theater. We vroegen zeven schrijvers om zich onder te dompelen in één specifiek genre en een reportage te schrijven over hun bevindingen.

Maar wat dan te kiezen? Wie de blik breder trekt, raakt al snel bevangen door de ruimte. Je kunt dicht bij huis beginnen: theatermakers die in hun werk peri-theatrale vormen onderzoeken zoals gesprekken of rechtszaken, of die hun theaterambacht meenemen naar ander werk zoals dat van mediator of begrafenisondernemer. Of je kunt kijken naar speciale programmering van schouwburgen, zoals theatercolleges, dinnershows, programma’s van koks, stylisten of een medium als Derek Ogilvie.

We waren echter geïnteresseerd in de verschijnselen die nog iets verder van de gebaande paden liggen en toch gedreven zijn door de kracht van de theatrale verbeelding, het plezier van het spel en de verbondenheid met een publiek. We stuurden schrijvers naar LARPs, kiki balls en een real life game. Ze onderzochten theater in bedrijven en in de zorg, Spoken Word en dans als empowerment. Ze namen fotograaf Anna van Kooij mee. Hun reportages vindt u op de pagina’s hierna.

Daarbij hoort de opmerking dat onze beschrijving noodzakelijk een beperkt snapshot is. Bij een eerste brainstorm vulden we gemakkelijk pagina na pagina met bedrijfjes, verenigingen en projecten. Met name op het gebied van toegepast theater in de (geestelijke) gezondheidszorg zijn er vele tientallen initiatieven, van de bekende Cliniclowns tot Stichting de Lachende Zon (‘belevingstheater voor mensen met een verstandelijke beperking’) en Grey Vibes (‘werkplaats theater, zang en dans voor 55 tot 100+’).

Ook op het gebied van kleinschalig jeugdtheater, performancekunst in musea, theatrale acts op clubnachten en circus gebeurt er enorm veel, al lijkt op dat gebied de kruisbestuiving met het ‘reguliere’ theater behoorlijk op gang te komen – meestal via kleinschalige (fringe) festivals.

Ook moeten we erkennen dat alleen vanuit onze positie datgene wat we hier beschrijven off road is. De meeste projecten hebben een goed functionerende eigen infrastructuur, wisselen uit met collega’s, hebben een positie op een markt. Spoken Word, drag en LARP zijn echte subculturen met een hechte gemeenschap.

Tegelijk zien we dat de aansluiting op en uitwisseling met de gecanoniseerde kunst al heel groot is. Natasha Schulte, die met Studio Spaak theater voor bedrijven maakt, studeerde aan de regieopleiding, Natasja d’Armagnac deed DasArts voor ze met Sally&Molly voorstellingen ging spelen voor zorgverleners. De Academie voor Theater en Dans in Amsterdam lonkt naar Spoken Word als ‘kleinkunst 2.0’ en er werken veel mensen met een theaterachtergrond mee aan Prison Escape.

De volgende stap is toenadering op de gebieden van documentatie, reflectie, debat en beleidsontwikkeling. Daartoe is dit Theaterjaarboek een eerste aanzet. Deels kan dat door toegepaste en recreatieve theatervormen vaker en beter mee te nemen in de reflectie op ons werk en deels door na te denken over hoe deze praktijken te documenteren en te behouden. In sommige genres, zoals Spoken Word, is enige professionalisering gewenst, andere gebieden gedijen juist goed door liefdevol vrijwilligerswerk – LARP lijkt bijvoorbeeld de rol van amateurtheater over te nemen.

Maar belangrijker is het ontwikkelen van een bredere, inclusievere opvatting over het theaterveld. Want het huidige onderscheid tussen een artistiek veld enerzijds en toegepaste en recreatieve theatervormen anderzijds is niet alleen verarmend, maar ook gevaarlijk.

Steeds vaker krijgt de kunst te maken met oneigenlijke eisen met betrekking tot ondernemerschap, worteling en (liefst meetbare) maatschappelijke impact. Het beschouwen van het circuit van formeel, gecanoniseerd theater en de off road als één geheel helpt om de juiste vragen en eisen te stellen aan de juiste instellingen en projecten. Gesubsidieerde instellingen hoeven dan niet afgerekend te worden op hun nieuwe strategieën voor worteling in de gemeenschap of het verwerven van draagvlak – daar hebben we dan een enorm reservoir van. Tegelijk kan de avant-garde weer de taak krijgen om artistieke vernieuwing te bewerkstelligen, die uiteindelijk iedereen in het veld én een veel groter publiek ten goede komt.

De laatste pagina’s van dit deel over off road theater zijn voor een beeldbijdrage van het Platform Scenography dat een theatrale blik op de werkelijkheid cultiveert. Want wie eenmaal met een oog voor off road het theaterveld bekijkt, weet al snel niet meer waar te stoppen. Levende standbeelden, goochelaars en clowns op kinderfeestjes, trainingsacteurs, modeshows, animatronic dinosaurussen in de Ziggo Dome, The Passion, openingsceremonies van grote sportevenementen, Sinterklaas, terrorisme. Theater bestaat in het oog van de toeschouwer.