Nederlands toneelrepertoire wordt nauwelijks opgevoerd. Klassiekers zijn onbekend, heropvoeringen van moderne stukken worden gemeden. Met het project ‘In Reprise’ geven theaterwetenschappers en neerlandici de nationale canon een opfrisbeurt.

Door Nuno Blijboom, foto Jan Versweyveld

Slechts drie stukken uit het reservoir aan Nederlandse toneelstukken werden afgelopen seizoen heropgevoerd, waarvan twee stevig bewerkt. Opera2Day maakte in samenwerking met het Nationale Toneel een operaversie van Mariken van Nieumeghen (onder de titel Mariken in de tuin der lusten), Oostpool speelde Vanden Winter ende vanden Somer als jeugdvoorstelling en Toneelgroep Amsterdam (TA2) bracht de reprise van Een bruid in de morgen.

Nederlandse toneelschrijvers lijken hun teksten te schrijven alsof het decors zijn; ze worden gemaakt voor één voorstelling en daarna weggegooid. Sommige worden gepubliceerd in boekvorm, maar nieuwe opvoeringen of bewerkingen zijn eerder uitzondering dan regel. Hetzelfde geldt voor ensceneringen van klassieke Nederlandse toneelteksten. Om daarin verandering te brengen startten drie wetenschappers het project ‘In Reprise’, met als doel het Nederlandse repertoire weer onder de aandacht te brengen en hopelijk vaker gespeeld te krijgen.

Shortlist

Initiatiefnemers van het project zijn hoogleraar Oude Nederlandse Letterkunde Bart Ramakers (Rijksuniversiteit Groningen), literair historicus René van Stipriaan (Stichting Digitale Werken) en universitair docent theatergeschiedenis Rob van der Zalm (Universiteit van Amsterdam). Ook theatermaker Ronald Klamer (Het Toneel Speelt) was bij de beginfase van het project betrokken. Hun doel: de bekendheid van het Nederlandse toneelrepertoire vergroten. Van der Zalm: ‘Kijk naar de jaren tachtig en negentig. Een groot aantal nieuwe stukken is toen in première gegaan en is heel succesvol geweest, maar waar zijn die stukken nu?’

Het project verloopt in drie fases. De eerste fase werd in oktober 2014 gelanceerd tijdens het vijftigjarig jubileum van de opleiding Theaterwetenschap aan de UvA. Hiervoor was een longlist van honderd stukken samengesteld door dertig experts op het gebied van letterkunde en cultuurgeschiedenis, met titels variërend van Hugo Claus’ Een bruid in de morgen (1955) tot Willem Godschalck van Focquenbrochs De min in ’t Lazarus-huys (1670). Belangstellenden konden door middel van een enquête een persoonlijke top-tien samenstellen met de toneelstukken die zij nog eens opgevoerd zou willen zien. Op basis van 224 reacties kwam een shortlist met vijfentwintig stukken tot stand, met als top-drie: Ten Oorlog van Tom Lanoye (1997), Lucifer van Vondel (1654) en de Leedvermaak-trilogie van Judith Herzberg (2002).

Van Stipriaan merkt op dat het project niet overal juichend is ontvangen. Zo stelde Hans Croiset bij de presentatie van de eerste fase in maart 2015 dat theatermakers veelal op zoek zijn naar iets nieuws en daarom niet gauw voor repertoire kiezen. Ook mede-initiatiefnemer Klamer trok zich bij nader inzien terug, omdat hij het niet eens was met de gekozen opzet. Hij had de totstandkoming van de shortlist liever aan experts overgelaten. Rob Ligthert, regisseur en directeur van de Toneelacademie Maastricht, reageerde in NRC Handelsblad op de shortlist met de vraag of in de geselecteerde stukken wel voldoende universele betekenis schuilgaat.

Van der Zalm benadrukt dat de organisatoren met het project vooral de kennis willen verbreden: ‘We willen de stukken opnieuw voor het voetlicht brengen en ze aanbieden aan de makers. Kenners zeggen dat dit goede teksten zijn, dus voel eens eventjes. Proef ze eens. Kijk eens of je daar wat mee zou kunnen. Als je Pinter wilt spelen, waarom kijk je dan niet naar Lodewijk de Boer? Die heeft vanaf de jaren zestig tientallen stukken geschreven die verwant zijn aan het oeuvre van Pinter en Genet. Waarom zou je die niet kiezen?’

Daarmee brengt Van der Zalm een interessante vraag aan het licht: waarom wordt Vijand van het volk van Henrik Ibsen wel gespeeld maar Pantserkrant van Menno ter Braak niet? Heeft dat met kwaliteit te maken? Is Ibsen beter dan Ter Braak? Van Stipriaan vermoedt dat er iets anders aan de hand is; dat de financiële staat van het theater zich niet leent voor minder bekende stukken. Als de vertrouwde Ibsens het goed doen, waarom zou je dan een Ter Braak opvoeren, van wie zo weinig mensen gehoord hebben? Van der Zalm, gepromoveerd op de opvoeringsgeschiedenis van Ibsen in Nederland, klinkt optimistischer: ‘Onbekend maakt onbemind, maar wij denken op deze manier het repertoire weer in het blikveld van dramaturgen en regisseurs te brengen.’

Snoepkist

De shortlist uit de eerste fase vormt de kern van fase twee. Met hulp van een groep studenten wordt een online toolbox samengesteld met zo veel mogelijk informatie over de vijfentwintig stukken. Deze beslaat niet alleen de opvoeringsgeschiedenis en de tekst zelf, maar ook secundaire literatuur, werkscripts van acteurs en regisseurs, recensies en scènefoto’s. De toolbox moet zo toegankelijk en compleet mogelijk worden, zodat niet alleen regisseurs en dramaturgen ermee aan de slag kunnen, maar ook neerlandici, historici en geïnteresseerd publiek.

In de praktijk stuit het project al op enthousiasme, zoals bij dramaturgen Karim Ameur en Remco van Rijn van het Nationale Toneel. Ameur: ‘Als dramaturg ben je altijd op zoek naar informatie. Als er zo’n mooie en goed gevulde snoepkist voor je klaarstaat waar je naar hartenlust in kunt graaien, zou je wel gek zijn de andere kant op te kijken.’

Ameur en Van Rijn merken dat het opdrogen van de informatiebron al begint bij de opleidingen. Toen tijdens zijn studie Neerlandistiek aan de UvA de Gijsbrecht werd behandeld, werden Van Rijn en zijn medestudenten naar Theaterwetenschap verwezen voor meer informatie. In Ameurs studententijd was het Nederlands repertoire bij Theaterwetenschap aan de Universiteit Utrecht een bijna non-existent studieonderwerp. Van Rijn: ‘Wat dat betreft is het mooi dat dit project weer teruggrijpt op die oude teksten. Het multidisciplinair karakter van In Reprise is een luxe; met één project komt het gesprek weer op gang.’ Ameur merkt nu al dat het vruchten afwerpt: ‘De gesprekken met neerlandici als René van Stipriaan over Den Spaanschen Brabander van Bredero planten wel een zaadje. Dat heb je ook nodig als dramaturg: inspirerende mensen die gegrepen zijn door een bepaalde schrijver of periode.’

Van Rijn geeft wel een waarschuwing: ‘Je zou alleen repertoire moeten spelen als je denkt dat je een briljant idee hebt. Na Aktie Tomaat zei het Publiekstheater: “Volgens ons moet je Vondel in deze tijd zo doen. Kom maar met een tegenvoorstel.” Het zou erg zijn om een tekst als de Abele Spelen alleen maar op te voeren uit een gevoel van verplichting en het vervolgens avond aan avond in de schouwburg te spelen voor vijftig man. Dan geef je zo’n tekst een doodsteek.’ Van der Zalm beaamt dit: ‘Het postdramatische theater geeft makers alle gereedschap, openingen en aanleiding om dat tekstmateriaal opnieuw te bekijken en te transformeren tot een voorstelling voor het publiek van nu.’ Van Rijn: ‘Ik zou Lucifer graag doen. Ik heb hem nog nooit in de grote zaal gezien. Kom maar door!’