Toen het Theater Instituut Nederland in 2013 zijn deuren sloot werd de collectie overgenomen door de Universiteit van Amsterdam, die haar onderbracht bij Bijzondere Collecties. Maar hoe zeker is het theatererfgoed nu er in Den Haag weer voorzichtig wordt nagedacht over nieuwe sectorondersteuning?

Door Annet Veenstra, foto Jan Theun van Rees

Wijlen acteur Carol van Herwijnen had zelfs een cd van zijn eigen uitvaart meegestuurd. Voor zijn persoonlijk theaterarchief. Althans, dat had een naaste namens hem gedaan. In de kartonnen doos die zijn theatrale leven in ons collectieve geheugen moet prenten zien we verder wat scripts, een paar videobanden, wat tijdschriften die hij graag las. Andere dozen, zowel van gezelschappen als van personen, bevatten A4’tjes vol koffiekringen, pengekrabbel en wat verdwaalde mededelingen: de acteursbus van Toneelgroep Amsterdam zou op 12 november 1993 om 13.15 uur vertrekken naar Gouda.

Zoals acteurs en gezelschappen tegenwoordig zo vaak strak staan van de marketing, omgeven van glanzende en smetvrije publiciteit, zo aandoenlijk alledaags ziet de theatergeschiedenis er in werkelijkheid uit. Hans van Keulen, conservator en teamleider uitvoerende kunst van de Universiteit van Amsterdam, leidt me rond in de theatercollectie aan de Keienbergweg in Amsterdam-Zuidoost. Het pand bevindt zich op een bedrijventerrein en ziet er weinig uitnodigend uit, maar eenmaal binnen ontsluit zich de Nederlandse theatergeschiedenis. Er hangen rekken vol prachtige kostuums en poppen, er staan maquettes van decors en er liggen video- en audiotapes in keurige categorieën op de plank.

Versnipperaar

‘Hier zie je hoe mensen gewerkt hebben. Je kunt hun artistieke werk reconstrueren,’ vertelt Van Keulen. ‘Kijk hier bijvoorbeeld.’ Hij wijst op een doorgekraste passage in het script De Vuurproef. ‘Voor een dramaturg is het heel interessant om te weten dat Ton Lutz hier kennelijk heeft besloten het eerste deel van het derde bedrijf te schrappen.’

Vroeger was de collectie onderdeel van het Theater Instituut Nederland, een organisatie van  vijvenveertig fte sterk, in vijf panden aan de Herengracht. Na de sluiting op 1 januari 2013 is de theatercollectie samen met de theaterbibliotheek eigenlijk alles wat er nog is. Nog een schamele 2,4 fte is er over om het theatraal erfgoed te hoeden.

De instituten voor film (EYE) en architectuur (Het Nieuwe Instituut) troffen het beter in de bezuinigingsronde eind 2012. Die instituten beheren een rijkscollectie, en de collectie van het TIN had die status nooit bereikt. Daarbij had het TIN zijn gebouwen aan de Herengracht net verkocht en was had het dus geen eigen museum meer.

Van een subsidie van vijf miljoen euro per jaar ging het TIN  naar nul. Tot overmaat van ramp legde het ministerie beslag op de 3,5 miljoen euro die nog over was uit de verkoop van de panden. Via een omweg kwam dat geld alsnog ten goede aan de Theatercollectie toen de Universiteitsbibliotheek van de UvA zich erover ontfermde. Het ministerie gaf het geld aan de Universiteit, met een beheersverplichting.

Berend Jan Langenberg, voorzitter van de stichting TIN en juridisch eigenaar van de collectie, noemt dat een blessing in disguise. ‘Anders was alles wat het TIN al die jaren had verzameld letterlijk in de versnipperaar gegaan.’

Is ons collectieve theatergeheugen in deze nieuwe situatie nog wel gewaarborgd? Het antwoord is, volgens Van Keulen, naar omstandigheden ja. De sectortaken – hulp aan jonge makers, internationalisering, publicaties, debatten – zijn afgestoten; die zijn overgelaten aan de sector zelf of zijn verdwenen. Maar de theatercollectie die er nu is, is voor een periode van dertig jaar veilig bij de UvA. De locatie mag dan onaantrekkelijk zijn en theaterboeken staan niet meer op de plank maar moeten aangevraagd worden, maar die veranderingen vinden in andere bibliotheken evengoed plaats. Bovendien is de digitalisering van de collectie een schot in de roos geweest. Van Keulen: ‘Musea en journalisten kunnen ons nu veel beter vinden. Het aantal bruiklenen – schilderijen, maskers, kostuums – is alleen maar toegenomen.’

Theaterencyclopedie

Het voornaamste probleem ligt bij het aanvullen van de theatergeschiedenis. Vroeger had het TIN een actieve rol in het verwerven van de scripts, affiches en recensies van gespeelde voorstellingen. Inmiddels is daar de mankracht niet meer voor. Sinds 2004 verzamelde het TIN al niet meer de affiches van alle vijftienhonderd voorstellingen die in een jaar gespeeld worden. Tegenwoordig selecteert een commissie van experts jaarlijks honderd voorstellingen die representatief zijn voor het seizoen. Daar zitten dus ook slechte tussen. Het gezelschap dat mag toetreden tot de Theatercollectie ontvangt bericht: van harte gefeliciteerd, uw voorstelling is geselecteerd. Met de vraag of ze het affiche, enkele scènefoto’s en een stukje videoregistratie willen opsturen voor het archief. Inmiddels zijn er zelfs plannen om het aanleveren van het materiaal verplicht te stellen. ‘Anders krijgen we het niet,’ zegt Van Keulen. ‘Maar dat is ook niet verwonderlijk. Theatermakers zijn minder met het verleden bezig nu het heden al zo urgent is.’

De voorstellingsgegevens van alle vijftienhonderd producties, zoals premièredata, producenten en uitvoerenden, worden nog wel verzameld, voor de Theaterencyclopedie, een digitaal platform over de theatergeschiedenis. Deze is ingericht als een zogenaamde wikipagina, waar theaterliefhebbers en –professionals kunnen meeschrijven. De middelen om te digitaliseren raken alleen wel op bij het TIN.

Van Keulen: ‘Je wilt zo’n theaterencyclopedie technisch up to date houden. En dat kan nu niet.’ De bruidschat die de UvA meekreeg bij het aannemen van de theatercollectie is over zeven jaar op.

Nieuwe BIS

Maar er gloort hoop aan de horizon. ‘Het TIN is tot 2010 altijd een oogappeltje van het ministerie geweest. De ambtenaren droegen ons altijd een warm hart toe,’ vertelt voorzitter Langenberg. ‘Toen Zijlstra echter het bewind voerde, werd sommige ambtenaren opgedragen niet meer met ons te praten. Zijlstra wist namelijk dat ze die bezuiniging anders niet over hun hart hadden kunnen verkrijgen.’

Op 23 februari dit jaar voerden TIN en UvA gesprekken op het ministerie over de toekomst van het theatererfgoed. ‘Ambtenaren spraken expliciet uit dat ze ons graag willen helpen. Dus als er in 2017 een nieuwe ondersteuningsstructuur op de politieke tafel ligt, dan maken we een goede kans.’

De vraag is alleen in welke vorm dat zal zijn. Zal het theaterinstituut uit de as herrijzen, of komt er misschien een groot kunstinstituut? Die vraag zal het komende jaar in Den Haag worden besproken. In mei brengt de Raad voor Cultuur advies uit over de nieuwe culturele basisinfrastructuur (BIS) voor 2017-2020. Maar op het ministerie wordt al verder vooruit gekeken, naar de beleidsperiode die in 2021 begint. Onderzoeksbureau Panteia werkt aan een kwalitatief onderzoek naar de behoefte aan ondersteuning binnen de cultuursector. De uitkomsten daarvan zullen de basis vormen voor de vernieuwde BIS, waarin wellicht ook weer (financiële) ruimte is voor erfgoedtaken.

Sander van Maas, adviseur van de Raad voor Cultuur en universitair docent musicologie aan de UvA, is echter zeer duidelijk over een herrijzenis van het TIN: ‘De ondersteuningsstructuur omvat op dit moment geen actief archiverende instellingen en zal dat ook in de toekomst niet doen’ Hij ziet een andere toekomst voor de archivering in de kunsten. ‘Waarom zou je de selectie van het erfgoed alleen door de sector zelf laten doen? De honderd geselecteerde voorstellingen per jaar zijn ook maar een ad-hocoplossing die wordt ingegeven door een vaag erfgoedbewustzijn en de dagbelangen van gezelschappen. Die selectie moet objectiever gebeuren. De kwaliteit van het behouden erfgoed is bij uitstek een politieke kwestie.’

Van Maas (die op persoonlijke titel spreekt en niet namens de Raad) denkt dat er een grote efficiëntieslag zal plaatsvinden in de cultuursector. ‘De vraag wat er aan erfgoed bewaard moet worden kun je niet aan de sector zelf overlaten. Een sector bewaart het erfgoed namelijk voor de eigen sector.’ Van Maas vermoedt dat er eerder een netwerkorganisatie voor de hele cultuurbranche in het leven geroepen wordt. ‘En dan bedoel ik niet een fysiek instituut met een directeur, een secretaresse en een gebouw, maar eerder een netwerkstructuur. Bijvoorbeeld een gezamenlijke database waarin kennis uit alle kunstsectoren gedeeld kan worden. Dit roept het recente rapport Over het voetlicht van de commissie-Ter Horst in herinnering, die onderzoek deed naar publieksbereik. In dat rapport wordt ook gesproken over de aanleg van een database waarin theaters en gezelschappen hun gegevens over zaalbezetting en publieksdemografie kunnen delen.’ Bestaande instellingen als Boekman, DEN (Digitaal Erfgoed Nederland) en het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum worden in zo’n netwerk belangrijke knooppunten.

Meer centralisatie en digitalisering dus. In die richting lijkt de nieuwe ondersteuningsstructuur voor de periode na 2020 te gaan. Van Maas: ‘De tijden zijn veranderd. Er heeft een grote vernetwerking van cultuur plaatsgevonden. Kunstsectoren gaan allerlei onderlinge verbindingen aan. Als je het Theater Instituut nieuw leven zou inblazen, dan gooi je al die samenwerkingen tussen sectoren overboord. We moeten minder verzuild denken.’

Ook verwacht Van Maas dat het beheer van een digitale collectie kostenbesparend zal zijn. ‘Het aanleggen van zo’n digitale collectie kost even wat meer, maar daarna is de verspreiding direct veel gebruiksvriendelijker en goedkoper.’ Als voorbeeld van good practice noemt hij het Pina Bausch-archief. ‘Dat is een zeer groot, bemand archief waar het erfgoed niet alleen bewaard, maar ook actief ontsloten wordt. Die zichtbaarheid van de collectie zou voor het theatererfgoed ook vergroot moeten worden.’

In Den Haag is men bezig met erfgoed en sectorondersteuning. Er is reuring. En dat is een goed teken, vindt Berend Jan Langenberg. Maar de vraag is welke vorm die reuring de komende jaren zal aannemen. Als we de woorden van Van Maas horen, dan lijkt het gevaar van de versnipperaar nog altijd niet geweken.