Vaker boventiteling in meer theaters lijkt om allerlei redenen een goed idee. Maar de ervaring leert dat de vertalingen in onder-/boventiteling in Nederland bij uitstek een plek zijn waarin oer-Hollands racisme onverbloemd doorsijpelt, concludeert Simone Zeefuik. Pleidooi voor een radicaal andere aanpak, met mensen die weten waar ze het over hebben.

‘We die. That may be the meaning of life. But we do language. That may be the measure of our lives.’
– Toni Morrison in haar Nobelprijs-speech

Ze was een mooie verschijning en ze zong opera met een hartverschuivende bezieling. Haar outfit deed vermoeden hoe Donna Summer eruit zou zien als ze gestyled was door Skunk Anansies Skin, en rechts van haar stond een slaginstrument dat qua indrukwekkendheid haar grootsheid evenaarde. Alles oogde prachtig en klonk heerlijk. Toch was er niets van dat alles dat ons vanaf één van de voorste rijen hoorbaar liet zuchten. Ook was het niet genoeg om ons daarna echt weer te laten ontspannen. En ontspannen waren we, aanvankelijk. Wij, twaalf Zwarte vrouwen die zich hadden gekleed naar hun enthousiasme en die ieder genoten van een prachtige performance. Totdat daar, in de boventiteling die de Franse nummers naar het Nederlands vertaalde, groot en lichtgevend het N-woord verscheen.

Mijn liefde voor goed geschreven en verbeelde verhalen heeft een hoop te danken aan ondertiteling. Ondertiteling vergrootte m’n toegang tot de films van bijvoorbeeld Felix de Rooy en Norman de Palm, Ousmane Sembène, Rahmatou Keïta en Abderrahmane Sissako. Van films als Sarah Maldorors Sambizanga, Med Hondo’s Soleil O en Lula Ali Ismaïls Dhalinyaro zou ik cruciale verhaallijnen of soms zelfs het overgrote deel van het verhaal gemist hebben, ware het niet dankzij de ondertiteling. Hetzelfde geldt voor een film als The Tragedy of Macbeth. Ik volg Denzel Washington waar hij ook gaat, maar met m’n diep weggezakte kennis van oud-oud Engels zou het volgen van z’n monologen soms toch echt als een veel te intens gepuzzel voelen.
Ondanks dat ik goed besef dat een bioscoopzaal geen theaterzaal is, is dit toch m’n wens voor onze sector: meer theaters waar vaker boventiteling geboden wordt. Allereerst omdat het niet vanzelfsprekend is dat iedereen kan horen wat er op het toneel gezegd wordt. Daarnaast kan ik me ook voorstellen dat het gebruik van boventiteling mooi aansluit bij diverse manieren van het verwerken van informatie. Daarbij komt dat het merendeel van de Nederlandse theaterprogrammering bij lange na geen reflectie is van hoeveel in Nederland wonende personen geen Nederlands spreken. Wat nou als je als zogeheten ‘nieuwe doelgroep’ dusdanig nieuw bent dat je de Nederlandse taal nog niet goed genoeg beheerst om een voorstelling te volgen? Of dat je hier, bijvoorbeeld als expat, al wel een aantal jaar woont maar je, om wat voor reden dan ook, geen Nederlands spreekt? Er zijn tal van redenen om de taal van het land waar je woont niet of nog niet te spreken en ‘Dan maar geen theater voor jou…’ kan daar niet het eindoordeel van zijn. En ja, er zijn prachtige dans-, mime- en zogeheten ‘language no problem’-voorstellingen. Toch vertrouw ik erop dat we snappen dat daarmee m’n aandringen om haast te maken met het aanbieden van boventiteling in theaters niet stopt.

De vraag die bij vrijwel elke stap richting inclusiviteit rijst, dient ook hier gesteld te worden: wie gaat het doen? Specifieker gesteld: wie verzorgt de teksten? Want, of het nu gaat om een vertaling of het ondertitelen van een Nederlands sprekend persoon, er worden keuzes gemaakt. En helaas leert de ervaring dat Nederlandse ondertitels bij uitstek een plek zijn vanaf waar oer-Hollands racisme en andere vormen van kolonialisme met een blik op oneindig recht in de camera kijken.

Zo ook zondag 25 augustus jongstleden, toen Alida Dors, artistiek directeur van Theater Rotterdam, de reeks Zomergasten afsloot. De immer majestueuze Dors slaagde erin om ons, ondanks de door reflexen gestuurde omleidingen van haar gesprekspartner, een gelaagde uiteenzetting te geven van haar artistieke genealogie. Deze bestaat voor het overgrote deel uit hiphop, en daar spelen de films die onderdeel zijn van die liefde een belangrijke rol in. Ze bracht ons zo’n mooie selectie. Van krump in Los Angeles tot familieherinneringen in Ganzee, van Angela Davis, en Denzel Washington als Macbeth tot Surya Bonaly op de Olympische Spelen van 1998. Dors blesste ons met haar visuele mixtape die de artistieke en intellectuele reis waarover ze vertelde, zo mooi omlijstte. De groepsapps piepten bescheiden. Iedereen was aan de buis gekluisterd en niemand wilde gestoord worden maar af en toe moesten we het met elkaar delen. Tuut-tuut, wat een mooi geformuleerd antwoord. Tuut-tuut, she’s so royal. Tuut-tuut, deze scene!! We wilden vooral naar haar kijken en van haar genieten dus de notificaties waren opvallend rustig. Tot dat ene moment dat de meldingen bleven ratelen. Tuut-tuut, slaaf?!

Eén van de fragmenten die Dors liet zien, komt uit Boyz n The Hood. We zien hoe de jonge Tre Styles wordt afgezet bij z’n vader. Furious Styles, inmiddels teruggekeerd naar z’n voortuin, vraagt twee buurjongetjes of ze de herfstbladeren uit z’n gazon willen harken. Vijf dollar heeft hij voor ze. De jongetjes geven aan dat dit echt te weinig is en dat ze elders zoveel meer kunnen verdienen. Vader Furious stelt dat z’n zoon het dan maar moet doen en loopt, nadat hij de jongen de hark heeft overhandigd, terug naar z’n huis. Eén van de buurjongetjes zegt tegen Tre dat hij z’n vader vreselijk gemeen vindt. ‘Damn, yo’ daddy mean. He’s worse than the boogeyman himself. Who he think you is, Kunta Kinte?’

Dit had zo makkelijk ondertiteld kunnen worden als: ‘Wie denkt hij dat je bent, Kunta Kinte?’

In plaats daarvan stond er: ‘Wie denkt hij dat je bent, een slaaf?’

Dat is een keuze. Het vervangen van de naam Kunta Kinte door ‘een slaaf’ is een keuze, een luie en onderwaarderende keuze. Eén die in de wereld van de Nederlandse ondertiteling geenszins de uitzondering is. De mate van taalkundige ontmenselijking en simplificeringen van Zwarte personen is er immens.
Ik kan in m’n familie- en vriendenkring niemand bedenken die Kunta Kinte niet kent. In ieder geval niemand tussen de 27 en 80 jaar. Ook de mensen die Rootsdecennia geleden en misschien zelfs slechts één keer gezien hebben, kennen hem. Ook wanneer ze Roots nog nooit gezien hebben en de verhaallijn niet kennen, weten ze in hoofdlijnen wie hij is en kennen ze de referentie. Referenties zijn de culturele ankerpunten waarmee de mensen die onderdeel zijn van die cultuur hun taal houvast en herkenning geven. Die herkenning is belangrijk, zo niet cruciaal, en kan niet worden overgelaten aan mensen die dit niet kennen of, waar mogelijk nog erger, het wel kennen maar alsnog bepalen dat het te onbekend is. Te onbekend voor wie? Voor wie werkt het uithollen en referentieloos reproduceren van dat wat Zwarte personen of personages zeggen? En wat betekent deze behoefte? Wiens linguïstische verbeelding zit op een zodanige max dat het slechts tot de meest oppervlakkige simplificaties van Zwarte vocabulaires kan komen?

In Things Fall Apart beschreef Chinua Achebe hoe spreekwoorden de palmolie zijn waarmee woorden gegeten worden. Iets soortgelijks geldt voor het gebruik van de woorden die we gebruiken om elkaar aan te spreken, lief te hebben, te checken, te categoriseren en te refereren aan herkenningspunten. Om die herkenningspunten tot ontmenselijkende of stereotypische termen gereduceerd te zien, is misselijkmakend. Ik zou het echter jammer vinden als die zeer gegronde vrees voor de onkunde van de huidige garde zou worden aangedragen als reden waarom het bieden van onder-/boventitels bij theatervoorstellingen ‘meer tijd nodig heeft.’ Deze remmende redenering laat het te vaak voorkomen alsof er oneindig in de niet-presterende personen of teams geïnvesteerd dient te worden omdat ze niet vervangen kunnen worden. Mensen met nul kennis van en betrokkenheid bij Zwarte vocabulaires kunnen bepaalde werken niet van vertaling of andere ondertiteling voorzien. Punt.
Ik denk aan voorstellingen als Tijd Zal Ons Leren, Manquement, Sisters en Hier Zijn We Koningen, voorstellingen met prachtige teksten uit de spreekwoordelijke pennen van Romana Vrede, Djuwa Mroivili, Melissa Knollenburg en Lisette Ma Neza. Ik kijk uit naar toekomstige theaterstukken geschreven door Munganyende, Kimberley Agyarko, Ira Kip, Lashaaawn, Babs Gons, Saron Tesfahuney, Sheralynn Adriaansz en Adison dos Reis. M’n wens voor boventiteling bij hun theaterstukken is echter net zo groot als m’n angst voor uitgeholde interpretaties van wat ze zeggen omdat ik weet dat de ondertitelaars die hoog in de huidige shortlists staan deze werken geen recht zouden doen.

Neem bijvoorbeeld Manquement, de voorstelling waarin Djuwa Mroivili het in een Black hair shop onder andere over communities en de Comoren heeft. De overgrote meerderheid van de Nederlandse onder-/boventitelaars zou er een puinhoop van maken. Alle genoemde haarstijlen? ‘Vlechtjes.’ Alle Comorese gerechten waarover ze het heeft zouden simpelweg ‘het eten’ genoemd worden, de Comoren zouden ‘het eiland’ genoemd worden en de coelacanthessen waarover Mroivili het heeft, zouden tot basic ‘vissen’ worden gereduceerd. Hoezeer onze sector ook stelt behoefte te hebben aan ‘nieuwe’ verhalen, het ontbreekt de onder-/boventitelaars en vertalers aan de expertise om de verschillende vocabulaires tot hun recht te laten komen.

Helaas gaat het ook zelfs met the basics vaak mis. In plaats van ‘Zwarte mensen’ of ‘Zwarte personen’ staat er in de ondertiteling van films en series bijvoorbeeld vaak ‘zwarten’. Ook wanneer het personage uit de betreffende film of serie het duidelijk heeft over ‘Black people’ zijn er ondertitelaars die vanachter hun toetsenbord bepalen dat ‘Zwarte mensen’ en ‘zwarten’ hetzelfde betekent. Hoe rustgevend en, in tegenstelling tot wat we geleerd hebben, normaal zou het zijn wanneer dit soort taalgerelateerde opdrachten worden verzorgd door… hear me out… mensen die de werking en impact van taal daadwerkelijk snappen. Het is ronduit stuitend om keer op keer mee te moeten maken hoe de ondertiteling wordt geschreven door een persoon of personen die zo weinig weten van de geschiedenissen, huidige staat en ontwikkelingen van taal. Wat we als sector nodig hebben, zijn onder-/boventitelaars die zonder een belrondje of een klankbordgroep dekoloniale, anti-racistische teksten kunnen produceren. We hebben mensen nodig die de talen van verschillende culturele en artistieke gemeenschappen voorbij de letterlijkheid van woordgebruik spreken. Ook daadkrachtige besluiten om bepaalde termen niet meer te gebruiken, zouden een mooie ondergrens vormen.

Zoals ons avondje opera ons herinnerde, lijkt de gevestigde orde van onder-/boventitelaars zich geen raad zonder het N-woord. Zo worden Engelse, Franse, Portugese en Spaanse beschrijvingen voor Zwarte personen die qua letters lijken op het Nederlandse N-woord vaak als zodanig vertaald.

In Fanon: Gevangen in een witte blik – het stuk dat ze schreef als onderdeel van de samenwerking tussen Dipsaus, Alphabet Street en de Nederlandse Boekengids – beschreef Grâce Ndjako haarfijn waar het misging bij die betreffende vertaling: In de nieuwe vertaling is nègre vertaald naar het Nederlandse n-woord. De vraag dient zich direct aan: kent het Nederlandse n-woord eenzelfde dialectiek als het Franse nègre? Zien we in het Nederlands de directe en expliciete verwijzing naar het slavernijverleden en kolonialisme terug zoals bij het Franse woord? Begrijpt een Nederlandstalige lezer het cruciale verschil dat Fanon maakt tussen Noir – een zwarte persoon – en nègre – een gedehumaniseerd biologisch gegeven met een zwarte huidskleur – wanneer het woord nègre vertaald wordt naar het n-woord? Het n-woord – dat columnisten in Nederland, die weten dat het als kwetsend wordt ervaren, alsnog schaamteloos en herhaaldelijk neer kunnen pennen. Het woord dat je nog altijd kan horen tijdens praatprogramma’s op tv. Het woord dat door veel mensen nog altijd wordt gezien als een synoniem voor zwart persoon. Zien we in de nieuwe vertaling dat deze overwegingen zijn gemaakt, dat er is nagedacht over deze implicaties? Het antwoord op al deze vragen is: nee. (…) Het is – en wel in het bijzonder in het kader van deze tekst – niet gepast nègre met zwart te vertalen. De woorden noir en nègre hebben voor Fanon verschillende betekenissen en functies binnen zijn tekst – het zijn geen synoniemen. Dat de vertaler dacht dat dit een gepaste oplossing zou kunnen zijn wekt de indruk dat ze geen weet heeft van het verschil tussen beide woorden bij Fanon, dat zij het doel van zijn tekst niet begrijpt, en dat zij Fanon simpelweg niet begrijpt. Op de momenten waarop de link naar het slavernijverleden en de koloniale positie wel duidelijk gemaakt zou kunnen worden is het woord nègre vertaald naar plantagewerker of Antilliaan. Een keuze die ik niet anders kan typeren dan als hoogst opmerkelijk.’

‘Who he think you is, Kunta Kinte?’
Nègre vertalen als Antiliaan is geworteld in dezelfde onkunde die van Kunta Kinte ‘slaaf’ maakte.

In de culturele en andere artistieke sectoren zijn genoeg mensen die wél deze expertises hebben; het is compleet onnodig om te blijven wachten totdat zij die dit niet hebben hun kennis hebben bijgespijkerd. Er zijn tal van andere stukken die geschreven zijn in de talen die deze mensen wel spreken. Universele inzetbaarheid is een eurocentrische mythe en het feit dat mensen dusdanig gehecht zijn aan hun salarisstroken of de facturen die ze schrijven, verandert daar niets aan. Niet alles is voor iedereen en kan door iedereen gedaan worden. Racistische en anderzijds koloniale onder-/boventiteling dient actief aangepakt te worden. Van de bühne en de bios tot de streamingsdiensten, spaar ons de tergende onkunde die keer op keer zo misselijk door onze ontspanning snijdt. Zelfs een simpele zoektocht in de archieven van Twitter (r.i.p.) laat zien dat er al jarenlang door onder andere Grâce Ndjako, Quinsy Gario, Arzu Aslan, Amandla Awetu en Seada Nourhussen wordt aangekaart hoe racistisch en koloniaal de Nederlandse ondertitelcultuur is. Ruim vier jaar geleden schreef Kim Dankoor ‘WADDUP MY [N-WORD]!’: NETFLIX EN DE ONDERTITELING VAN HIPHOPTAAL voor OneWorld. Het zou een wereld van verschil maken als we onszelf niet zo vaak zouden hoeven herhalen. Al dat werk. Who you think we is?

Beeld: Rossel Chaslie

Dossiers

Theaterjaarboek 2022/2023