Hoe wordt een acteur op de toneelschool opgeleid? In dit deel van een serie over toneelmeesters koestert Vincent van der Valk zijn warme herinneringen aan de Toneelacademie en zijn docenten René Lobo en Steven Van Watermeulen. Als toneelmeester zegt hij zelf: ‘Kernwoorden in mijn lessen aan de regiestudenten zijn: ‘vrijheid’ en ‘alles kan’.’

AMSTERDAM/REYKJAVIK/ARNHEM/HONGKONG

‘Ik ben in 1985 in Amsterdam geboren. Toen ik een half jaar oud was verhuisde ik naar de hoofdstad van IJsland, Reykjavik. Mijn moeder is IJslandse en zij werd artistiek leider van de Iceland Dance Company in Reykjavik. Voordat wij naar IJsland vertrokken, had zij als danseres bij het Nationale Ballet en bewegingstheater Bewth de hele wereld over gereisd. Ik heb altijd een sterke band met mijn moeder gehad. Zij is van grote invloed geweest op mijn artistieke ontwikkeling. Zij is een hartstochtelijk liefhebber van alle kunstdisciplines. Mijn vader is paukenist en drummer, en hij speelde lang bij het Orkest van de Achttiende Eeuw. Het artistieke is mij met de paplepel ingegoten in een liefdevolle omgeving. Repeteren, iets maken en laten zien, werd thuis van jongs af aan gestimuleerd. Ik heb twee oudere halfbroers en een jongere broer, met wie ik als kind talloze dansvoorstellingen en filmpjes maakte.

In 2022 ben ik teruggegaan naar IJsland, waar ik in Reykjavik bij het Nationaal Theater in de voorstelling Zeven sprookjes over schaamte van Tyrfingur Tyrfingsson heb gespeeld. Het was waardevol om daar, waar niemand mij kende, het onbekende IJslandse deel van mezelf te ontdekken, wat te vergelijken is met een landschap. Nederland is plat is en je kan zien zover het oog reikt. In IJsland zijn hoge bergen, is de natuur grillig en kan het weer ieder moment omslaan. Dat zie je gereflecteerd in de cultuur en de ziel van de mensen in IJsland, die extremer en misschien ook wel een tikkeltje manischer is dan die van ons. Ik realiseerde me toen dat die aspecten van mijn persoonlijkheid daar vandaan komen.

Op mijn zesde jaar keerden we terug naar Nederland, omdat mijn moeder artistiek leider van de Dansacademie in Arnhem werd. Daar heb ik tot mijn zestiende jaar gewoond. Zolang ik me kan herinneren voelde ik de aantrekkingskracht van theater en alles wat daarbij hoorde, zoals teksten leren en repeteren. En ik ontwikkelde een liefde voor taal. Ik schrijf al zolang ik kan teksten en gedichten. Er werd bij ons thuis veel gesproken. Er was altijd bezoek en er was van alles gaande. Als stil en verlegen kind vond ik het fijn om getuige te zijn van de interessante volwassen conversaties, die altijd wel ergens over gingen.

In 1997 zag ik met mijn moeder in de kleine zaal van de schouwburg in Arnhem Midzomernachtsdroom door leerlingen van het Thomas a Kempis College. Ik was totaal overdonderd door de voorstelling, wilde ook naar die school en startte er mijn vwo-opleiding. In de schoolvoorstelling tijdens het eerste jaar zat ik achter de piano in het orkest. Maar wat de acteurs deden vond ik veel leuker, grappiger en spannender. Hun toneelspel had een grote aantrekkingskracht, en ik wilde dat ook. Ik deed auditie en werd aangenomen. Sindsdien speelde ik op school in een aantal muziektheatervoorstellingen en dat voelde enorm bevrijdend.

Op mijn vijftiende stopte ik met het vwo omdat ik acteur wilde worden. Ik deed de selectiecursus op de HKU, de enige acteursopleiding die ik kende, en werd natuurlijk niet aangenomen. Mijn wereld stortte in. Iemand attendeerde mij toen op United World Colleges in Hongkong en daar heb ik in twee jaar mijn middelbare school afgemaakt. Het was bijzonder dat mijn ouders mij dat vertrouwen gaven en erin toestemden. Toen ik aan mijn vader vertelde dat ik met school wilde stoppen en ik zei: ‘Jij hebt ook de hele wereld over gereisd omdat je dat leuk vond’, antwoordde hij met tranen in de ogen: ‘Het is goed’. Het was een voortreffelijke internationale opleiding met veel aandacht voor theatre arts. Ik deelde mijn kamer met jongens uit Ecuador, Hongkong en Tanzania. Als je op zo’n jonge leeftijd al zo intensief met mensen van over de hele wereld samenleeft, leer je andere culturen beter begrijpen. Ook ontwikkelde ik daar mijn politieke bewustzijn, waardoor ik soms wel eens dacht: moet ik niet iets gaan doen waarmee ik de wereld echt kan veranderen? Ik kwam er in die twee jaar achter dat ik te emotioneel en te dramatisch ben aangelegd om echte politiek te bedrijven en dat ik binnen het theater veel beter tot mijn recht kom. Daarom wilde ik naar de toneelschool. Maar niet in Nederland, want ik had van de wereld geproefd. Ik ging naar New York.

NEW YORK/MAASTRICHT

In New York werd ik aangenomen op de Circle in the Square Theatre School. Ik stond te popelen om te beginnen, maar ik ontdekte al snel dat er niet veel creativiteit en talent op de school aanwezig was. Ik werd er geconfronteerd met een nogal eenduidige, op psychologisch realisme gefocuste visie op theater. Er werd vooral gewerkt aan waarachtigheid en het teruggaan naar emotionele herinneringen om te gebruiken tijdens het spelen van scènes. We moesten Stanislavski bestuderen en tijdens het lezen ontdekte ik dat het bij hem ook over de verbeelding gaat. Ik stelde daar vragen over, maar werd door de docenten en mijn klasgenoten als lastpak beschouwd en er ontstond een strijd tussen mij en de school. Achteraf gezien was die clash heel goed, omdat ik gedwongen werd om te definiëren waar ik dan wel naar op zoek was. En dat was blijkbaar niet alleen maar naar zo geloofwaardig mogelijk een scène spelen. Na een jaar werd ik weggestuurd. Maar ik wilde daar ook niet verder. Ik sprak met Amerikanen die zeiden: ‘Wat doe je hier? Je moet naar Maastricht!’. Die  wisten gewoon dat Nederlandse toneelscholen veel beter waren dan die in New York. Toen heb ik aan de Toneelacademie Maastricht gevraagd of ik nog de selectiecursus kon doen en het mocht. Ik vloog vanuit New York naar Nederland. Toen ik door het kleine Maastricht wandelde dacht ik: ga ik het hier wel vier jaar uithouden? Maar toen ik de Toneelacademie binnen stapte, was ik meteen betoverd door de sfeer. Aan Maastricht heb ik alleen maar goede herinneringen. Ik werd er gezien, gestimuleerd en uitgedaagd om zelf te gaan maken. De lessen van René Lobo hebben veel invloed op mij gehad. Hij leerde mij dat er geen excuus is als je op het toneel staat. Je moet je dan voor 150 procent geven en anders rot je maar op. Dat vuur is er zo in geramd, dat het nog steeds in mijn spel resoneert. Ook leerde ik van hem om mezelf geen grenzen op te leggen tijdens het spelen. In de huidige tijd van grensoverschrijdend gedrag zou dat waarschijnlijk te ver gaan. René Lobo was per definitie grensoverschrijdend in zijn hele existentie. Het is goed dat zoiets nu niet meer kan, maar voor mij werkte het toen. Omdat het te maken had met een onvoorwaardelijkheid tijdens het spelen die ik heel belangrijk vind.

Een andere docent die heel bepalend voor mij is geweest en bij wie alle kwartjes begonnen te vallen, was Steven Van Watermeulen. Hij was in staat om vrijheid tijdens het spelen te creëren door middel van simpele technieken, zoals knippen in een monoloog. Dan zei je twee zinnen en maakte je daarna een knip en kon je de twee daaropvolgende zinnen heel anders doen. Hij maakte mij duidelijk dat je als speler bij alles zelf de knoppen bedient. Je kan het zo gek niet bedenken of je mag het doen. Dat opende voor mij een zee aan mogelijkheden. En hij leerde mij om de tijd te nemen. Soms zat er wel tien minuten pauze tussen twee replieken. Daarin gingen we dan gekke bewegingen doen. Het was spannend om echt op zoek te gaan naar zaken waarvan je misschien zelf niet eens wist dat ze er waren. Waardoor je bij gevoelens komt waarmee je in het dagelijkse leven geen contact maakt. Maar iets is niets als je het niet vormgeeft. Daarom heb je de techniek nodig, om ernaar te laten kijken. Je moet altijd vormgeven aan wat je zegt, hoe waarachtig dat ook is.

DE PRAKTIJK

Sinds mijn afstuderen aan de Toneelacademie werk ik nu al dertien jaar samen met schrijver/regisseur Casper Vandeputte. Wij zijn in de loop van de jaren artistieke partners in crime geworden en delen onze voorliefde voor filosofie en actualiteit. In 2020 ontvingen we samen de Taalunie Toneelschrijfprijs voor onze tekst Immens. Hij is een scherpzinnige en intelligente regisseur, die altijd focust op het plezier tijdens het spelen. Hij is als regisseur ook vaak een goede spiegel voor mij geweest. In 2011 speelde ik in de voorstelling Polaroids van Mark Ravenhill een aidspatiënt. Tijdens een repetitie vielen mijn medicijnen op de grond. Ik likte die van de grond op en deed er ook nog heel veel anders bij, op zoek naar intensiteit. En dan zei ik in wanhoop tegen hem: ‘Het lukt me niet’, waarop hij antwoordde: ‘Die pillen likken is al genoeg. Het beeld doet het werk’.

Andcompany&Co is een Berlijns performance collectief waarmee ik ook veel heb samengewerkt. Hun politieke manier van theatermaken, waarbij allerlei soorten performers met totaal verschillende speelstijlen samen op de vloer staan, heeft mijn blik op wat spelen is, verruimd. Op de dag van de première van Der (Kommende) Aufstand, de eerste voorstelling die ik in 2012 met ze maakte, leefde ik in de veronderstelling dat die niet goed kon zijn omdat iedereen op de vloer wat anders deed. Maar juist die bonte verzameling mensen die samen een opstand ensceneerden bleek de kracht van de voorstelling. Ik ontdekte dat kwaliteit in de kunst een relatief begrip is en dat het er in het theater vooral om gaat wat er tussen de spelers en het publiek gebeurt en minder om hoe ‘goed’ iets gedaan wordt.

Met Thibaud Delpeut heb ik ook veel gewerkt. Met zijn diepgaand menselijke inzicht kan hij zijn acteurs op indrukwekkende wijze doorspekken met informatie over de belevingswereld van het personage. Ook stimuleert hij de acteurs tijdens het repeteren om hun grenzen op te zoeken, kijken hoever ze emotioneel durven te gaan. Hij wil niet dat hun spel te pleasend wordt, vanwege zijn radicale overtuiging dat theater een nietsontzienende en daarin ook politieke gebeurtenis is. Thibaud heeft me geleerd om als acteur minder te ‘doen’ en meer ‘naar me te laten kijken’. En hij heeft me de veiligheid en het vertrouwen op de vloer gegeven om dat te kunnen onderzoeken. Dat is voor mijn ontwikkeling als acteur heel belangrijk geweest.

Goede regisseurs, zoals Casper en Thibaud, weten dat acteren een proces is. Voor mij werkt het niet als een regisseur het eindresultaat al in een te vroeg stadium benoemt. Als er in een repetitieproces de aandacht op de juiste dingen wordt gevestigd, dan gaan op een gegeven moment, het liefste een paar weken voor de première, die dingen vanzelf op hun plek vallen. Doordat we er samen aan hebben gewerkt. Een regisseur moet de acteur die ontdekkingsreis gunnen om er op zijn eigen manier te komen en er vorm aan te geven. Ik wil als acteur de autonomie behouden. Er is pas sprake van een ultieme samenwerking en kruisbestuiving wanneer de regisseur die autonomie van de acteur gebruikt.

TONEELMEESTER

Ik heb lesgegeven aan studenten van de acteursopleidingen in Arnhem en Utrecht en de regieopleiding in Amsterdam. Kernwoorden in mijn lessen aan de regiestudenten zijn: ‘vrijheid’ en ‘alles kan’. Ik vind het belangrijk om ze mee te geven dat alles mogelijk is, je kan het zo gek niet bedenken of je kan het op toneel brengen. In vrijheid alle mogelijkheden onderzoeken en spelen met verschillende perspectieven. Ik geef ze het vertrouwen dat hun eigenheid het goud is waar ze naar op zoek zijn. Ik laat ze ontdekken waar ze van aan gaan, waar hun harten sneller van gaan kloppen en probeer een liefdevolle en veilige omgeving te creëren om op onderzoek te gaan. Ik stimuleer ze ook altijd om te gaan schrijven, omdat ze dan in een andere modus terecht komen, waarbij ze moeten nadenken over wat ze zeggen, wat dan weer nieuwe creativiteit oplevert.

Bij de acteursklassen werk ik vaak vanuit een tekst. Als we gezamenlijk een stuk hebben gekozen en het een keer hebben gelezen geef ik, zoals René Lobo dat vroeger ook bij ons op de Toneelacademie deed, als eerste opdracht: speel nu het hele stuk. Ik geef jullie een half uur om het voor te bereiden. We zijn dan bezig om elkaar te inspireren en het DNA van onze zoektocht te creëren. Alles wat tijdens de lessen gebeurt, hoe klein ook, komt in dat DNA terecht. Ik merk soms bij de studenten dat ze nog niet goed met de tekst omgaan en nog niet maximaal alle schakeringen in de woorden kunnen gebruiken en dan stimuleer ik hen om de tekst zoveel mogelijk te kneden en uit te vergroten.

Ik geef les vanuit de gedachte dat in principe alles kan. Dogma’s zijn voor mij oninteressant. Ik wil in iedere voorstelling opnieuw kunnen uitvinden wat theater is. Als docent doe ik een beroep op de studenten om daarover mee te fantaseren. Voor mij is het belangrijk om alles te kunnen gebruiken om tot dat wonderlijke samenspel van theater te komen.’

fotograaf onbekend

Dossiers

Theaterkrant Magazine september 2023