‘Iedereen hep wel wat’, is het informele motto van Theater 5D, een stichting die strijdt voor professionele podiumkunstenaars met een handicap. Waarom is er zo weinig overlap met het reguliere theater, vraagt Chris Keulemans zich af.

Door Chris Keulemans, foto Rene den Engelsman

Bubbelgedrag zie je zelden mooier dan in de omgang tussen mensen met en zonder handicap. Zeker in de kunstwereld, omdat er geen explosieve kwesties onder liggen. Kunstenaars zijn open en nieuwsgierig. Mensen met een handicap en een artistieke ambitie ook. Geen van beiden vormt een bedreiging voor elkaar, ze zijn het niet met elkaar oneens, stellen elkaars bestaan niet ter discussie. De omgang wordt niet overschaduwd door politieke tegenstellingen, vermoedens van racisme of onwil naar elkaar te luisteren. Dit is bubbelgedrag in de meest onschuldige en daarom meest pure vorm.

Waarom is het dan toch zo hardnekkig? Dat vraag ik me af sinds ik vorig jaar kennismaakte met stichting 5D. Het is de enige organisatie in Nederland die als doel heeft de positie van mensen met een handicap in de professionele podiumkunsten te verbeteren. In de praktijk betekent dat: dansen op halve beentjes, festivals bezoeken met asperger, Twister spelen met blinden, spastische monologen, een meisje dat zingt over haar huid die in de fik staat, gebarentolken en boventitels die doorlopend commentaar geven op de voorstellingen waar ze deel van uitmaken, persberichten in braille, een fanfare van torenhoge rolstoelen, een regisseur met tourette – en een kantoor vol geconcentreerd werkende jonge mensen die tijdens de lunchpauze onbarmhartige grappen over elkaar maken, want het motto is hier: ‘Iedereen hep wel wat.’

Nauwelijks overlap

Toen ik afgelopen zomer werd gevraagd om de meerjarige subsidieaanvraag voor 5D te schrijven – noest werk dat me vooral aantrok omdat ik daarmee een alibi kreeg om achter de schermen te kijken – trof ik een kleine theaterwereld aan die in alles lijkt op de grote, maar er vrijwel helemaal naast opereert. Er is nauwelijks overlap. Op de grote podia kennen we cabaretier Vincent Bijlo (blind), verhalenverteller Funda Müjde (rolstoel), sinds kort acteur Tessa Jonge Poerink (klein) en violist Kim Spierenburg (auto-immuunziekte). Meer rolmodellen zijn er niet. Op de toneelscholen wordt talent met een handicap al snel ontmoedigd om auditie te doen: ze zouden het tempo niet kunnen bijbenen. Voorstellingen van 5D staan op Oerol en de Parade, maar in de theaters worden ze niet geboekt. Op de afdelingen communicatie, techniek en productie van theaters en gezelschappen zie je amper mensen met een beperking. Creative Access (het inzetten van gebarentaal, audiodescriptie en boventiteling als integraal onderdeel van de voorstelling) en Disabled Led Theatre zijn en blijven Engelse fenomenen. Ons cultuurbeleid kent de Code Cultural Governance en de Code Culturele Diversiteit, maar geen Code Toegankelijkheid.

Je zou bijna zeggen: hier is sprake van zuivere segregatie. Alle mechanismes van uitsluiting, die we beter kennen uit de sociale en politieke arena, zijn hier aan het werk. Maar zonder dat iemand het wil en zonder dat het nodig is. Waarom zijn ze dan toch zo effectief? 

Neem de nieuwe solo van Eric Heijmans, Semtex, in regie van Beer Boneschansker, artistiek leider van 5D. Als de lichten opgaan zit een man voorovergebogen op een stoel. Hij kijkt op. Onder het grijzende kuifje glimmen zijn pretogen.

‘Ik ben Eric’, zegt hij. ‘Ik ben een sterke man van net boven de vijftig. Ik ben niet alleen groot en sterk. Ik ben één bonk spieren. Ik ben de man van staal.’ Hij praat alsof er een tennisbal op zijn tong ligt. Als hij opstaat zie je al die spieren aan het werk. Eric Heijmans is spastisch. Zelfs de kleinste beweging kost kracht. Geen woord komt gratis. De letter t kan hij niet uitspreken. ‘De kee is een roklekker!’ Hij loopt dichter naar het publiek toe. ‘Ik zou al die kracht kunnen gebruiken om telefoonboeken doormidden te scheuren, boomstammen op te tillen of aan hamerslingeren te doen.’ Hij glimlacht. ‘Maar dat doe ik niet. Ik gebruik mijn kracht om met jou te praten. Om jou aan te raken. Om met jou te dansen. Ik ben Eric.’

Voor het publiek is deze solo van veertig minuten een uitputtingsslag. Omdat we opeens gedwongen zijn te luisteren naar een spastische man, zijn zinnen niet voor hem mogen afmaken, er niet met een beleefdheid tussenuit kunnen knijpen – omdat we opeens voelen hoe kwetsbaar het is om tegenover een man te zitten die ons heel precies duidelijk maakt hoe we ons gewoonlijk gedragen tegenover iemand die moeizaam uit zijn woorden komt. ‘Als ik ergens binnenkom,’ zegt Eric, ‘kijkt iedereen naar mij. En als ik begin te praten kijken ze naar hoe ik spreek. Maar ze luisteren niet naar wat ik zeg. Vooral niet als ik ook nog eens ga bewegen.’ Hij tilt zijn handen op en grijpt om zich heen, op zijn Erics, alsof hij met die gekromde vingers probeert vlinders uit de lucht te plukken.

Ik zag de voorstelling tijdens het 5D Inhuis Festival in december. Tijdens het nagesprek zei Boneschansker wat Heijmans zelf niet met zoveel woorden zou toegeven. Zijn beperking is niet zozeer die manier van praten en bewegen, het is de eenzaamheid die daarvan het gevolg is. De eenzaamheid van het kale licht dat hem in het gezicht schijnt, na afloop van zijn solo, als hij thuiskomt in een leeg huis en de koelkast opent. Het kale licht dat de beloning is van weer een lange dag in de bewoonde wereld.

Geen volwaardig burgerschap

Dit is een voorstelling die het verdient te toeren langs de vlakkevloertheaters van het land. Hij is geestig, barst van de dubbele bodems en laat je achter, zoals de beste voorstellingen dat doen, met een gevoel van rusteloosheid, honger en zelftwijfel. Toch is hij nog nergens geboekt.

Misschien speelt hier de wet van de remmende voorsprong. Nederland kent tal van voorzieningen voor mensen met een handicap. We zien hun achtergestelde positie dus niet als een probleem. Voor elke beperking is er een zorgregeling. En zolang die zorg er is heeft de samenleving gedaan wat ze moet doen. Maar een volwaardig burgerschap is het niet. Dat zie je zodra iemand als Eric Heijmans met zijn veeleisende stijl van theatermaken aanklopt bij een huis van de podiumkunsten. Opeens treedt dan de heersende norm aan het licht, en die is: wit en gezond.

Daar valt natuurlijk wel wat aan te doen. Stap voor stap. De meeste mensen die theater willen maken met iemand die een omweg nodig heeft om zijn talent te laten spreken – een theatermaker die met gehandicapten werkt, een toeschouwer bij een voorstelling, een journalist die een recensie schrijft, een beleidsmaker die nieuwe regelingen formuleert – doorlopen vier fases. Beer Boneschansker zette ze laatst op een rijtje: ‘De eerste is de freakshow: de omgang met iemand met een handicap is raar, ongemakkelijk of zelfs eng. Dan volgt de bewondering: wat goed dat je dat kunt! Alles wat iemand met een handicap presteert is bijzonder, kritiek is uitgesloten. Als het goed is treedt daarna de normalisatie in: die ander blijkt helemaal niet zoveel van jou te verschillen, en ja, iedereen heeft wel wat. Met als resultaat dat je uiteindelijk iemand echt met al zijn mogelijkheden gaat zien en daarmee aan het werk gaat.’

Kinny Gardner zei het vorig jaar heel simpel in theater Oostblok, waar 5D de eerste Nederlandse dag over Creative Access organiseerde. De voormalige danser en acteur toert met zijn Krazy Kat Theatre Company al jaren door Europa met voorstellingen waar gebarentaal organisch deel van uitmaakt. Deze oom van een doof neefje vindt dat theater voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk moet zijn. ‘Vertel me wat ik ben, niet wat ik niet ben. Ik wil weten wat jij bent, niet wat jij niet bent.’

Zo eenvoudig als dat klinkt is het in de praktijk natuurlijk niet. De bubbels waar we in leven zijn als luchtbellen. Ze zweven parelend op de bries omhoog – totdat je gaat proberen er van twee of drie eentje te maken. Elke theatermaker, bewust of onbewust in zijn eigen gecodeerde speelwerkelijkheid gevangen, weet hoe moeilijk dat is. Gevaarlijk zelfs: voor je het weet spat alles uit elkaar.

De oplossing is misschien om te voorkomen dat je in een bubbel leeft en werkt. Om alert te zijn op vocabulaire en vriendenkring: hoe vaker je met de mensen om je heen aan een half woord genoeg hebt, hoe alerter. Stel: je werkt met Eric Heijmans, de spastische acteur, met Klemens Patijn, de regisseur met tourette, met Thomas Schellens, de acteur met halve armen en benen, met Alma Gerritsen, de dove zangeres – daarmee stel je zoveel vanzelfsprekendheden buiten werking dat de bubbel weg is voor je het weet.

In de theaterwereld is het ontmantelen en afbreken van vanzelfsprekendheden de mantra van ongeveer elke maker, groep, huis of opleiding. En het goede nieuws is: als je die mantra serieus neemt, staan de hulptroepen klaar. Acteurs, schrijvers, ontwerpers en muzikanten in de meest ongelijksoortige kleuren en talen: ze zijn er. Net als de talentvolle mensen die in alles op je lijken – behalve dat ze één ding niet zo makkelijk kunnen als jij. Veel is er niet voor nodig om ze in huis te halen en daarmee meteen je vanzelfsprekendheden op de proef te stellen. Boek Semtex of theatrale installaties als de Sound Wheelies, de Voelboxen en de Vertaalslager. Plaats gebarentolken in je koor. Luister naar zangeres-violiste Kim Spierenburg: ‘Mijn huid staat in de fik. Pijnbankpijnbank.’ Neem een blinde communicatiemedewerkster aan: ze ratelt op haar brailletoetsenbord de volzinnen er sneller uit dan jij ze kan bedenken. Verwar de hectiek van een toneelschool niet met tempo: zet de snelheid een tandje lager, maak ruimte voor concentratie en open je audities voor spastisch, kort en doof talent. Laat die bubbels maar parelen, de hoogte in. Dat kunnen ze heel goed zonder ons.