Performancekunstenares Kate McIntosh nodigt in haar nieuwste voorstelling jongeren en volwassenen uit zich op verschillende manieren volkomen aan elkaar over te geven. Ervaringen en gedachten worden zo in ogenblikkelijke uitwisseling gedeeld. ‘Ik ben nog steeds voortdurend verrast door wat mensen zeggen over wat ze hebben ervaren.’
Lake Life, het nieuwste kunstwerk van de Nieuw-Zeelandse theatermaakster Kate McIntosh (1974), gaat over vormverandering. Op een vloer die er vloeibaar uitziet maar aanvoelt als een behaaglijk tapijt, nodigt McIntosh je uit om je volledig over te geven aan de mensen om je heen. De performancekunstenares die haar sporen verdiende samen met theatermakers als Tim Etchells, bouwt met deze immersieve ervaring voort op het thema van de ‘vormveranderaar’, of ‘changeling’, die science fiction-liefhebbers mogelijk kennen uit de televisieserie Star Trek: Deep Space Nine uit de jaren negentig.

Het personage Odo is hierin lid van een levensvorm die bestaat uit wezens die in alles kunnen veranderen wat ze willen: mensen, dieren, maar ook objecten. De thuisplaneet van deze levensvorm bevat een groot meer dat bestaat uit alle individuen van die levensvorm, in een ontspannen, dus vloeibare vorm. Zij zíjn het meer. MacIntosh wil ons laten ervaren wat dat voor ons zou betekenen. Op kousenvoeten, begeleid via een klein luidsprekertje op je rechterschouder, verken je de ruimte op de  vloer die bestaat uit een groot kleed met prachtig in elkaar overvloeiende kleuren. De stem op je schouder, die doet denken aan de ‘communicator’ in Star Trek, laat je contact leggen met de andere deelnemers, soms voorzichtig fysiek, soms puur met woorden. Lake Life is bedoeld voor kinderen vanaf een jaar of 10 en volwassenen. Na afloop van een voorstelling in Essen spreken we elkaar.

Wat zou je zelf willen zijn? Welk object of entiteit?

‘Ja, wat wil ik worden? Oh, wow. Ik denk dat het de hele tijd verandert. Ik denk dat ik me het meest aangetrokken voel tot de mogelijkheid van verschuiven: dat je constant van de ene vorm naar de andere verschuift. Ik ben graag in beweging en in staat om elk moment tegemoet te treden met een totaal nieuwe vorm of nieuw wezen. Er is niets dat niet mag. Het verandert ook elke minuut, als dat je vraag beantwoordt.’

Ik hoopte eigenlijk dat je een favoriete vorm had.

‘Als ik eerlijk ben verandert het steeds. Ik ben ook erg gefascineerd door levenloze dingen. Toen we dit project uitprobeerden met jonge mensen als testpubliek, merkten we dat die het het makkelijkst vonden om zich in andere mensen in te leven. Het werd al moeilijker bij planten of dieren. Maar zodra het ging om dingen zoals weersverschijnselen of objecten zoals een klok, dus echt levenloze dingen, wisten mensen niet hoe ze zich daarin konden inleven. In hun gedachten was het dood. Maar er waren ook mensen die er geen probleem mee hadden. Eén jongere zei dat hij graag een klok wilde zijn. Ik vroeg waarom. Hij zei: omdat ik dan altijd precies zou weten hoe laat het is. Daarna kwam het tot een gesprek en ging het over de vraag of je dan niet ook maker van tijd was. Als klok.

Zelf merk ik wel dat ik het liefst in iets natuurlijks zou willen veranderen, zeker als ik in de stad ben. Dan wil ik rivieren worden en luchten en wind en zee en dat soort dingen, gewoon omdat ik ze mis, denk ik.’

En als je niet in de stad bent?

‘Ik kom uit Nieuw-Zeeland en er is daar heel weinig stad, maar wel een heleboel andere dingen die heel niet-menselijk zijn. Als ik naar Nieuw-Zeeland ga, word ik eraan herinnerd hoe onbelangrijk mensen zijn.’

Hoe komt dat?

‘Door blootstelling aan ongelooflijk krachtige zaken die al voor de mens bestonden en nog lang na de mens zullen bestaan. Het is een land van aardbevingen, stormen en dingen die voor mensen moeilijk te overleven zijn. De aarde gaat gewoon door, mensen zijn een voorbijgaande fase. Dat geeft me goede energie. Ik geniet ervan.’

Het thema van deze voorstelling is ‘shapeshifting’. Dat is ontleend aan het personage Odo in Star Trek. Ben je zelf een ‘Trekkie’, oftewel fan van die televsiefranchise die al sinds 1966 bestaat?

‘De persoon die dat verhaal echt op tafel bracht, is onze dramaturg, Harun Morrison. Hij weet dat al mijn werk over transformatie gaat. Dus in mijn gesprekken met hem was hij degene die dit verhaal over ultieme vloeibaarheid naar voren bracht, en ook dit ongelooflijk aantrekkelijke beeld van een gemeenschap die echt kan samensmelten en ervaringen en gedachten kan delen in een ogenblikkelijke uitwisseling.

Ik moet zeggen, dat ik me meer aangetrokken voelde tot deze twee kwaliteiten dan tot de echte nitty gritty van de Star Trek-kant van het verhaal. Dat was frustrerend voor onze dramaturg, omdat hij ons bleef terugbrengen naar de concrete realiteit van die serie. Ik wilde een ander verhaal maken, maar natuurlijk erkennen we Star Trek, dus ik moet bekennen dat ik wel beelden van Odo heb gezien, maar nooit hele afleveringen uit de serie. Ik wilde een eigen relatie met de beelden krijgen.’

Als je zegt dat transformatie in al je werk zit, is dit dan een soort culminatie: de absolute vormverandering bij het publiek teweegbrengen?

‘Zeker. Er zijn twee lijnen in mijn werk. De ene is veel theatraler en veel meer… ik zou het ‘traditioneel’ noemen. Het is performatief. Het publiek moet zelf rustig zitten en nadenken over wat aan hen wordt voorgeschoteld. En dan is er nog een ander deel van mijn werk, dat veel immersiever is. Soms is er helemaal geen performer, zoals bij Worktable, waarbij het publiek alle handelingen doet waarvoor het wordt uitgenodigd. Er zijn een paar stukken die op elkaar voortbouwen in termen van wat ze sociaal proberen voor te stellen. Worktable is een heel solistische activiteit die je alleen doet in een gedeelde ruimte, maar dan ook écht alleen. Bij In Many Hands wordt helemaal niet gesproken, maar heb je alleen fysieke interacties met vreemden, heel sensueel, heel tactiel. In Lake Life wilde ik het interactiever maken, dus socialer. Het gaat over het delen van ruimte en ontmoetingen met mensen die je niet kent. Hoe breng je daar een uitwisseling tot stand?

In die zin zijn het wel ontwikkelingen. Dit werk is ook specifiek gemaakt voor een publiek waarin generaties gemengd zijn. Het Kunstenfestival in Brussel nodigde me uit om een stuk voor jongeren te maken. Ik was meteen enthousiast over het idee van een gemengde ruimte waarin generaties elkaar zouden ontmoeten, dus jongeren en volwassenen. Vervolgens zijn we al heel vroeg gaan werken met testpubliek om te ontdekken welke leeftijdsgroep er goed mee overweg kan. Zo kwamen we tot de leeftijdscategorie ‘vanaf tien jaar’. Vanaf die leeftijd durven kinderen onafhankelijker te denken. Je durft los te komen van de volwassenen die je begeleiden, en bent gemotiveerd om vreemden en volwassenen te ontmoeten en iets te zeggen te hebben.’

Kinderen in de basisschoolleeftijd staan meer open voor abstractie, terwijl het voor pubers niet concreet genoeg kan zijn. Jouw doelgroep zit daar dus precies tussenin? 

‘Ik denk dat er een heel interessante periode is tussen een jaar of 10 en bijna 14, waarin er nog veel openheid is, maar ook een grote interesse in verbinding en interactie met de volwassen wereld. Maar het is natuurlijk bestemd voor tieners en iedereen tot hoe oud iemand ook kan zijn. Dus we moesten iets maken dat iedereen kan vertrouwen. Dit is altijd mijn belangrijkste prioriteit. Iedereen die binnenkomt, proberen we op zijn gemak te stellen en vertrouwen te geven in de situatie, ook al is het heel vreemd wat er wordt aangeboden. Het ging er nu om dat deze mix van leeftijden zich ontvankelijk zou voelen voor het materiaal dat we aanbieden.’

Ik bewonderde de manier waarop je vertrouwen overbrengt, want dat is essentieel, denk ik. Hoe bereid je je voor op zoiets?

‘We werken dus veel met testpubliek, bijna vanaf het begin. We zijn negen weken in de studio geweest, wat relatief lang is, en om de een of twee weken nodigen we het publiek uit. Dan observeren we hoe mensen reageren en vragen aan hen ook om achteraf te praten over hoe ze zich voelen, ons te vertellen wanneer dingen verwarrend zijn, of wanneer ze vervelende dingen ervaren. Het is geweldig om naar mensen te kijken en te zien hoe ze erin versmelten. Belangrijk is, dat ik zelf niet echt van participatief werk houd. Ik ben echt een van die zeer voorzichtige toeschouwers in een artistieke omgeving. Op andere plaatsen neem ik graag deel aan sociopolitieke omgevingen, maar in kunstcontexten ben ik voorzichtig. Ik ben een heel kritisch publiek, ook voor mijn eigen werk.

Ik kan er natuurlijk niet van uitgaan dat mijn gevoeligheden dezelfde zijn als die van anderen. Ik wil graag begrijpen hoe je genoeg ruimte kunt geven aan mensen die echt enthousiast zijn, geen drempel hebben en gewoon klaar zijn om te gaan. En dan: hoe kun je genoeg stappen en vertrouwensmomenten geven aan de mensen die voorzichtiger zijn, zodat ze hun weg vinden. Dat begint al bij de kaartverkoop, maar eigenlijk bij de hele foyer-ervaring. Dat hebben we allemaal heel zorgvuldig getraind. Het is de bedoeling dat het heel ontspannen aanvoelt, maar tegelijkertijd gaat het er ook om hoe je het tuigje krijgt aangemeten, dat in de voorstelling een rol speelt. We geven veel training aan de mensen over hoe ze anderen moeten aanraken, hoe ze moeten vertellen wat er aan de hand is, zodat ze zich geen dieren voelen die worden vastgepakt.’

Het zou verontrustend zijn als je het gevoel hebt dat je bekeken wordt. Ik dacht wel dat het geweldig zou zijn om naar deze show te kijken om te zien hoe dit gebeurt, want ook je set is prachtig, en ik denk dat het zien bewegen van de mensen op de set een voorstelling op zich zou zijn. Heb je er ooit aan gedacht om een ander deel van de toeschouwers toe te laten kijken?

‘Ik zou dat zo’n vertrouwensbreuk vinden, ik zou het nooit doen. Ik bedoel, ik laat ook nooit fotografen toe en ik probeer het aantal mensen in de zaal die niet deelnemen, te minimaliseren omdat het de concentratie verdunt. We merkten echt hoe het mensen wegtrekt van waar ze echt zijn, als ze weten dat er een ander bewustzijn in de kamer is dat niet kwetsbaar is zoals zij. Maar eerlijk gezegd kan het ook heel saai zijn om van buitenaf toe te kijken.’

Want?

‘Het stuk speelt zich echt af tussen de mensen. Het stuk draait om het oogcontact en het gesprek, hoe ze elkaars lichaam lezen, de tactiliteit, al die dingen. Ik vertrouw dus vooral op mensen zoals jij die me vertellen wat er voor hen is gebeurd, want ik heb elke show gezien die er is geweest. Ik kan de ruimte een beetje lezen, maar ik ben nog steeds voortdurend verrast door wat mensen zeggen over wat ze hebben ervaren, wat er voor hen gebeurde, of welke delen intens waren, omdat je dat van buitenaf eerlijk gezegd gewoon niet kunt zien.’

Past jouw voorstelling in de tendens die ik ervaar, dat mensen behoefte hebben aan fysieke nabijheid in een wereld waar elektronica steeds meer afstand mogelijk maakt?

‘Ik denk dat ik live optreden waardeer omdat het een sociale ruimte is. Elke vorm van live performance is een openbare ruimte, een sociale ruimte. We vinden ongebruikelijke of verbindende manieren om de openbare ruimte te delen. Dat is ongelooflijk waardevol en belangrijk. Ik vind het interessanter dat we ons bewegen in een niet-commerciële ruimte, dan de vraag of het digitaal is. Digitale ruimtes zijn commerciële ruimtes en dat geldt ook voor veel van onze fysieke, openbare ruimtes. Die zijn er vooral om je te laten consumeren. Ik ben geïnteresseerd in deze relationele experimenten omdat mensen daar heel goed in zijn. Hoe verfijnder onze vaardigheden zijn om elkaar te ontmoeten en elkaar te herkennen, hoe meer kansen er volgens mij zijn in de wereld.’

De wereld polariseert. Kan kunst daar iets tegen doen?

Iemand heeft gezegd dat kunst de wereld niet verandert, maar mensen wel kan helpen om de wereld te veranderen. Ik geloof dat er allerlei artistieke contexten zijn waarin mensen nieuwe mogelijkheden en nieuwe energie vinden, en zich met elkaar kunnen verbinden, en dat kunnen doen op een manier die nieuwsgierig, vertrouwensvol en open is. Dat zijn de kwaliteiten die nodig zijn om tendensen tot geweld en polarisatie tegen te gaan. Dat geldt niet alleen voor de kunsten, maar voor elke context die dat soort ontmoetingen aanmoedigt.’

‘We zijn fysiek volkomen afhankelijk van elkaar, dit is voor mij glashelder. Het is veel moeilijker om geweld te gebruiken tegen een lichaam waarvoor je je medeverantwoordelijk voelt of waarmee je samenleeft.’

Foto Bea Borgers

Lake Life van Kate McIntosh is te zien op SPRING Performing Arts Festival in Utrecht van 30 mei t/m 1 juni.

Tickets via  www.springutrecht.nl

Dossiers

Theaterkrant Magazine mei 2024