Ik ben bang door De Theatertroep
tekst Cyrus Frisch
gezien in Frascati 1
★★★★☆

In 2001 maakte Cyrus Frisch bij Toneelgroep Amsterdam Ik ben bang, een voorstelling over de vraag of het leed van anderen de westerse mens nog iets doet. Kort daarvoor had hij met Roeland Fernhout en Ellen ten Damme de film Weg naar de hel gedraaid. Een roadmovie met dezelfde vraag, waarin Fernhout onaangedaan langs talloze gruwelen rijdt en uiteindelijk aankomt bij een groepje magere aidslijders. Dit waren echt zieke mensen, waar Fernhout opeens tussen moest gaan spelen dat hij geëmotioneerd werd. Een zieke geest, vond de acteur en wilde niet meer met Frisch werken.

Ook in de repetitieruimtes van Toneelgroep Amsterdam botsten de regisseur en de hem toebedeelde acteurs. Zij zaten niet in de hoorn van Afrika en konden zich wèl terugtrekken uit een productie waar ze inhoudelijk niet achter stonden. ‘Wij kunnen noch de groep, noch het publiek opzadelen met iets waarvan wij overtuigd zijn dat het nonsens is’ schreven ze in een brief aan de directie.

Het resulteerde in een trage one man show van Frisch. Een lange zelfonderzoekende monoloog over die grote vraag, waarin alles van de afgelopen periode was verwerkt, inclusief citaten uit de brieven van het ensemble, koketterie met wie hem hoeveel geld waarvoor had geboden, en sneren naar Fernhout. De grande finale was de vertoning van Weg naar de hel.

Dit alles lijkt haaks te staan op het oeuvre van De Theatertroep. Hun voorstellingen zijn doorgaans een bad aan monterheid, tekstplezier en een hilarische, alles relativerende distantie. Nu ‘zadelen ze zichzelf op’ met de nonsens van Frisch. Zowel de performance (Kyrian Esser als onhandige Frisch) als de film (Elisabeth ten Have speelt Ten Damme en Patrick Duijtshoff Fernhout) worden integraal nagespeeld. Het inmiddels typische verweerde hout, linnen en andere dikke doeken, de vale tinten van zevendehands meubels en gelig licht maken een zacht bedje voor de bestaande figuren die personages zijn geworden. Zo laat de voorstelling van Frisch zich behendig vertimmeren tot een avond over vertrouwen in een groter systeem waar je al dan niet verplicht onderdeel van bent. Voor zes schrootwandjes wordt de tragiek van ‘de uitvoerende kunstenaar’ steeds meer uitgesponnen en begint het publiek mee te voelen.

Er zit een frictie tussen de plicht van de acteurs in 2001 en de vrijwilligheid van het collectief dat alles naspeelt. Frisch heeft de voorstelling immers niet zelf geregisseerd, zij doen de originele productie na. En ik ben er nog niet over uit of de voorstelling daar spaak loopt, of juist zichzelf ontstijgt. Op haar beste momenten is de voorstelling een lofzang op de moed van de acteur. Op zijn slechtste momenten een vrijblijvende ironische spread in de Privé. Hoe dan ook stemt de avond tot nadenken. Frisch liet op Facebook weten dat hij de voorstelling een beetje ‘outdated’ en ‘tuttig’ vindt. ‘Had me dan godverdomme in mijn onderbroek gezet. Nu lijk ik een tutje.’

Twee dingen blijven het meeste bij. Ten Have die als Ten Damme zegt: ‘Heb jij als kind nooit gebeden dat je iets ergs zou overkomen, zodat je in de woonkamer zou mogen slapen en je heel veel snoep kreeg?’ En Patrick Duijtshoff, die conform de film in de laatste scène begint te huilen. In de recensies over Weg naar de hel werd dat gejank afgedaan als egocentrisch, abrupte ijdeltuiterij. Bij de Theatertroep wordt het een gedeelde smart. Gelukkig verstrekken ze rode wijn in picardiglaasjes na afloop.